Je leest:

Zeearend herovert Europa

Zeearend herovert Europa

Europa’s grootste gevleugelde jager, de zeearend, slaat na tweehonderd jaar van vervolging en bedreiging door vervuiling z’n vleugels weer boven Europa uit. Overal rond de Oostzee en in Scandinavië neemt de soort in aantal toe. De imposante zeearend koloniseert inmiddels zelfs nieuwe gebieden.

Hoog boven me, tegen het toneel van de blauwe lucht en de witte wolken, zie ik een reusachtige roofvogel omhoog schroeven. Zijn enorme vierkante silhouet heeft de zeearend, want die vogel is het, een treffende bijnaam bezorgd: ‘vliegende deur’. Majestueus zeilt de zeearend boven de boomtoppen. Zijn spanwijdte van meer dan twee meter degradeert twee raven in de buurt tot kleine stipjes. Ik bevind me bij de Odermoerassen in de buurt van Szczecin (Polen) en vergezel dr Tadeusz Mizera bij zijn ringwerk.

Gevleugelde jager. De Latijnse naam van de zeearend is Haliaeëtus albicilla, vrij vertaald: ‘witstaartige viseter’. Net zoals de sperwer en de havik, zijn de wijfjes groter dan de mannetjes. De wijfjes kunnen door hun grootte zwaarder voedsel naar het nest brengen. Mannetjes zijn kleiner en wendbaarder, waardoor ze snellere prooien kunnen vangen. Zittend meten de mannetjes 75 tot 85 centimeter. Het gewicht varieert van 3 tot 4,5 kilo. Wijfjes meten maximaal 95 centimeter, en kunnen tot 6,5 kilo wegen.

Mizera is verbonden aan de landbouwuniversiteit van Poznan en coördineert het zeearendenwerk in Polen. Het is aan de inzet van vrijwilligers en onderzoekers zoals Mizera te danken dat we nog steeds kunnen genieten van de ‘vliegende deur’. De zeearend heeft twee eeuwen van zware vervolging achter de rug. Een lot dat hij deelde met de beer en de wolf die in West-Europa zelfs geheel werden uitgeroeid. De zeearend kreeg halverwege de 20e eeuw in de meeste landen weliswaar officiële bescherming, maar de illegale vervolging ging door. Milieuvervuiling gedurende de jaren vijftig en zestig werd de Oostzeepopulatie bijna fataal. De vogels kregen onvruchtbare eieren waardoor de reproductie niet meer voldoende was en uitsterven door vergrijzing dreigde. Biologen begonnen toen met het ringen van zeearenden om ze beter te bestuderen en te beschermen. Inmiddels gaat het weer een stuk beter met de zeearendenpopulatie in Europa.

Het was Zweden dat in de jaren zeventig voor het eerst actie ondernam ter bescherming van de zeearend. De Zweden startten een internationaal ringprogramma in 1976, begonnen wintervoederingsplekken aan te leggen en lanceerden een voorlichtingsprogramma. Na een periode van intensieve bestudering van de populatie werd het tijd voor de eerste maatregelen: nestbewaking tijdens het broedseizoen, bescherming van broedbossen en een afnemende vervuiling van prooidieren. En er was succes: de zeearend herstelde zich halverwege de jaren tachtig. Sinds 1990 neemt de soort weer in aantal toe en koloniseert hij gebieden die hij eerder deze eeuw verliet. Vanaf 1976 kregen meer dan 7000 jongen van de ‘vliegende deur’ als kuiken een kleurring. Zwaar werk, waarvoor ieder jaar weer biologen en klimmers de zeearendbossen intrekken.

Zompig moeras

Nest met jonge zeearenden. Klimmer Janusz aan het werk bij het ringen van de jonge zeearenden. Het ringen is belangrijk bij het bestuderen van de zeearendenpopulatie. De totale Europese populatie zeearenden, tot aan de Oeral, wordt nu geschat op 4500 broedparen. Noorwegen staat aan kop met 1750, gevolgd door het Oostzeegebied waar 1400 paren nestelen. Europees-Rusland met het Wolgastroomgebied komt met 1000 koppels op de derde plaats. De wereldpopulatie, van Groenland tot Japan, schat men op 11.000 paren.

Het is een zonnige meimorgen als ik met Mizera en klimmer Janusz over het karrenspoor door het Poolse Olszankamoeras rijd, een gebied aan de oostzijde van de Oder. Van boswachter Adam hebben we de locaties opgekregen waar de nesten zich moeten bevinden, maar onze kaarten zijn niet al te nauwkeurig. Buiten de auto worden we besprongen door een wolk bijtende muggen die boven het zompige moeras hangt. Voor Mizera is het veldwerk een welkome afwisseling van z’n dagelijkse werk aan de universiteit. Klimmer Janusz verft normaal schoorstenen en heeft met het arendenwerk een aardige bijverdienste. Bij de eerste nestboom, een grove den, gespt hij zijn klimsporen om en is in een handomdraai boven. Hij stopt twee jonge arenden in een zak, die hij naar beneden laat zakken. We pakken ze uit waarna Mizera ze meet, weegt en ringt. Aan de linkerpoot krijgen ze een internationale kleurring die het geboortejaar vermeldt. Aan de rechterpoot komt een aluminium identificatiering van de Poolse ringcentrale in Gdansk. Een half uurtje later gaan de arendsjongen weer omhoog en keert de klimmer terug op aarde. We zijn nog geen tweehonderd meter weg of de oude arenden cirkelen luid roepend boven het horst. Hun schelle “glu, glu, glu” klinkt nog lang na in onze oren.

Ringonderzoek

Arendskuikens. In de herfst beginnen zeearenden met het bouwen van een nest. In het vroege voorjaar leggen de wijfjes één tot drie eieren die na ongeveer veertig dagen uitkomen. Jonge zeearenden kunnen na tien weken uitvliegen maar zijn daarna nog lang afhankelijk van voedering door de ouders.

We struinen die dag langs nog acht nesten. Aan het eind van de dag hebben negen kuikens een ring gekregen waardoor de biologen hun levensloop in het veld kunnen volgen. ’s Avonds vertelt Mizera over de resultaten van het ringonderzoek tot nu toe. Aanvankelijk leken alle jonge zeearenden na de winter terug te keren naar het gebied waar ze uit het ei waren gekropen. Een trend die ook in Scandinavië in de jaren tachtig was geconstateerd. In de loop van de jaren negentig kwam er echter een nieuwe trend doordat de bekende broedgebieden vol raakten. Vogels uit Sleeswijk-Holstein koloniseerden het Deense eiland Lolland waarbij de Duitse kleurringen de doorslag gaven over de afkomst. Poolse zeearenden, geringd door Mizera, trokken westwaarts om zich te vestigen in Nedersaksen. Ook voor het volgen van de wintertrek van onvolwassen vogels zijn de ringen van belang. Zo vloog een Poolse zeearend de Alpen over om zich te voeden op een gieren-voerplaats nabij Udine in Noord-Italië.

Nederland en België komen er wat kariger af. De afgelopen winter pleisterden twaalf tot vijftien zeearenden in Nederland. In de herfst van het afgelopen jaar zagen vogelaars kleine groepjes van twee tot vier vogels in Lauwersmeer, de Oostvaarderplassen, de Biesbosch en het Verdronken Land van Saefthinge in Zeeuws-Vlaanderen. Individuele vogels op doortrek doken op langs de kust en op de Veluwe. Toch is het opmerkelijk dat er hier niet meer zeearenden komen overwinteren. De bestanduitbreiding rond de Oostzee en in Scandinavië leidt voorlopig nog niet tot een sterke toename van de soort in Nederland en België. Waardoor het komt? Niemand die het weet.

Een pond vis

De eerste zeearenden arriveren hier in het algemeen in oktober met de binnentrekkende kol-, riet- en brandganzen. Afhankelijk van het weer begint in de loop van februari de terugtrek naar het oosten, waarbij de volwassen vogels het voortouw nemen. Eind maart zijn de meeste zeearenden vertrokken, op een enkele late doortrekker na. In België is de zeearend vooral bekend als schaarse doortrekker met een voorkeur voor de kust. De zeearenden van Saefthinge verblijven regelmatig aan de Belgische zijde van de grens. Toch kijkt de zeearend verder dan de moerasgebieden. De Diemerzeedijk bij Amsterdam mocht zich in januari 1996 verheugen in een zeearend, terwijl in de afgelopen herfst een vogel in de duinen ter hoogte van Den Haag neerstreek.

Wat eten betreft is de zeearend niet kieskeurig. Een volwassen zeearend heeft dan ook ongeveer een pond eten per dag nodig. Hij is verzot op vis, watervogels en zoogdieren. In ons land staan grauwe gans, meerkoet, karper en aas op zijn menu. Soms jaagt de zeearend in teamverband op reeën, meestal zonder succes. Maar de zeearend is gehaaid: in Sleeswijk-Holstein (Duitsland) zagen vogelaars hoe zeearenden vis afpakten van aalscholvers, blauwe reigers en visarenden. Als de vogels niet meewerkten, liepen ze het gevaar zelf te worden opgepeuzeld.

In Europa neemt de zeearend nog steeds in aantal toe. Dit is een trend die onderzoekers in 1991, tijdens de zeearendconferentie van Poznan, signaleerden. De toename heeft doorgezet en de vogel koloniseerde nieuwe gebieden. De opmars van de zeearend heeft zich vorig jaar vooral gemanifesteerd in Midden-Europa. Voor het eerst in veertig jaar nestelden zeearenden zich weer in Oostenrijk, terwijl Roemenië en Hongarije eveneens een toename meldden. In Polen kwam in 1999 een record van vijfhonderd paren tot broeden terwijl Duitsland toen meer dan driehonderd broedparen telde.

Meerkoetlekkernij

Volgens Mizera is de toename in Polen deels te danken aan de visvijverculturen. De consumptiekarpers daar krijgen steeds vaker hoogwaardig voedsel op het menu. Hierdoor groeien de vissen steeds sneller en wordt het water voedselrijker. Daar komt nog bij dat het aantal meerkoeten sterk is toegenomen. In het broedseizoen dient de meerkoet als stapelvoedsel. Met een sterke groei van de ganzen-, eenden- en koetenpopulaties in Europa, kan de zeearend zijn vleugels zelfs nog wijder over Europa uitslaan.

Twee jaar geleden ontdekten zeearendonderzoekers een territoriaal paar bij Bremerhaven, echter zonder nest. In Nederland waren de verwachtingen hooggespannen omdat die plek slechts honderd kilometer van onze grens is verwijderd. Maar helaas, vorig jaar hielden de vogels het voor gezien, waardoor de Lüneburger Heide en de Neder-Elbe weer als de meest nabije broedlocaties te boek staan. Opmerkelijk is dat de zeearend het stroomdal van de Rijn de afgelopen driehonderd jaar geheel links heeft laten liggen.

Loodvergiftiging

Mizera en andere biologen constateren dus dat de West-Europese populatie van zeearenden toeneemt. Toch is het niet allemaal goed nieuws wat de klok slaat. Rond de Middellandse Zee verliest de zeearend flink terrein. Het droogleggen van moerassen en de aanleg van havens heeft ertoe geleid dat Griekenland en Turkije nog maar enkele paren huisvesten. Langs de Noord-Afrikaanse kust is de soort zelfs uitgestorven. In Duitsland en Zweden delven steeds meer zeearenden het onderspit door onze toenemende welvaart en mobiliteit. Ze slaan te pletter tegen auto’s en bussen of komen onder de trein terwijl ze doodgereden hazen of konijnen verorberen. Door het eten van aangeschoten wild, stierven in Duitsland in de afgelopen twee jaar drie zeearenden aan een loodvergiftiging. In het Poolse Olszanka-moeras, waar Mizera rondstruint, werden in mei 1992 negen jonge zeearenden op het nest geringd. Een half jaar later waren drie hiervan verongelukt op het lokale driedradige stroomlijntje.

In Oost-Europa dreigen steeds meer moerassen en meren te worden omgetoverd tot recreatiegebieden waarin geen plaats is voor zeearenden. De grote industriële en agrarische sprong voorwaarts in dit deel van Europa belast in toenemende mate het ecosysteem. Terwijl de productie van bijvoorbeeld kunstmest explosief stijgt, neemt ook de lozing van afvalstoffen enorm toe. De lokale milieuwetgeving is hier in de regel niet op berekend. De cyanideramp die in februari 2000 plaatsvond in Hongarije en Roemenië geeft aan wat voor risico’s er worden genomen en wat de ecologische gevolgen kunnen zijn. Het is duidelijk dat dit een bedreiging vormt voor de vis- en aasetende zeearend.

Herintroducties

Her en der helpt de mens de zeearend een handje. Groot-Brittannië heeft de zeearend in 1975 geherintroduceerd. De Britten voerden daarvoor 82 Noorse vogels aan, die uiteindelijk acht broedparen vormden. Gelijksoortige projecten, maar dan op kleinere schaal, lopen in Israël en Ierland. In Nederland heeft het Wereld Natuur Fonds plannen om dierentuinzeearenden te gaan loslaten in de Gelderse Poort en de Oostvaarderplassen. Met hulp van valkeniers moeten getrainde vogels een broedbestand gaan vormen. In 1996 kreeg het WNF de vergunning hiervoor, die meteen werd aangevochten door Faunabescherming en de vereniging Das & Boom. Deze organisaties bepleiten meer geduld en aandacht voor de huidige bedreigde Nederlandse soorten als das en veldhamster. In 1999 gaf de Raad van State zijn fiat aan het WNF-plan. Internationaal is het WNF-plan echter zeer omstreden, mede vanwege de inzet van valkeniers en dierentuinvogels. Het is daarom zeer onwaarschijnlijk dat er op korte termijn dierentuinzeearenden in de Nederlandse natuur zullen rondvliegen. Roofvogelfans in de Lage Landen moeten het voorlopig doen met de enkele ‘vliegende deuren’ die hier sporadisch opduiken, of ze moeten zelf naar het oosten trekken.

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 april 2004

Discussieer mee

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE