Je leest:

Zakkenvullers of weldoeners?

Zakkenvullers of weldoeners?

Mensen vertrouwen bierbrouwers eerder dan de farmaceutische industrie. Ze denken dat farmabedrijven gigantische winsten maken met overbodige geneesmiddelen, terwijl noodzakelijke medicijnen niet worden ontwikkeld.

Mensen vertrouwen bierbrouwers eerder dan de farmaceutische industrie. Ze denken dat farmabedrijven gigantische winsten maken met overbodige geneesmiddelen, terwijl noodzakelijke medicijnen niet worden ontwikkeld. Bovendien meent men dat ze er onethische verkoopmethoden en onderzoekstechnieken op nahouden. Hoewel dat aanzienlijk minder is dan in het verleden en zeker niet voor elk farmaceutisch bedrijf geldt, is het waar dat de productie van zeer gewenste medicijnen stagneert en de prijzen voor anti-kankermiddelen en medicamenten voor zeldzame aandoeningen exorbitant hoog zijn.

Voor een deel komt dat door het winstprincipe dat farmaceutische bedrijven ten behoeve van hun aandeelhouders hanteren, voor een deel ook doordat winsten op oudere medicijnen verdampen omdat octrooien verlopen en het steeds ingewikkelder wordt om nieuwe middelen te ontwikkelen en voor toelating tot de markt te registeren. Zonder de farmaceutische industrie zullen innovatieve geneesmiddelen nooit de markt bereiken, maar daarbij zijn een veel grotere openheid en transparantie noodzakelijk.

Consumenten hebben meer vertrouwen in bierbrouwers dan in farmaceutische bedrijven.

Wie heeft er nog vertrouwen in de farma?

De farmaceutische industrie heeft een slechte naam. Hoewel het iets lijkt te verbeteren, is de opinie van het publiek aanzienlijk negatiever dan halverwege de vorige eeuw. Lange tijd waren farmaceutische bedrijven de weldoeners van de samenleving. Er was veel vertrouwen in de door de industrie ontwikkelde medicijnen, die niet zelden als ‘wondermiddelen’ werden ervaren.

Farmaceutische producten hebben het lijden van ontelbare mensen verminderd, ontelbaar veel levens gered en een onmetelijk positief economisch effect op de samenleving gehad. Zonder pijnstillers zouden er geen (geavanceerde) operaties zijn, zonder vaccins en antibiotica zou onze gemiddelde leeftijd aanzienlijk korter zijn dan de 80+ jaren die we nu mogen verwachten, zonder bloedverdunners en hartpillen zouden er meer mensen lijden aan hart- en vaatziekten, zonder antipsychotica en antidepressiva zouden heel wat mensen hun huis niet meer uitkomen en zonder afweeronderdrukkende medicijnen waren er geen orgaantransplantaties.

In de geïndustrialiseerde wereld heeft waarschijnlijk iedereen ooit baat gehad bij een of ander medicijn: van eenvoudige pijnstillers en antibiotica tot vaccins en geavanceerde kankermedicijnen. Maar in de loop der decennia is het vertrouwen in de farmaceutische industrie afgenomen en soms zelfs omgeslagen in regelrecht wantrouwen. Veel mensen beschouwen de medische verworvenheden als vanzelfsprekend en verwerpen steeds vaker en accepteren steeds minder vaak de negatieve aspecten ervan, zoals bijwerkingen en de commerciële aspecten.

Meer vertrouwen in bierproducenten

Het belangrijkste verwijt aan het adres van de farmaceutische industrie is dat ze bakken vol geld verdient over de ruggen van (doodzieke) patiënten. In hun hoofdkantoren met glanzend marmer zouden de directeuren en raden van bestuur vooral zijn geïnteresseerd in wat een geneesmiddel oplevert en hoe de aandeelhouders zich zullen gedragen. Het belang van de patiënt en de vroegere heroïek van het kunnen redden van levens zouden ver te zoeken zijn.

Om hun doel te bereiken gaan farmaceutische bedrijven door roeien en ruiten, is het idee: ze nemen het niet zo nauw met de regels, voeren illegale medische experimenten uit in ontwikkelingslanden, verleiden artsen met sluwe technieken tot het voorschrijven van hun medicijnen – ook voor toepassingen waarvoor ze niet zijn geregistreerd – en nemen een loopje met de waarheid, als het om de werkzaamheid en bijwerkingen van hun middelen gaat.

Het vertrouwen in de farmaceutische industrie is, aldus Edelmans Trust Barometer 2013, met 58 procent net iets groter dan dat in de media (53%) en lager dan dat in brouwerijen, drankproducenten en telefoonbedrijven (62%). Bovenaan de vertrouwenlijst van het Amerikaanse pr-bureau staat de technische industrie (77%) en onderaan de banken en financiële dienstverleners, waarin slechts 50 procent van de respondenten vertrouwen heeft.

Niet duurzaam

Jan Raaijmakers herkent de kritiek, maar waarschuwt dat er de laatste jaren veel is veranderd en dat de kritiek niet voor alle bedrijven even sterk geldt. De hoogleraar Technology Assessment van geneesmiddelen aan de Universiteit van Utrecht is ook vice-president External Scientific Collaborations van het farmaceutische bedrijf GlaxoSmith-Kline (GSK). Hij erkent dat hij ooit de viool aan de wilgen wilde hangen omdat hij vond dat de sfeer bij GSK – dat ontstond uit een fusie van Raaijmakers’ oorspronkelijke werkgever Glaxo, eerst met Wellcome (1995) en later met Smith Kline Beecham (2000) – wel erg was gericht op de harde commerciële kant in plaats van op het belang van patiënten.

‘Maar met zijn nieuwe directeur heeft GSK nu veel meer oog voor het belang van de patiënt, voor samenwerking met universiteiten, open innovatie en het ter beschikking stellen van faciliteiten en patenten om samen met anderen nieuwe producten voor echte medical needs te ontwikkelen’, stelt Raaijmakers, die Philips, met de ontwikkeling van de high tech campus in Eindhoven, ziet als een van de pioniers op dat terrein.

Henry Ford was met de Ford-T een van de eersten die begreep dat massaproductie tot goedkopere producten leidt.

‘Het klassieke businessmodel – hoe meer geld je verdient, hoe beter het is – houdt geen rekening met duurzaamheid en is daardoor niet langer houdbaar. Zo zijn de TNF-α blokkers in de jaren ’90 op de markt gekomen voor de behandeling van een beperkte groep patiënten met reuma. Nu zijn ze toegelaten voor wel 25 verschillende indicaties. Daardoor is het volume enorm toegenomen, maar werd de prijs nauwelijks lager, ook niet terwijl er meer aanbieders van het middel kwamen.

Dat kan niet zo blijven, dat is niet duurzaam. Verantwoordelijk gedrag van farmaceutische bedrijven vereist dat ze voor een middel niet vragen ‘wat de gek ervoor geeft’, maar wat een middel werkelijk moet kosten. Dat is vooral belangrijk voor medicijnen die een verschil kunnen maken tussen leven en dood en waarvoor geen alternatieven zijn, zoals bij zeldzame en zeer ernstige aandoeningen.’

Elders gaan investeren

Raaijmakers benadrukt dat het ontwikkelen van medicijnen gecompliceerd is en zeer geavanceerde technologie vereist. Die maken de ontwikkelingen, die voornamelijk worden gefinancierd met het geld van investeerders, uitermate kostbaar. De winst die aan het eind van het traject wordt gemaakt, moet daardoor voldoende zijn om de aandeelhouders van de bedrijven tevreden te stellen omdat ze anders hun geld elders gaan investeren. Tegelijkertijd is er minder inkomen omdat medicijnen die veel opbrachten ‘uit het patent lopen’, waardoor fabrikanten ze goedkoop kunnen namaken. Bovendien zijn er steeds meer medicijnen ‘op maat’ voor kleinere patiëntengroepen, die daardoor relatief duur zijn omdat de ontwikkelingskosten even hoog zijn. De economy of scale werkt daar immers niet.

Raaijmakers: ‘Vroeger kon een farmaceutisch bedrijf zijn middelen eenvoudig op de markt brengen als ze eenmaal door de registratie waren gekomen. Nu is dat veel ingewikkelder. Niet alleen worden er vooraf door de registratie-autoriteiten hogere eisen aan de werkzaamheid en veiligheid van een medicijn gesteld, ook na de marktintroductie zijn er veel meer eisen om de werkzaamheid en de bijwerkingen bij het dagelijkse gebruik van medicijnen in de gaten te houden. Op dit moment haalt zo‘n 9 procent van de geneesmiddelen de markt. Slechts de helft daarvan genereert winst. Tenslotte is de rol van de betaler – zoals overheid en zorgverzekeraars – een belangrijke factor geworden. Het wordt voor farmaceutische bedrijven dan ook steeds lastiger met een succesverhaal te komen.’

In Nederland zijn de uitgaven voor geneesmiddelen via de apotheek afgenomen sinds 2004, die voor dure medicijnen via het ziekenhuis juist toegenomen. De totale kosten zijn tussen 2004 en 2012 ongeveer gelijk gebleven. BTW en afleververgoedingen voor apothekers zijn niet meegerekend. De Wet Marktordening Gezondheidszorg (WMG) regelt de geneesmiddelenprijzen.
Tussen 2004 en 2012 zijn nogal wat patenten van geneesmiddelen verlopen. Daardoor kunnen ook andere fabrikanten ze maken (zogeheten generieke medicijnen) en goedkoper op de markt brengen. Deze grafiek laat zien dat de prijs van een aantal veelgebruikte middelen in Nederland keldert als het patent ervan verloopt. Bron: CvZ (2013).

Aspirientje wordt nu niet toegelaten

Roger Sorel, apotheker en jarenlang als directielid werkzaam binnen de marketing en de distributie van medicijnen in Nederland, zoals bij Brocacef, herkent het relaas van Raaijmakers. ‘Het is heel lastig om goede geneesmiddelen te ontwikkelen. En het is terecht dat middelen aan een hele reeks eisen moeten voldoen en dat de toelating heel streng is geworden. Een aantal middelen dat al lang op de markt is, zou bij de huidige regels niet meer worden toegelaten, zoals acetylsalicylzuur – het aspirientje. Dat zou teveel maagbloedingen veroorzaken om geregistreerd te kunnen worden.’ Maar Sorel ziet dat door de grote macht van de farmaceutische industrie ook veel mis gaat. Zoals de manier waarop de markt wordt benaderd of hoe artsen en de medische sector worden ingepakt.

Er zijn wel minder excessen dan vroeger, maar er gebeuren toch rare dingen met het aanbieden van mooie reisjes en congressen en gratis medicijnen aan voorschrijvers, teneinde hun gedrag te beïnvloeden, weet Sorel. Of hoe medicijnen soms in Derde Wereldlanden worden gepromoot en getest. ‘Dat is niet meer van deze tijd. Daar kleeft een aantal ethische aspecten aan dat te vergelijken is met wat er in de financiële wereld gebeurt. Natuurlijk zie je wat dat betreft verschillen tussen bedrijven, maar juist vanwege de grote verantwoordelijkheden die de farmaceutische industrie heeft ten aanzien van de gezondheid van patiënten, zou je toch een groter ethisch besef mogen verwachten. Dat zou men binnen de sector sterker mogen propageren.’

Veel geneesmiddelen juist goedkoper

Sorel ziet dat het moeilijker, dus duurder, is voor fabrikanten om geneesmiddelen op de markt te brengen door de hogere eisen die aan de registratie worden gesteld en de kleinere groepen van patiënten die met een ‘geneesmiddel op maat’ gelijktijdig kunnen worden bediend. Hij is het echter oneens met de stelling dat geneesmiddelen steeds duurder worden. ‘Misschien is een aantal zeer specialistische middelen voor de bestrijding van zeldzame aandoeningen, kanker en reuma wel duur, maar de grote bulk van middelen is juist erg goedkoop. In Nederland bestaat meer dan de helft van de geneesmiddelen uit generieke middelen, waarop geen patent is.

Er zijn zeer grote en internationaal opererende ondernemingen, zoals Teva, die op grote schaal generieke geneesmiddelen, waarvan het inmiddels vervallen octrooi dateert uit de jaren ’60, ’70 en ’80 van de vorige eeuw, produceren. Ze innoveren niet in de medicijnen zelf, maar meer in de toedieningsvorm, combinaties van middelen of nieuwe toepassingen voor oude middelen.’ Zo wordt aspirine, dat als bijeffect de bloedstolling vermindert, nu toegepast tegen trombose. En het ooit verguisde Softenon wordt nu ingezet tegen lepra.

De pre-klinische en klinische kosten zijn voor de directe ontwikkeling van één middel. De kosten voor mislukkingen zijn gemaakt voor middelen die de eindstreep niet haalden (gemiddeld 93 procent). Kosten kapitaal behelzen het ‘lenen’ (via investeerders en aandeelhouders) omdat gedurende het lange ontwikkelingstraject geneesmiddelen nog geen inkomsten genereren. Minder mislukkingen accepteren en andere vormen van financiering kunnen veel kosten besparen.

De Nederlandse zorgverzekeraars hebben een voorkeur voor het voorschrijven van dit soort goedkope generieke middelen boven vergelijkbare (duurdere) middelen waarop nog wel een patent rust (de spécialités). Dit zogeheten preferente beleid van de zorgverzekeraars heeft een prijsdrukkend effect. Sorel: ‘Sommige geneesmiddelen zijn inmiddels goedkoper dan Smarties. Hoewel de hoeveelheid geneesmiddelen die we in Nederland gebruiken stijgt, dalen zowel de gemiddelde prijs als de totale kosten.

Ik denk niet dat de goedkope middelen veel goedkoper zullen worden, maar wel zal van een aantal medicijnen het octrooi aflopen, wat hun prijs sterk zal doen dalen.’ Dat medicijnen soms goedkoper zijn dan Smarties wordt vaak aangehaald, met als voorbeeld de pijnstiller paracetamol. Het is waar: bij de Etos kost een doosje paracetamol van 50 stuks €0,99 (2 cent per stuk) en een kokertje met zo’n 32 Smarties €0,70 (2,1 cent per stuk).

Dure nieuwe geneesmiddelen

Voor wat er op dit moment gebeurt met de prijs van de nieuwste medicijnen, heeft Sorel echter weinig goede woorden. ‘Wat daar gebeurt, is heel raar’, zegt hij. ‘De prijs wordt, volgens de wet op de Geneesmiddelenprijzen, na registratie vastgesteld door de fabrikant. Daarbij wordt gekeken wat het middel in de ons omringende landen (België, Engeland, Duitsland en Frankrijk) kost. Het gemiddelde daarvan vormt de prijs voor Nederland. Dit systeem bestaat al jaren en is in feite een brevet van onvermogen: wij weten als Nederlandse overheid niet hoe we een goede prijs voor een medicijn moeten bedingen, dus laten we maar naar onze buren kijken.’

Voor de vergoeding van die middelen door de ziektekostenverzekeraars bestaan weer andere formules. Zeer dure medicijnen, zoals voor de ziekte van Pompe of Fabry worden afzonderlijk gefinancierd, mits ze – na toestemming – door een kleine groep geselecteerde specialisten worden voorgeschreven en dikwijls ook alleen als ze nauwkeurig worden gevolgd wat werkzaamheid en bijwerkingen betreffen.

Ook Raaijmakers van GSK verbaast zich over dit prijsbepalende systeem in Nederland. ‘Door het gebruik van dit soort systemen bied je de industrie ook de mogelijkheid om de grenzen op te zoeken en daarmee gelegenheid om de prijzen hoog te houden’, zegt hij. ‘Je moet niet uitgaan van louter een systeem, maar echt onderhandelen over de prijs. Daarvoor is er echter onvoldoende dialoog tussen de diverse betrokkenen. Men vertrouwt elkaar te weinig en praat niet genoeg over wat wenselijk is.

En als dat wel gebeurt en partijen met elkaar naar mogelijkheden zoeken om onze gezondheidszorg voor de toekomst betaalbaar te houden, wordt dat in de media uitgelegd als een soort verwerpelijke samenzwering.’ Raaijmakers pleit er dan ook voor dat zo’n dialoog snel, structureel en echt op gang komt, wil het geneesmiddelensysteem in Nederland en Europa duurzaam worden. ‘We hebben de industrie heel hard nodig voor innovatie op het terrein van medicijnen.

De behandeling op maat en de biologische medicijnen op basis van genetische informatie, eiwitten en zeer specifieke aangrijpingspunten in het lichaam, zullen ertoe leiden dat steeds kleinere groepen patiënten steeds duurdere geneesmiddelen zullen gaan krijgen. Zonder diepgaande dialoog tussen alle betrokkenen en het nemen van verantwoordelijkheden, leidt dit tot een doodlopende weg voor de geneesmiddeleninnovatie en uiteindelijk ook voor de farmaceutische industrie.’

De meeste kosten worden gemaakt in de 3e fase van de klinische studies. De kosten zijn inclusief mislukte medicijnen en de kosten voor kapitaal.

Ondoorzichtige marketingstrategie

Bert Boer is lid van de Raad van Bestuur van CvZ, het College voor Zorgverzekeringen dat de overheid adviseert over ondermeer welke geneesmiddelen en behandelingen vergoed zouden moeten worden. Hij benadrukt dat de geneesmiddelenindustrie de belangrijkste innovator in de medische industrie is en patiënten talloze medicamenten heeft gebracht, die er anders niet zouden zijn geweest. ‘Dank u wel! Maar die geneesmiddelen kosten wel handenvol geld en het is niet transparant waarom dat zo moet zijn en welk aandeel de research en ontwikkeling, de marketing en de productie in de prijs hebben’, voegt Boer eraan toe.

‘Natuurlijk kosten geneesmiddelen geld, maar het zou beter zijn als bedrijven meer duidelijkheid geven – ook voor de industrie zelf. Nu wekken die hoge prijzen toch wantrouwen, terwijl ze ongetwijfeld voor een deel terecht zullen zijn. Voor de samenleving is dat echter volstrekt oncontroleerbaar, terwijl geneesmiddelen dikwijls wel uit publieke middelen worden betaald.’

Daarnaast ziet Boer dat bedrijven soms wel erg ver gaan bij het aan de man brengen van hun medicijnen. ‘Ze stellen de middelen gratis ter beschikking aan artsen ten behoeve van hun patiënten, terwijl de deskundigen aan de werking en bijwerkingen van het middel twijfelen. En zogeheten seeding trials zijn aan de orde van de dag.’ Met zulke klinische studies proberen bedrijven, onder het mom van wetenschappelijk onderzoek, artsen vertrouwd te maken met hun nieuwe middel.

‘Helaas is de sector nog steeds bezig om met een bedenkelijk imago en ondoorzichtige marketingstrategieën geneesmiddelen in de markt te zetten. Sommige bedrijven hebben ook wel oog voor het publieke belang in plaats van louter hun eigen belang en doen constructief mee in overleg, bijvoorbeeld over de beoordelingsprocedures voor nieuwe geneesmiddelen. Dat is de afgelopen tien jaar wel verbeterd.’

Van de verkoopprijs van een geneesmiddel gaat bijna twee derde naar de fabrikant, die daarvan een kwart aan marketing uitgeeft, iets minder dan aan de productie van het middel en aanzienlijk minder dan aan onderzoek en ontwikkeling. Dit zijn gemiddelden: sommige (biologische) medicijnen zijn duur om te maken, maar vereisen nauwelijks marketing (zoals weesgeneesmiddelen), bij andere is dat omgekeerd (zoals bij cholesterolverlagers).

Meer energie in naleven richtlijnen

Boer wil de schuld van excessen rond de onafhankelijkheid van artsen die geneesmiddelen voorschrijven niet louter bij de farmaceutische industrie leggen. ‘Van artsen mag je onafhankelijkheid verwachten. Maar ze laten zich in de praktijk toch gemakkelijk verleiden om geneesmiddelen uit te proberen’, constateert Boer. ‘Op landelijk niveau heeft de beroepsgroep kennis die state of the art is over de prestaties van een geneesmiddel en bij welke patiënten het wel en niet goed werkt. Die kennis is vaak verwerkt in medische richtlijnen en ook wel in richtlijnen van verzekeraars.

Maar daarbuiten, meer in de perifere praktijken en ziekenhuizen, is die kennis toch vaak minder groot en laten artsen zich verleiden om middelen uit te proberen. Ik denk dat de medische beroepsgroepen, naast het systematischer beoordelen van medicijnen en dat oordeel opnemen in richtlijnen, meer energie zouden moeten steken in zorgen dat voorschrijvers – en dan vooral in de periferie – zich ook aan die richtlijnen houden. Oncologen en gynaecologen zijn daar al ver mee, in tegenstelling tot sommige andere medische beroepsgroepen.’

Over de soort geneesmiddelen die bedrijven ontwikkelen, is Boer gematigd positief. De medicijnen die nu worden gebruikt in de reguliere praktijk van de interne geneeskunde, zoals bètablokkers tegen hoge bloeddruk en maagzuurremmers, hebben het therapeutische arsenaal op zijn kop gezet, vindt hij. De laatste tijd komen er meer anti-kankermiddelen en ook wel enkele middelen tegen zeldzame aandoeningen beschikbaar. ‘Die middelen dragen bij aan de genezing van ernstige en hele vervelende ziekten. Wel moeten we de meerwaarde ervan goed toetsen. Welke levenswinst of extra kwaliteit van leven leveren ze precies op en voor welke groep van patiënten? Voor die middelen moet wel een hoge prijs worden betaald.’

Op andere terreinen zou de farmaceutische industrie wel wat meer gas mogen geven, zoals bij het ontwikkelen van antibiotica, vindt Boer. ‘De ongevoeligheid van bacteriën tegen antibiotica was tot een paar jaar geleden vooral een probleem van de ontwikkelingslanden, nu neemt die resistentie ook toe in de geïndustrialiseerde, westerse, wereld. We hebben een nieuwe generatie van antibiotica en ook van middelen tegen virussen hard nodig.’

Soms proberen deskundigen met steun van farmaceutische bedrijven middelen bij artsen aan te prijzen voor zoveel mogelijk toepassingen.
Dreamstime

Meer maatschappelijke dilemma’s

De hoge prijzen voor nieuwe geneesmiddelen, soms honderdduizenden euro’s per patiënt per jaar, zullen leiden tot maatschappelijke dilemma’s en steeds vaker tot emotionele discussies, zoals bij de ziekten van Pompe en Fabry het geval was, voorspelt Boer. ‘Het is lastiger voor bedrijven om de kosten voor de ontwikkeling en productie van een medicijn terug te verdienen als er slechts een kleine patiëntengroep baat bij heeft. Dat lukt niet in de relatief korte tijd dat een patent bescherming biedt tegen namaak van het middel. Vandaar de hoge prijzen. We moeten fundamenteel nadenken over de kosten die met medicijnen gemoeid zijn en over een andere manier van financiering van het ontwikkelen van geneesmiddelen.’

Er zijn wel voorstellen voor alternatieven voor het verlenen van patenten – die de kennis beschermen en ontoegankelijk maken voor anderen. Innovaties kunnen bijvoorbeeld ook worden gestimuleerd door het uitloven van (grote) geldprijzen voor ontwikkelaars die hun kennis openbaar maken. Niet duidelijk is hoe hoog die prijs moet zijn om bedrijven een alternatief te bieden voor de vele miljarden euro’s die ze soms met een succesvol medicijn kunnen verdienen.

De dilemma’s over de effectiviteit van dure medicijnen zullen blijven. Eén ding is het goed afwegen van de (maatschappelijke) kosten en baten van een geneesmiddel – wat een heidens karwei is gezien de betrokkenheid van lastig vergelijkbare grootheden als levenswinst, kwaliteit van leven, arbeidsproductiviteit, maatschappelijke participatie, en kosten voor de zorg en (ziekte)uitkeringen. Het andere heikele punt is de vraag wat een leven waard is. Is dat 80.000 euro per gewonnen levensjaar, zoals wel wordt geopperd, of twee miljoen? In het beleid wordt in het algemeen veel gewerkt met kosteneffectiviteit.

Zo wordt bij het verhogen van de dijken gekeken naar de kosten daarvan vergeleken met de risico’s van een overstroming wat betreft mensen en dieren die verdrinken en economische schade die ontstaat. Zulke afwegingen worden ook gemaakt bij het wel of niet plaatsen van een stoplicht op een gevaarlijke kruising. Het gaat daarbij om kansen en niemand weet wie de slachtoffers van een overstroming of een verkeersongeluk zullen zijn. Boer zou zich niet direct achter zo’n maatschappelijk gevoel willen scharen: ‘Dat is anders dan als je op basis van een kosten-batenanalyse besluit een duur geneesmiddel voor een zeldzame aandoening niet (meer) te vergoeden. Dan weet je precies wie het slachtoffer is, dat heeft een gezicht. Daarmee krijgt de discussie direct een heel andere dimensie.’

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 24 december 2013

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.