Je leest:

Zorg voor opa & oma

Zorg voor opa & oma

Auteur: | 28 mei 2012

Eindelijk eens goed nieuws over de vergrijzing: weliswaar neemt de behoefte aan ouderenzorg toe, maar daartegenover passen steeds meer grootouders op hun kleinkinderen. Bovendien kunnen deze oppasopa’s en oma’s later zelf vaker op hun eigen kinderen rekenen.

Het Europees Parlement heeft 2012 uitgeroepen tot het Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen generaties. Nogal een lange slogan, maar waar het om gaat is dat ouderen vaak als een last voor de maatschappij afgeschreven worden. Terwijl mensen later in hun leven nog zoveel moois kunnen blijven bijdragen, vindt ook socioloog Teun Geurts die deze week aan de VU promoveert op zijn onderzoek naar relaties tussen Nederlandse grootouders en hun kleinkinderen. Steeds meer grootouders zetten zich in als oppas voor hun kleinkinderen, een investering in familierelaties die zich op de lange termijn kan uitbetalen in een hechtere band met hun eigen kinderen.

Leo van Wissen, Hoogleraar Economische Demografie aan de Rijksuniversiteit Groningen, legt uit wat vergrijzing is en hoe ondernemers ervan kunnen profiteren. Ook hij vindt dat we niet zo negatief over de vergrijzing moeten doen: “Het is een succesverhaal: we gaan langer leven!”

Aanvulling formele kinderopvang

Voor zijn onderzoek maakte Geurts gebruik van gegevens verzameld in twee langlopende onderzoeksprojecten, LASA en NKPS, naar familiebanden in Nederland. Veel Nederlandse grootouders blijken zo nu en dan op de kleinkinderen te passen. Met 58% heeft Nederland op Denemarken na zelfs het hoogst percentage oppasopa’s en oma’s in Europa.

Daarentegen verzorgen maar weinig Nederlandse grootouders de dagelijkse opvang voor kleinkinderen. Dat doet slechts 4 procent, terwijl elders in Europa wel 40 tot 50 procent van de grootouders dagelijks oppast. Anders dan in landen als Spanje, Griekenland en Italië, is de inzet van Nederlandse oppasopa’s en oma’s vooral een aanvulling op de professionele kinderopvang.

Kinderopvang
Kinderopvang ‘De Puzzel’.
Bibliotheek Kortrijk

De afgelopen jaren zijn de wachtlijsten voor kinderdagverblijven geslonken. Bovendien vinden Nederlandse ouders het steeds minder bezwaarlijk om de zorg voor hun kinderen aan professionele instellingen over te laten. Je zou dus kunnen verwachten dat de behoefte aan oppas door grootouders dan ook afneemt. Vooral in het licht van de veelgehoorde veronderstelling dat familiebanden in het moderne Nederland alsmaar verder verzwakken.

Grootouders zorgen meer

Maar dat is helemaal niet zo, blijkt uit de beschikbare gegevens over het oppassen door grootouders op de kleinkinderen van hun dochters. “Er is juist een grote toename in het aandeel grootouders dat wel eens oppast”, stelt Geurts, “als je kijkt naar volwassen dochters, dan blijkt in 1992 dat 23% van die dochters ouders hebben die wel eens op de kleinkinderen passen, in 2006 is dat 41%.” Het percentage moeders dat op hun eigen ouders kon rekenen voor kinderopvang is dus bijna verdubbeld.

Een argument dat deze toename zou kunnen verklaren is dat er tegenwoordig gewoon meer opa’s en oma’s beschikbaar zijn als oppas: Meer grootouders leven langer in goede gezondheid. Zelf toont Geurts een aantal andere verklarende factoren aan. Grootouders zijn makkelijker als oppas in te zetten omdat de reistijd naar hun kleinkinderen is afgenomen. Daar komt bij dat zij ook minder kleinkinderen hebben om hun aandacht over te verdelen.

Bovendien is het aanbod aan oppasopa’s en oma’s toegenomen in samenhang met een grotere behoefte aan kinderopvang. In veel meer gezinnen dan vroeger werken beide ouders. Ook het aantal eenoudergezinnen neemt toe en dan gaat het veelal om alleenstaande moeders en hun kinderen. Grootouders springen in om hun dochters de kans te geven aan het werk te gaan en te blijven.

Aan de andere kant hebben veel ouderen zelf ook een baan. “Het aantal grootouders dat in 2006 oppast, zou waarschijnlijk hoger zijn geweest indien de arbeidsparticipatie onder grootouders niet was gestegen sinds 1992”, aldus Geurts.

Uitgestelde wederkerigheid

In zijn onderzoek naar de inzet van grootouders als oppas weet Geurts aan te tonen dat investeringen in sociale relaties zich op de lange termijn wel degelijk terugbetalen. Bovendien wijst hij ook de gevallen aan waarin dergelijke uitgestelde wederkerigheid niet op gaat.

De grootouders uit Geurts onderzoek die regelmatig op de kinderen van hun zonen pasten, kregen 13 jaar later meer steun van deze zonen dan grootouders die minder vaak als oppas optraden. “Zonen zullen bijvoorbeeld eerder even bellen om te vragen hoe het gaat en eerder even helpen met kleine dingen (bijvoorbeeld even grasmaaien) als er vroeger is opgepast.”

Maar verrassend genoeg geldt dat niet voor het opvangen van de kinderen van dochters. Oppasinvesteringen in dochters betaalden zich niet uit in meer aandacht voor de grootouders.

Cleaning brushes
Schoonmaken is een minder goede investering als het om uitgestelde wederkerigheid tussen ouders en hun volwassen kinderen gaat.
Tanakawho, Wikicommons

“Het is niet zo dat dochters mínder steun geven”, benadrukt Geurts, “vrouwen zijn waarschijnlijk vaker gesocialiseerd om familiebanden te onderhouden, terwijl dat bij zonen minder vaak zo is. Bij zonen wordt het oppassen dan gezien als iets dat later terugbetaalt zou moeten worden, terwijl het bij dochters meer om een continue proces gaat.”

Het oppassen op de kleinkinderen is een bijzonder gewaardeerde vorm van hulp. Andere bijdragen van grootouders aan de gezinnen van hun volwassen kinderen, zoals kleine geldbedragen of schoonmaakhulp, leveren later namelijk helemaal geen extra steun op. “Voor financiële of emotionele steun heb je de grootouders niet zo nodig, maar hun inzet als oppas is moeilijker te vervangen. In deze tijd is vrije tijd een kostbaar goed.”

Teun Geurts promoveert op 31 mei 2012 aan de VU op zijn onderzoek Grandparent – Grandchild Relationships in the Netherlands. A Dynamic and Multigenerational Perspective (Nederlandse samenvatting: pagina 135 – 150)

Zie ook:

Lees meer over vergrijzing op Wetenschap24:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 28 mei 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.