Je leest:

Zijn de indringers nog te stoppen?

Zijn de indringers nog te stoppen?

Auteur: | 26 november 2004

Op het symposium Biological Invasions vertellen ecologen hoe exotische soorten zich als pest verspreiden. Soms is er wat tegen te doen.

Japanse oester, Amerikaanse vogelkers en halsbandparkiet: nieuwe soorten rukken op. Sommige soorten verleggen hun areaal als reactie op klimaatsveranderingen, andere zijn opzettelijk of per ongeluk door mensen uitgezet. Biologen zien het met gemengde gevoelens aan, want nieuwe soorten kunnen een ecosysteem ontwrichten. Het schrikbeeld is de Nijlbaars in het Afrikaanse Victoriameer, die de oorspronkelijke levensgemeenschap met onder meer honderden soorten cichlidevissen vernietigde. Invasieve soorten gelden als de tweede bedreiging van biodiversiteit, na habitatverlies. En het frustrerende is, dat onderzoekers er weinig grip op hebben.

Naar schatting één op de honderd nieuwe soorten vestigt zich blijvend en één op de duizend groeit uit tot een plaag, maar onderzoekers kunnen niet voorspellen welke soorten dat zijn. ‘Tot nu toe beperkt 95 procent van het werk aan invasieve soorten zich tot een beschrijving van wat er gebeurt; slechts vijf procent gaat in op de mechanismen,’ zegt prof. dr. Wim van der Putten, hoogleraar Functionele Biodiversiteit in Wageningen en verbonden aan het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW). ‘Maar langzamerhand beginnen we invasieprocessen wat te doorgronden.’ Hij organiseerde vorige week vrijdag in Wageningen het symposium Biological Invasions in de serie Current themes in ecology.

Aan algemene indrukken en aannamen ontbreekt het niet. Zo zouden nieuwe soorten makkelijker voet aan de grond krijgen in aangetaste en in simpele ecosystemen, zouden soorten die weinig eisen stellen (generalisten) betere indringers zijn dan specialisten en zou een nieuwe soort die jarenlang schaars is gebleven onverwacht explosief kunnen gaan toenemen. ‘Zulke aannamen kunnen we nog niet hard maken,’ zegt dr. Jane Memmott van de School of Biological Sciences in Bristol (GB). ‘Wat we nodig hebben, zijn veldexperimenten.’

Brem

Memmott is een van de weinigen die experimenten doet, en ze kan dat omdat ze aanhaakt bij een programma voor biologische bestrijding van brem in Nieuw Zeeland. Brem is daar een invasieve soort, ingevoerd als tuinplant en inmiddels, bij gebrek aan natuurlijke vijanden, een lastig onkruid, óók in natuurgebieden. Sinds 1983 probeert men de brem terug te dringen door natuurlijke vijanden van elders te importeren.

Tien jaar geleden is een brem-etend insect uit Engeland gehaald en uitgezet: de bladvlo Arytainilla spartiophila. Dat ging volgens een systematische opzet: op 55 op ruime afstand van elkaar gelegen bremstruiken zette men verschillende aantallen beestjes uit (twee, vier, tien, dertig, negentig en 270) en Memmott volgde die plekken zes jaar. ‘Zo konden we zicht krijgen op het begin van het invasieproces, en juist daar was nog heel weinig van bekend,’ zegt ze.

Uit de resultaten die ze binnenkort publiceert blijkt dat op veertig procent van de plaatsen zich een kolonie vestigde. Zelfs op plaatsen waar een minimum aantal individuen, één mannetje en één vrouwtje, was uitgezet, bestond een kans van twintig procent op blijvende vestiging. Dat is meer dan ze had verwacht. Alleen het eerste jaar was kritiek; een kolonie die dat eerste jaar doorkwam, bleef praktisch altijd (in 96 procent van de gevallen) bestaan. Ook dat was verrassend.

Het lijkt toeval dat een opzettelijk binnengebrachte soort aanslaat, terwijl de kans daarop maar één op honderd is. Maar het is geen toeval, legt Memmott uit: ‘Uit de praktijk van de biologische bestrijding zijn wel wat vuistregels naar voren gekomen. Deze soort was met zorg gekozen – hij eet alleen brem – en onder gunstige omstandigheden uitgezet.’ Maar anders is het invasiesucces ongewis. In een nieuw gebied ontsnapt een soort aan de vijanden uit zijn oorspronkelijke gebied. In plaats daarvan krijgt hij te maken met nieuwe concurrenten, predatoren, parasieten en ziekteverwekkers, en het moet blijken of hij een plaats in het voedselweb vindt om zich blijvend te vestigen. Dat lukt soms wel, en soms niet.

Schimmel

Volgens prof. dr. John Klironomos van de University of Guelph in Canada zijn voor planten vooral de bodemorganismen van belang. Daar zijn ziekteverwekkers bij, maar ook organismen die de planten ondersteunen, zoals mycorrhiza, schimmels die in symbiose leven met plantenwortels. Succesvolle invasieve soorten, heeft Klironomos ontdekt, maken vaak gebruik van de in hun nieuwe leefmilieu aanwezige mycorrhiza-schimmels, terwijl ze profiteren van de afwezigheid van voor hen schadelijke ziekteverwekkers in de bodem.

Klironomos verdiepte zich verder in één invasieve plantensoort in Noord Amerika. De uit West Europa afkomstige look-zonder-look (Alliaria petiolata). Deze plant is als indringer succesvol doordat hij een stof afscheidt die mycorrhiza-schimmels doodt. Andere planten groeien daardoor niet goed meer op plaatsen waar look-zonder-look staat. En hoe afhankelijker planten zijn van mycorrhiza, hoe moeilijker ze het dan hebben. Look-zonder-look, dat zelf zonder mycorrhiza kan, krijgt zo alle ruimte.

Tortel

De snelheid waarmee een soort zich verspreidt, vertelde prof. dr. Rob Hengeveld, hoogleraar Invasiebiologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, kun je uitrekenen als je weet welke afstanden de individuen van een soort kunnen overbruggen en als je weet hoe groot de reproductie en sterfte zijn. Hij maakte daar een wiskundig model van, waarvoor onder meer de Turkse tortel, die begin vorige eeuw vanuit Oost- Europa naar het westen oprukte, model stond. ‘Het is precies bekend wanneer de vogel welke plek koloniseerde: uniek materiaal.’

Hengelvelds boodschap is dat soorten zich onafhankelijk van elkaar verspreiden; interacties met andere soorten hebben geen invloed op de snelheid van verspreiden. Althans: je hoeft ze niet te kennen om de verspreidingssnelheid te kunnen berekenen. Ze werken waarschijnlijk wel door in de geboorte- en sterftecijfers die daarvoor nodig zijn.

Een week voor het Current Themes-symposium organiseerde SOVON Vogelonderzoek Nederland een landelijke telling van halsbandparkieten, een exotische soort die uit gevangenschap is ontsnapt en vooral in steden in de Randstad steeds meer is te zien en te horen. Dat deze vogel zich gevestigd heeft en zich uitbreidt, staat wel vast; er leven momenteel 5400 exemplaren is Nederland, bleek uit de telling. Of hij inheemse vogels zal gaan verdringen door beslag te leggen op hun nestholtes, is een punt van discussie. De tijd zal het moeten leren.

Dit artikel is een publicatie van Bionieuws.
© Bionieuws, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 november 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.