Je leest:

Zeven piketpalen in de geschiedenis van de Drentsche Aa

Zeven piketpalen in de geschiedenis van de Drentsche Aa

Natuurbeheer met historisch perspectief

Auteur: | 5 november 2018
iStockphoto

Het oude cultuurhistorisch landschap van de Drentsche Aa werd in 2005 uitgeroepen tot ‘mooiste landschap van Nederland’. Aan de hand van zeven piketpalen laat Jan Bakker zien hoe het landschap in de loop van de tijd is veranderd.

Het oude cultuurhistorisch landschap van de Drentsche Aa maakt deel uit van het Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa en werd in 2005 door de Stichting Natuur en Milieu uitgeroepen tot mooiste landschap van Nederland, samen met het Geul- en Gulpdal in Zuid-Limburg. ‘Cultuurhistorisch’ betekent allerminst dat er in een landschap niets is veranderd; het landschap is veel dynamischer dan het op het eerste gezicht lijkt. De landschapsvisie voor de Drentsche Aa uit 2017 draagt dan ook als motto ‘Behoud door ontwikkeling’. Daarmee bedoelen de schrijvers dat het landschap ‘niet op slot wordt gezet, maar dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage leveren aan de kwaliteiten’.

Om een indruk te geven van de ontwikkeling van het landschap in de afgelopen eeuwen, is van een fictief stukje landschap op zeven momenten in de tijd de verschijningsvorm weergegeven.

De bodem.
Jan Bakker, Faculty of Science and Engineering, Rijksuniversiteit Groningen

De bodem

De geschiedenis van dit stukje Drents landschap begint aan het eind van de laatste ijstijd, 9.700 voor onze jaartelling: het begin van het Holoceen. Het landschap bestond uit drie eenheden: keileemplateau, dekzandlandschap en beekdallandschap. Verspreid over het gebied lagen enkele veentjes. De stevige, ondoordringbare keileemplateaus waren relatief resistent tegen de uitspoeling van voedingsstoffen. Daardoor kon de natuurlijke bosvegetatie zich hier langer handhaven dan op de armere bodems, zelfs bij een bepaalde mate van menselijk gebruik. De natuurlijke vegetatie in de dekzandlandschappen was kwetsbaarder door uitspoeling van voedingsstoffen en daarmee ook gevoeliger voor menselijke druk.

Aan het begin van het Holoceen begonnen trage bodemvormende processen. Het landschap raakte begroeid en bodemorganismen werkten humus door de bovengrond. Op de leemhoudende gronden, waar de voedingsstoffen niet uitspoelden, ontstonden bosgronden. Op de zandgronden op de hoge delen van het landschap zakte de neerslag met de daarin opgeloste humusdeeltjs uit de bodem en ontwikkelde zich een zure bodem met uitspoelingslagen: de zogeheten podzolgrond.

In de beekdalen ontwikkelde zich vanaf het Preboreaal (9.500-8.500 v. Chr.) veen. Het klimaat warmde na de ijstijd op met als gevolg een duidelijke stijging van de grondwaterspiegel. Een tweede periode van veenvorming vond plaats tijdens het Subboreaal (3.500-1.500 v. Chr.), toen de vegetatie veranderde van permanent groen naaldbos naar bladverliezend loofbos. De verdamping via de bomen nam af en de grondwaterspiegel steeg verder, mede door de zeespiegelstijging.

Tijdens het Atlanticum (6.000-3.000 v. Chr.) ontwikkelde zich het zogenoemde Atlantisch woud, dat te vergelijken is met het eiken-linden-haagbeukenbos zoals dat nu nog te zien is in het reservaat van Białowieża in Polen. In de loop van het Holoceen kroop het veen uit de diepere delen van de dalen omhoog en raakten ook de zogeheten beekdalschouders langzaam overgroeid. De mens nam het moeras in het beekdal in gebruik en groef greppels en sloten. De ontwatering leidde tot volumeverlies door verdichting en als gevolg van oxidatie verdween een deel van het veen ook letterlijk de lucht in.

Nieuwe Steentijd.
Jan Bakker, Faculty of Science and Engineering, Rijksuniversiteit Groningen

Nieuwe Steentijd (5.300 tot 3.200 v. Chr.)

Het Drents plateau was vijfduizend jaar geleden nog grotendeels bedekt met loofbos. Het was een natuurlijk landschap, wat wil zeggen dat de plant- en diersoorten er van oorsprong voorkwamen en dat de vegetatie niet door mensen was beïnvloed. In het bos lagen enkele kleine open plekken, voornamelijk rond nederzettingen en grafmonumenten. Op de keileemplateaus stond waarschijnlijk een zwaar ontwikkeld loofbos met linde, eik, hazelaar en iep. Op de dekzandgronden kwam minder linde en iep voor en meer berk. Het bos was hier ijler en transparanter, met plaatselijk open plekken als gevolg van begrazing door groot wild.

In dit transparantere bos leefden de Trechterbekermensen, die bekend zijn om hun hunebedden. Ze maakten kleine open plekken in het bos door branden en kappen. Daar bedreven ze tijdelijke akkerbouw, waarna het bos weer dichtgroeide. De nederzettingen lagen vooral in de buurt van moerassen, beken en vennen, op korte afstand van de overgang van keileemplateau naar dekzandlandschap.

Late Bronstijd.
Jan Bakker, Faculty of Science and Engineering, Rijksuniversiteit Groningen

Late Bronstijd (1.600 tot 1.200 v. Chr.)

Door de toenemende invloed van de mens begon het landschap aanzienlijk te veranderen. De hoeveelheid bos op het Drents plateau nam langzaam maar zeker af, vooral in de dekzandlandschappen, die intensiever bewoond waren. Hier maakte het bos plaats voor heide. In plaats van natuurlijk bos met eiken, berken en hier en daar een heideplantje op open plekken, ontstond een open heideveld met hier en daar een eik of een berk. De soorten waren nog oorspronkelijk, maar de vegetatie was al wel sterk door mensen beïnvloed: het was een half-natuurlijk landschap.

Het kappen en afvoeren van bomen zorgde ook voor het afvoeren van voedingsstoffen. Daarmee verloor de bodem ook zijn natuurlijk karakter. Uiteindelijk leidde deze ontwikkeling tot een tweedeling in het landschap. De dekzandgebieden waren vrij open en bestonden vooral uit grazige heidevelden met struwelen en kleine bosjes. Hier lagen ook de nederzettingen met kleine akkercomplexen, de zogenoemde Celtic fields. De keileemgronden waren vrijwel onbewoond en begroeid met zwaar bos. De randen van deze bossen werden wat opener door beweiding. Beekdalen waren nog grotendeels begroeid met moerasvegetatie en elzenbroekbossen.

Midden-IJzertijd.
Jan Bakker, Faculty of Science and Engineering, Rijksuniversiteit Groningen

Midden-IJzertijd (500 tot 250 v. Chr.)

In het laatste millennium voor onze jaartelling kwam de ontbossing in een stroomversnelling en nam het oppervlak half-natuurlijk landschap toe door de oprukkende bevolking. Ook het aantal nederzettingen nam toe. Door ontbossing en bodemdegradatie werden de dekzandgronden steeds minder aantrekkelijk voor bewoning en landbouw. Door de steeds grotere afwezigheid van begroeiing nam ook de invloed van de wind toe en op verschillende plaatsen begonnen verstuivingen op te treden. De oplossing voor deze problemen werd gezocht in intensivering van het landbouwsysteem en in migratie naar andere gebieden.

Intensieve landbouw betekende in die tijd: introductie van het gemengd bedrijf, waardoor akkers bemest konden worden. Bewoners trokken in de richting van de rijkere keileemplateaus, waar de bodems veel vruchtbaarder waren dan op de dekzandgronden. De noodzakelijke pauzes tussen de teelten, de zogeheten braakperiodes, konden dan ook worden verkort. Door de hogere vruchtbaarheid hoefden nederzettingen minder vaak te worden verplaatst en werden ze uiteindelijk permanent. De kern van de bossen op de plateaus bevatte nog vrij veel loofbomen, aan de randen ontstond echter een veel opener ontginningslandschap. Door het kappen van de bossen nam de verdamping door de vegetatie af en steeg de grondwaterspiegel aanzienlijk.

Volle Middeleeuwen.
Jan Bakker, Faculty of Science and Engineering, Rijksuniversiteit Groningen

Volle Middeleeuwen (1000 tot 1300)

Vanaf de laatste eeuwen voor onze jaartelling was de bevolking afgenomen, evenals het aantal nederzettingen. Veehouderij speelde een belangrijke rol, vooral rundvee en in mindere mate paarden en varkens. Vanaf de negende eeuw trad in Drenthe een groot aantal veranderingen op die de aanzet vormden tot het esdorpenlandschap. Het natuurlijk landschap was verdwenen. Vanaf deze tijd lagen nederzettingen vast op hun plaats. De boerderijen werden groter.

Vooral in de twaalfde en dertiende eeuw werden rond de dorpen uitgestrekte essen (verkavelde akkers) ontgonnen. Bijna alle essen lagen op de keileemplateaus en werden uit bos ontgonnen. Rond 1500 resteerde vooral op de zwaarste keileemgronden nog een aantal holten of strubben. Dat waren bossen waar gedurende langere tijd eikenhakhout was geoogst, en waar de stronken steeds weer uitliepen. De resterende bossen werden gebruikt voor beweiding, het kappen van geriefhout, het verzamelen van strooisel en varens, en voor het zogeheten akeren: het hoeden van varkens in de bossen om ze vet te mesten met eikels. De essen werden bemest met een mengsel van dierlijke uitwerpselen en bosstrooisel of gemaaide heide.

Vanaf de elfde eeuw werden de beekdalen ontgonnen en omgezet in grasland. Het hooi dat hier werd geoogst werd gebruikt als wintervoer voor het vee. De stroomlanden direct langs de beek werden met behulp van sloten en elzensingels in percelen verdeeld. De hoger gelegen bovenlanden op de flanken van de beekdalen werden nog gebruikt voor collectieve beweiding met runderen op zogeheten gemeenschappelijke ‘marken’. Door de relatief lage beweidingsdruk bestond het gebied in deze tijd waarschijnlijk uit een parklandschap van heide met struwelen en bosjes van zomereik en berk. De heide was veel grasrijker (heischraal grasland) en boomrijker dan in de eeuwen daarna. De veel gebruikte karrensporen uit die tijd zijn tot op de dag van vandaag nog herkenbaar in het veld.

Moderne tijd.
Jan Bakker, Faculty of Science and Engineering, Rijksuniversiteit Groningen

Moderne tijd (vanaf 1450)

Rond 1500 was er een sterke opkomst van de schaapskudden in Drenthe. Ook de rundveestapel breidde sterk uit, waardoor veel meer mest beschikbaar kwam. Vanaf de zeventiende eeuw gebruikten de boeren steeds vaker heideplaggen als ‘vulstof’, die in de potstal of op het veld werd vermengd met mest. Tussen 1450 en 1650 werden de essen nog flink uitgebreid. In de beekdalen werden nu ook de hogere weidegronden afgescheiden van de gemeenschappelijke ‘marke’. Deze groenlanden werden voorzien van houtwallen en singels als afscheiding van de percelen. Dit werden nieuwe, half-natuurlijke landschapselementen. De sterk toegenomen beweidingsdruk zorgde voor een kaalslag in het bos en op de heide. In de periode van 1450 tot 1800 verdwenen vrijwel alle nog resterende holten en strubbenbossen. De hoeveelheid grassen in de heidevelden nam af, doordat steeds meer voedingsstofen aan de bodem werden onttrokken.

De karrensporen uit de Middeleeuwen zijn nog steeds te zien in het Drentsche Aa gebied.
Heden.
Jan Bakker, Faculty of Science and Engineering, Rijksuniversiteit Groningen

Heden

In de laatste eeuw van het vorige millennium is het landschap zeer sterk veranderd. Door introductie van het prikkeldraad waren houtwallen niet meer nodig. Dankzij kunstmest waren de heidevelden en de schapen niet meer nodig voor de mest. De hei werd ‘woeste grond’, die voor een deel ook weer werd omgezet naar landbouwgronden en deels werd ingeplant met naaldbos voor de houtproductie. Wanneer niet alleen de vegetatie maar ook de daarin voorkomende plant- en diersoorten niet meer oorspronkelijk zijn, is sprake van een cultuurlandschap, waarin ook de bodem en het reliëf sterk zijn veranderd. Half-natuurlijke elementen zijn gespaard gebleven als natuurreservaten.

Ontginningen leidden vaak tot wateroverlast. Beplantingen verloren voor een belangrijk deel hun functie waardoor ze op veel plaatsen verdwenen. De waterhuishouding werd weer stuurbaar door kanalisatie van de beken. De modernisering in de landbouw werd mogelijk door ruilverkavelingen met de bijbehorende perceelsvergroting, en het verwijderen van voor de landbouw overbodige begroeiing. En passant verdwenen ook veel (pre-) historische relicten. Geologie, bodem en waterhuishouding werden steeds minder sturend voor de ruimtelijke organisatie van het landschap.

Het verdwijnen van de ‘bewegende ecologische infrastructuur’, zoals beken, maakte dat de verbreiding van veel soorten planten (zaden) en dieren werd bemoeilijkt. Verbindingen via overstromend water en rondtrekkende kuddes werden verbroken. Verspreid liggende percelen werden aaneengesloten tot één grote kavel dicht bij de boerderij, waardoor ook verbreiding van zaden door werktuigen onmogelijk werd. Maaimachines zijn immers in de praktijk ook zaaimachines.

Na de Tweede Wereldoorlog raakte het gebruik van kunstmest in een stroomversnelling. Het ging vooral om extra stikstof omdat die stof het meest beperkend was voor de plantproductie. De hogere en dichtere vegetatie die het gevolg was van de stikstofgift kon meerdere keren in het groeiseizoen worden gemaaid. Alleen snelgroeiende soorten zoals Engels raaigras zijn hiertegen bestand. Soorten die horen bij voedselarme omstandigheden groeien langzaam. Ze krijgen lichtgebrek in een dichte en hoge vegetatie en overleven de vaker langskomende maaimachines niet.

Verdroging maakte het mestprobleem nog groter. Wanneer het grondwaterpeil zakt en venige bodems droger worden, komt er zuurstof in de bodem. Dat leidt tot afbraak van organische stof, waarbij stikstof vrijkomt. Op deze manier kan grondwaterdaling in een zogeheten dotterbloemhooiland leiden tot een onbedoelde stikstofgift van meer dan vierhonderd kilo per hectare per jaar. Dat is zó veel dat daar geen verschraling tegenop kan. Verdrogen leidt dus net als bemesten tot het verdwijnen van soorten.

Lees het volgende artikel van het thema ‘Natuur in Nederland’

Een natuurreservaat in landbouwgebied

Jan Bakker
Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 november 2018

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.