Je leest:

‘Zedde zot!’

‘Zedde zot!’

Auteur: | 20 mei 2007

Vlaamse nieuwkomers hebben het lastig. Het keurige Nederlands dat ze op de inburgeringscursus leren, wijkt namelijk nogal af van wat ze op straat allemaal horen: dialect en vooral ‘tussentaal’. Is dat heel erg? Is er wat aan te doen?

De Antwerpse nieuwkomer Latifa, van oorsprong Marokkaanse, volgt de basisklas Nederlands als tweede taal (NT2) aan het Centrum voor Volwassenenonderwijs Sité in Antwerpen. Ze vindt het leuk om Nederlands te leren, maar ook moeilijk. “Soms is het of ik het fout leer”, zegt ze, en ze vertelt hoe ze op straat iedereen constant ‘oe iest’ hoorde roepen en er maar niet achter kwam wat het betekende. “Ik heb het de juf gevraagd. Die zei dat het betekent: ‘Hoe gaat het met jou?’ Maar dat zeggen ze nooit.”

Docente Lutgart Kalingart krijgt geregeld studenten in de les met vergelijkbare moeilijkheden. Bekend in Vlaanderen is bijvoorbeeld het veelvuldige gebruik van ge en gij in plaats van _je_en jij. “In mijn lessen moeten ze netjes je en jij leren, maar hier in Antwerpen zullen ze dat niet horen.”

Domper

Sité is de grootste aanbieder van cursussen Nederlands voor anderstaligen in Antwerpen. Er studeren zo’n drieduizend cursisten, van wie nationaliteit, achtergrond en schoolniveau zeer uiteenlopen. Naast asielzoekers lopen er ook Europese immigranten en Walen door de gangen. Ze leren hoe ze met Vlamingen kunnen spreken, formeel aan de loketten en informeel met de buren. Beide situaties kunnen in de praktijk voor veel communicatieproblemen zorgen. Het in Vlaanderen nog actief aanwezige dialect wijkt nogal af van het keurige Nederlands dat de cursisten op de inburgeringscursus moeten leren.

Kalingart erkent dat het voor haar studenten vaak een behoorlijke domper betekent als ze het geleerde in de praktijk gaan oefenen – al is volgens haar strikt genomen niet het plaatselijke dialect de boosdoener. "Antwerpenaren die alleen dialect spreken, komen nog amper voor.

De woordenschat van het dialect is in de spreektaal met het Nederlands vermengd geraakt. Maar ook op die manier hoort een buitenstaander die de taal net leert woorden die voor hem niet te begrijpen zijn. De Antwerpenaren zijn zich er vaak helemaal niet van bewust dat ze dialectwoorden gebruiken en zullen zich daarom in hun woordgebruik niet aanpassen."

“Bovendien hebben veel mensen aan wie ik lesgeef geen of weinig scholing gehad in hun eerste taal. Voor hen zijn de problemen extra groot. Europeanen zijn zich door hun schoolcarrière veel meer bewust van hun eerste taal, en ze zijn meer vertrouwd met het fenomeen dialect.”

Tussentaal

Johan Taeldeman, als hoogleraar taalkunde verbonden aan de Universiteit Gent, benadrukt ook dat het in feite niet de dialecten zijn die voor problemen zorgen, want die sterven uit, net als in Nederland. "In Nederland is de plaats van de dialecten ingenomen door het Standaardnederlands, dat in het hele land wordt gebruikt, in de media en in zowel formele als informele situaties.

Uiteraard hoor je soms een meer Haagse of Twentse tongval, maar de woorden zijn in principe gelijk. In Vlaanderen ligt dat wezenlijk anders. Het dialect vervaagt naar een soort tussentaal, een mengeling van het Standaardnederlands en het plaatselijke dialect, met behoud van de specifieke woordenschat van het dialect. De plaatselijke varianten blijven groot."

Kris van de Poel, directrice van het Centrum voor Taal en Spraak aan de Universiteit Antwerpen, onderschrijft Taeldemans zienswijze. “In Nederland is al veel langer een interne migratie gaande. Doordat mensen bijvoorbeeld studeren of werken in een andere stad en daar gaan wonen, blijven woorden van een plaatselijk dialect niet hangen. Belgen zijn altijd veel honkvaster geweest. Pas in de laatste twintig jaar is hier langzaam een interne migratie op gang gekomen.”

Chauvinistisch

De cursisten treffen het niet, want vooral de Antwerpse tussentaal floreert. De Belgische schrijver Geert van Istendael, oud-hoofdredacteur van het Vlaamse tv-journaal, constateert in zijn boek Hef Belgisch labyrint(1989) dat Antwerpenaren hun woordenschat niet aanpassen. "Antwerpenaars zijn dialectsprekers zonder complexen. Zonder één seconde na te denken, nemen ze aan dat iedereen die ze tegenkomen hen ook meteen begrijpt. Nu klopt dat niet. West-Vlamingen en Limburgers hebben er soms de grootste moeite mee. Het zal de Antwerpenaars een rotzorg zijn. Ik heb geen bezwaren tegen tongvallen en dialecten, integendeel, maar dan wel met gelijke rechten voor iedereen, niet alleen voor Antwerpenaars.

Antwerpenaren hebben dus iets chauvinistisch. Taeldeman stelt vast dat deze houding deels door de media in stand gehouden wordt. “Veel populaire televisieseries, zoals FC De Kampioenen, zijn van Antwerpse makelij. In de dialogen wordt voortdurend in de Antwerpse tussentaal gesproken. Programma’s met een ander dialect dan het Antwerps worden dan ook vaak ondertiteld.”

Europese richtlijnen

Als de cursisten zo’n moeite hebben met die tussentaal, waarom wordt er tijdens de lessen dan niet gewoon wat meer aandacht aan besteed? Over die vraag wordt door de docenten van Sité geregeld gediscussieerd. Kalingart: “Er zijn docenten die dat misschien wel willen, maar ze moeten zich houden aan de Europese richtlijnen voor inburgeringscursussen. Volgens die richtlijnen moet in het eerste jaar niet te diep op het dialect worden ingegaan. Dat is trouwens vaak ook niet zo nuttig voor de studenten, omdat velen van hen vluchteling zijn, en later misschien ergens anders gaan wonen, waar weer een ander dialect of een andere tussentaal wordt gesproken.”

In het vijfde leerjaar aan Sité staat er wel dialectles op het programma. De leerlingen op dit niveau beheersen de Nederlandse taal nagenoeg vloeiend. Met volzinnen worden teksten geanalyseerd en de leerlingen krijgen les in de hoe-, wie-, wat-, waar- en waarom-vragen, zodat ze een samenvatting van een tekst kunnen maken.

Bij een van de eerste opdrachten die docente Petra Hendrickx uitdeelt, blijkt het probleem echter ook op dit niveau nog te bestaan. “Het is toch ‘Van waar’, niet ‘Waar?’”, vraagt de Waalse Fabienne. “Van waar zedde?”, gaat de vraag van de cursiste verder. “Ho, ho,” roept de juffrouw, “nu spreek je echt Antwerps.” Hendrickx legt het haar leerlingen uit: “Je hebt in Vlaanderen drie dingen: het Vlaams, het dialect en het Standaardnederlands. Het laatste is hier in Antwerpen misschien het minst belangrijk, maar jullie moeten het toch goed leren, voor als je de stad verlaat. Je kunt dus zeggen ‘Van waar ben jij?’ of ‘Waar kom je vandaan?’”

Hendrickx kijkt af en toe met haar studenten naar de Vlaamse televisie. De studenten moeten dan de Vlaamse dialoog kunnen vertalen in het Standaardnederlands. Op die manier komen veelvoorkomende uitdrukkingen als zijt ge aan bod. En zo worden de studenten er ook op geattendeerd dat in het Standaardnederlands de beleefdheidsvorm u is, terwijl in Vlaanderen hiervoor vaak juist je gekozen wordt. “Daarbij vertel ik altijd dat in Antwerpen – en sommige andere plaatsen – deze Vlaamse woorden nog eens worden samengetrokken: zedde (zijt ge), meugde (moogt ge), kunde (kunt ge) en wilde (wilt ge).”

Er is nog niet veel wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de problemen van NT2- studenten in Vlaanderen. Volgens Johan Taeldeman is dat ook heel moeilijk, omdat het probleem zich over heel Vlaanderen uitstrekt en er grote verschillen bestaan tussen de tussentalen. “De tussentaal in West- Vlaanderen is een totaal andere dan die in Antwerpen.”

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 20 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.