Je leest:

Zeggenschap over lichaamsmateriaal

Zeggenschap over lichaamsmateriaal

Auteurs: en | 5 juni 2017
iStockphoto

Iedereen laat wel eens bij de dokter of in het ziekenhuis bloed afnemen of een stukje weefsel onderzoeken. Maar wat het laboratorium van het ziekenhuis daar vervolgens mee doet, of dat we daar iets over te zeggen hebben, weten maar weinig mensen. Laat staan hoe dat geregeld is en waartoe.

Lichaamsmateriaal vormt een belangrijke basis voor gezondheidsonderzoek. Hiermee kunnen allerlei biologische, genetische en pathologische kenmerken tot op moleculair niveau worden bepaald. Met nieuwe technieken en vragen naar bewaard materiaal kijken, levert nieuwe inzichten in het ontstaan en beloop van allerlei ziekten. Goede medische zorg voor de toekomstige patiënt is daar mede op gebaseerd. Onderwijs en onderzoek eveneens.

Waardevol voor onderzoek

Het gaat meestal om bloed, slijm, speeksel, biopten, botmonsters en restweefsels en steeds vaker ook om opgeslagen digitale afbeeldingen zoals röntgen, mammografie, CT-scan en MRI. Deze materialen komen voort uit bevolkingsonderzoek, diagnostiek, behandeling, controle en obductie van patiënten met uiteenlopende ziektes. Ziekenhuizen geven patiënten voorlichting dat er dergelijk ‘nader gebruik’ van lichaamsmateriaal plaatsvindt, en dat ze hier bezwaar tegen kunnen maken. Nader gebruik wil zeggen dat een tijdens diagnostiek of operatie verkregen weefsel of foto wordt bewaard om zo nodig later gebruikt te worden voor wetenschappelijk onderzoek. De voorlichting over ‘nader gebruik’ moet een duidelijke plaats krijgen in de algemene patiënteninformatie.

Bloedmonsters worden ingescand.
Dreamstime

Het gemak van gedragscodes

Het zorgvuldig gebruik van deze lichaamsmaterialen in combinatie met patiëntgegevens is daarbij van groot belang. Deze informatie is niet alleen gevoelig op persoonlijke gronden, maar ook om verzekeringstechnische redenen. Gedragscodes geven gezondheidsonderzoekers concrete handvatten bij het afwegen wat wel en wat niet kan en dragen bij aan de bescherming van de patiënten. Zonder dat daarbij eerst een wet opgetuigd moet worden.

In 1999 nam de Federatie van Medisch Wetenschappelijke Verenigingen (FEDERA) samen met een brede groep deelnemers uit de ruim 30 aangesloten verenigingen en vertegenwoordigers van patiëntenorganisaties, het initiatief de gedragscode Goed Gebruik te ontwikkelen. De code Goed Gedrag, officieel Gedragscode Gezondheidsonderzoek, die over het beschermen van de privacy in medisch-wetenschappelijk onderzoek gaat, was hieraan in 1995 voorafgegaan. Deze code bevat regels hoe en wanneer patiëntgegevens gebruikt mogen worden bij wetenschappelijk onderzoek. Zo mogen de geanonimiseerde gegevens door de onderzoeker niet herleidbaar zijn tot een persoon. Als dat niet mogelijk is mogen gegevens alleen met toestemming worden gebruikt.

Beide codes borduurden voort op bepalingen voor nader gebruik van patiëntengegevens voor wetenschappelijk onderzoek in de wet Geneeskundige Behandelovereenkomst uit 1994.

Verantwoord gebruik

De eerste versie van de Gedragscode Verantwoord omgaan met lichaamsmateriaal ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, zoals de code Goed Gebruik officieel heet, was in 2002 gereed. De code beschermt het belang, de zeggenschap en de privacy van de patiënt bij het gebruik van lichaamsmateriaal voor wetenschappelijk onderzoek. Belangrijke punten waren het scheiden van de behandeling van de patiënt en het wetenschappelijk onderzoek met het restmateriaal. Het restmateriaal moet anoniem zijn voor de onderzoeker of niet makkelijk herleidbaar tot de patiënt bij eventuele koppelingen met andere relevante patiëntengegevens.

Rond 2000 begonnen patiëntenverenigingen een steeds grotere rol te spelen in het medisch-wetenschappelijk onderzoek en werden zij betrokken bij het opstellen van de codes. Ook ontstond in FEDERA-verband een uitdijende groep onderzoekers uit een veelheid van onderzoeksinstituten die in plaats van te klagen over regelgeving vrijwillig samenschoolden voor regelneming met een ervaren jurist en zich verenigden tot COREON (COmmissie REgelgeving ONderzoek).

De waarde van lichaamsmateriaal voor onderzoek leidt sinds 2000 ook tot het steeds vaker ontstaan van speciale biobanken, waar niet alleen patiënten-materiaal maar ook lichaamsmateriaal van vrijwilligers (met hun instemming) kan worden opgeslagen als controle bijvoorbeeld om met terugwerkende kracht voorbodes van eventuele latere chronische ziektes te kunnen onderzoeken.

Deze vrijwilligers worden dan lange tijd gevolgd, vullen vragenlijsten in, etc. Het Groningse bevolkingsonderzoek ‘Lifelines’ is voorbeeld gedrapeerd rond zo’n biobank. De tweede uitgebreide versie van de code Goed Gebruik uit 2011 bevatte aanvullende regels voor deze nieuwe ontwikkelingen. Tegelijkertijd verscheen ook het geruchtmakende boek ‘The immortal life of Henrietta Lacks’ (zie kader). De ethische en juridische kwesties die daarin aan de orde kwamen bleken keurig te zijn ondervangen in de code, onder andere met een aanpak van voorlichting, versleuteling en inzicht in het nader gebruik.

De wet die niet kwam

Een wet zeggenschap lichaamsmateriaal die het gebruik van het materiaal en privacy van de donor zou moeten regelen, is er sinds het advies van de Gezondheidsraad in 1994 niet gekomen. Men is er menigmaal aan begonnen – het eerste concept lag in 1998 al op de ambtelijke tekentafel, het tweede in 2005 en het derde in 2011 – maar men verslikte zich telkens in te gedetailleerde ontwerpen. De achtereenvolgende voorstellen bleken te zeer op micro-management gebaseerd en zouden de kwaliteit van de zorg (gebaat bij veel nader gebruik) en de wetenschapsbeoefening kunnen schaden. Het voorontwerp uit 2011 werd ter consultatie aan vele organisaties toegezonden, die zich wederom afvroegen waarom het gecompliceerde wetsvoorstel niet aansloot bij de bestaande gedragscodes.

In een brief aan de Tweede Kamer schrijft minister Schippers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in 2015 dat er wederom gewerkt wordt aan een wetsvoorstel voor zeggenschap over lichaamsmateriaal en dat de indertijd ontvangen reacties zullen worden verwerkt. Na de verkiezingen van 2017 zal blijken wat hiervan terechtgekomen is. Omdat er in de tussentijd geen enkel incident is voorgevallen, heeft de FEDERA goede argumenten om een toekomstige wet zeggenschap lichaamsmateriaal overbodig te achten, tenzij die ‘gewoon’ aansluit op de bestaande codes.

Boekomslag: The Immortal Life of Henrietta Lacks, Rebecca Skloot, Crown, 2010.
Boekomslag: The Immortal Life of Henrietta Lacks, Rebecca Skloot, Crown, 2010

HeLa hola? Lichaamsmateriaal als leermiddel

Sinds 2010 wordt het spraakmakende boek ‘Immortal life’ over het leven van Henrietta Lacks veelvuldig aangehaald om te pleiten voor de wet zeggenschap lichaamsmateriaal in Nederland. De code Goed Gebruik opgesteld in 2001 door de Federatie van Medisch Wetenschappelijke Verenigingen (FEDERA) wordt daarbij consequent over het hoofd gezien. Terwijl de essentiële principes van privacy, zorgvuldigheid en transparantie in de omgang met medische gegevens en lichaamsmateriaal hierin goed geregeld zijn en gemeengoed in de medische praktijk.

Waarom? Kwam het door de ernstige schending van de integriteit van het lichaam die had plaatsgevonden, of later door de schending van de privacy van de Afro-Amerikaanse vrouw toen uit eerbetoon een foto van haar opdook in het leerboek Genetica van McKusick in 1976.

Doorbraak

In 1951 kreeg de 31-jarige Henrietta een snel groeiende vorm van baarmoederhalskanker. Vier maanden later overleed ze jammerlijk in het John Hopkins ziekenhuis in Baltimore, dat in die tijd ook wetenschappelijk onderzoek deed naar het ontstaan van deze kanker. De behandelend vrouwenarts was verbaasd over de grootte van het gezwel waarvan enkele maanden tevoren bij de geboorte van haar vijfde kind nog niets te zien was.

Haar tumormateriaal bleek in speciale kweekvloeistof zo ongewoon hard te groeien, dat de opgetogen hoofdonderzoeker zijn collega’s over de hele wereld gratis van deze cellen voorzag. Vanwege de controverses over de behandeling van voorstadia van baarmoederhalskanker hoopte men via de kweek van tumorcellen kennis te krijgen van de tumorgroei en de remming ervan.

Levendige handel

Dat de beroemde HeLa-cellen afkomstig waren van Henrietta, werd pas 25 jaar na haar dood bekend bij haar echtgenoot en kinderen die een verzoek kregen om weefsel af te staan omdat zij wellicht aanleg voor dezelfde ziekte hadden. Hierdoor ontstond veel onbegrip, boosheid en verdriet over wat er met de cellen van hun moeder ongevraagd was gedaan en het idee dat de medische wetenschap zich daaraan verrijkte, terwijl zij zelf in grote armoede leefden met een gebrekkige ziektekostenverzekering.

Opvallend is dat eigenlijk niemand zich echt heeft verrijkt aan de HeLa-cellen zoals we dat tegenwoordig meemaken via beursgangen en patentering. Wel ontstond er na verloop van tijd een levendige handel in de cellen om universitaire en commerciële laboratoria van onderzoeksmateriaal te voorzien en zijn er ontelbare miljarden cellen gekweekt. Er is bijna geen ziekte die niet in HeLa-cellen is uitgetest.

De geschiedenis van het nader gebruik van de HeLa-cellen illustreert eerder het chaotische, vaak ongeplande voortschrijden van de medische kennis over vele tientallen jaren. Waarbij zonder enige nadelige invloed op de patiënt, onderzoekers met nobele motieven – achteraf bezien – ethisch verkeerde keuzes kunnen maken.

Lees het volgende artikel van het thema ‘Proeven met mensen’

Veiligheid voor proefpersonen

Rachèl van Hellemondt
Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 05 juni 2017

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.