Je leest:

Wij zijn één

Wij zijn één

De ecologisering van ons zelfbeeld

Auteur: | 12 december 2016

Filosofen uit de Westerse traditie denken van oudsher graag over mensen als wezens die zich duidelijk onderscheiden van dieren en de rest van de natuur, door onze ziel, rede, taal of autonomie. Er bestaat een wisselwerking tussen deze filosofische beelden en biologische inzichten.

Nieuwe biologische inzichten kunnen filosofische schokken opleveren, wat bijvoorbeeld gebeurde toen Darwin liet zien dat we uit hetzelfde evolutionaire hout zijn gesneden als de rest van de natuur. Maar biologie, of de interpretatie ervan, kan ook juist aansluiten bij traditionele filosofische beelden. Zo leek de genetica een tijdlang te bevestigen dat we ons, door ons genetisch bouwplan, duidelijk onderscheiden van andere wezens.

En nu dan de microben, die in enorme aantallen in en op ons blijken te leven. We lezen dat we niet één zijn maar veel, dat ‘ik’ eigenlijk ‘wij’ is, dat we een ecosysteem zijn, of een ‘holobiont’, dat biologische identiteit altijd een onzuiver mengsel is. Wat veranderen microben aan ons zelfbeeld?

Relaties en interacties centraal

Laten we het menselijk genoomproject als vertrekpunt nemen. Het werd wel de ‘heilige graal’ van de biologie genoemd: het leren kennen van onze genen zou ons definitief duidelijk maken wie wij zijn, want in essentie zijn wij onze genen, zo leerde het genetisch reductionisme. Daar hoorde een duidelijk onderscheid bij tussen onszelf en de omgeving. Aan onze huid en het immuunsysteem de taak om de grens te bewaken tussen ‘zelf’ en het vijandige ‘niet-zelf’ van met name de microben.

Microben hebben lang een negatief imago gehad. In de geneeskunde lagen ze op de loer om ons ziek te maken terwijl ze in de filosofie gewoon niet de moeite waard waren, zelfs in de filosofie van de biologie krijgen ze nog niet veel langer dan een decennium serieuze aandacht. Maar ze nestelen zich nu in snel tempo en op veel manieren in het biologisch denken, en maken daar onderdeel uit van wat je een ecologisering van de biologie zou kunnen noemen, waarin niet identiteiten maar relaties en interacties centraal staan.

Het beeld dat we vooral van binnen uit door onze genen worden gevormd, wordt de laatste decennia op steeds meer manieren ondermijnd. Niet in de laatste plaats door het genetisch onderzoek zelf, waaruit steeds sterker naar voren komt dat de omgeving via allerlei ‘epigenetische’ mechanismen grote invloed heeft op het functioneren van onze genen. Temperatuur, dieet, stress, enzovoort beïnvloeden welke genen wel en niet worden afgelezen.

Die omgeving bleek vervolgens ook in ons te zitten, en hij bestaat niet alleen uit fysische factoren, maar ook uit ontelbare hoeveelheden levende wezens die zich in en op ons hebben genesteld en daar vaker goed doen dan kwaad. Al tijdens de ontwikkeling zijn veel organismen afhankelijk van signalen van speciale microben. Om een mens of dier te kennen en begrijpen, moeten we de microben vooral niet vergeten; organismen zijn verplichte samenwerkingsprojecten.

Shutterstock

Van oorlog naar dialoog

Ook het beeld van het immuunsysteem is daardoor aan het veranderen: het is niet meer het leger dat ons vaste identiteit te vuur en te zwaard beschermt tegen de boze buitenwereld, het beeld is nu eerder dat het immuunsysteem in dialoog met ontelbare verschillende micro-organismen langzamerhand een ‘zelf’ genereert en dat de relaties met die microben variëren van uiterst vijandig tot uiterst intiem. Het onderscheid tussen ‘zelf’ en ‘ander’ staat met andere woorden niet van meet af aan vast; het ontstaat geleidelijk en het moet actief worden onderhouden.

De ecologisering van de biologie doet zich dus op allerlei terreinen voor: epigenetica, eco-ontwikkelingsbiologie en eco-immunologie zijn florerende vakgebieden. Die ontwikkeling sluit slecht aan bij een traditioneel filosofisch beeld over identiteit, maar veel beter bij opvattingen die afgelopen decennia ook in de filosofie sterker zijn geworden: dat ons zelf niet een vast gegeven is maar vorm krijgt vanuit allerlei bronnen en stromen binnen en buiten ons, waaruit we door bij voorbeeld onze persoonlijke verhalen een eenheid proberen te maken die onvermijdelijk instabiel is.

Eenheid in veelheid

Wordt ons filosofische zelfbeeld ook steeds ecologischer? En zo ja, waar stopt dat? Als we ons realiseren dat micro-organismen de evolutionaire stamboom overweldigend domineren, dat dieren, laat staan mensen, er maar een miniem stukje van vormen, zal het idee dat onze eigen identiteit belangrijk is dan onherroepelijk verloren gaan? Zal ons zelfbeeld totaal uit elkaar vallen en plaatsmaken voor een web van ecologische relaties? Meer vragen dan antwoorden.

Maar er is wel een grens aan de mate waarin we opgaan in onze omgeving. Het idee van een vast en ondeelbaar zelf mag dan niet houdbaar zijn, het idee dat we helemaal uit elkaar vallen is dat evenmin. Om als een organisme te kunnen functioneren moeten we op een of andere manier vanuit de veelheid en verscheidenheid toch een soort eenheid vormen, ook al is die heterogeen en tijdelijk. Lichaam en geest werken beide hard voor die eenheid. En is het, als we aan het idee gewend zijn, eigenlijk niet een rijk en ontroerend idee, dit ecologische zelf waarin talloze soorten samenwerken – en samen één zijn?

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 december 2016

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.