Je leest:

Wie of wat groeit er in China?

Wie of wat groeit er in China?

Auteurs: en | 16 november 2007

Internationaal is er veel overeenstemming dat ontwikkelingslanden economisch moeten groeien. Westerse landen geven ook ontwikkelingshulp om dat te stimuleren. Maar als het gaat om China (of India) zien diezelfde Westerse landen economische groei eerder als een bedreiging. Dit essay werpt een ander licht op de schijnbare dreiging die van de groei van China uitgaat, door precies te kijken: wie of wat groeit er in China.

De publieke reactie in het ‘Westen’ richt zich voornamelijk op drie aspecten van Chinese dreiging:

- De omvang van China’s economie. Dit zien we bijvoorbeeld wanneer er wordt gerapporteerd dat China de komende vijf jaar 60 procent van de groei in de wereld staalproductie en -consumptie voor zijn rekening zal nemen; - China’s mogelijkheden tot directe concurrentie met Japanse, Amerikaanse en Europese bedrijven. Zo werd China in 2004 ‘s werelds grootste IT exporteur en in 2006 ’s werelds grootste producent van integrated circuits; - China’s andere ‘cultuur’. Deze cultuur zou schadelijk zijn voor onze ideeën over markten, bedrijven en ondernemerschap.

Genoemde drie aspecten maken het eenvoudig om het succes van China’s politieke en economische hervormingen te zien als iets spectaculairs. Echter, waarom spectaculaire economische groei een dreiging zou zijn, verdient een soberdere en meer gebalanceerde analyse.

Wie of wat groeit?

Rapporten die vooral gebaseerd zijn op macro-economische data beperken ons begrip van de oorzaken en gevolgen van China’s succes. Zij slagen er bijvoorbeeld niet in om de opkomst van ondernemers en de integratie van hun bedrijven in internationale productie- en handelsnetwerken te verklaren. Laat staan dat zij de mogelijkheden die China biedt voor het internationale bedrijfsleven kunnen duiden.

Sinds het midden van de jaren ‘80 werd de niet-staatssector de motor van economische groei, een decennium later gevolgd door de particuliere sector. Bijna tegelijkertijd voegden ook lokale branches van buitenlandse ondernemingen zich bij deze twee sectoren. De staatssector is in de afgelopen jaren dramatisch gekrompen: staatsbedrijven droegen in 2003 nog slechts 13 procent van de totale toegevoegde waarde bij in de industriele sector (vergeleken met 37,3 procent in 1998). Het succes van particuliere bedrijven, met een winstgroei van 43,6 procent in 2006 (vergeleken met 27 procent bij staatsbedrijven) verklaart ook deels China’s grote vraag op de wereldmarkten. Kortom, de economie wordt gedreven door (binnenlandse en buitenlandse) ondernemers.

De populaire pers concentreert zich voornamelijk op China’s groeiende behoefte aan ruwe materialen uit Latijns-Amerika en Afrika. China’s schijnbaar ‘onverzadigbare’ vraag naar hulpbronnen en ondersteuning van weinig gerespecteerde regimes, in bijvoorbeeld Sudan en Zimbabwe, werpen een schaduw over zijn importhandel. Het is echter niet alleen de zoektocht naar ruwe materialen die China’s groeiende importsector kenmerkt: het land is steeds meer geïnteresseerd in geavanceerde en kostbare investeringsgoederen en kan die zich steeds beter veroorloven. China is, zoals de statistieken laten zien (Figuur 1), het stadium van aanvullende handel in ruwe materialen en lage waarde / lonen producten voorbij. Het bereikt een stadium van substitutiehandel waarin zijn exportproducten direct kunnen concurreren met die van de VS, EU en Japan. Sterker nog, in plaats van textiel is het juist de kantoor- en telecommunicatie apparatuur die de handel tussen de EU en China karakteriseert.

Figuur 1 bron: EUROSTAT (Comext, Statistical regime 4)

EU is China’s grootste handelspartner

In dit licht kan het niet als een verrassing komen dat de EU vorig jaar China’s grootste handelspartner werd. De EU biedt een pakket producten aan dat erg gewild is in China’s groeiende niet-staatssector en bij de nieuwe consument. Waar de Japanse en Amerikaanse exporthandel vooral gedreven worden door een enkele industrie, biedt de EU een breed pakket van producten en diensten aan. Ook toont een grotere en gevarieerdere groep Europese bedrijven interesse in China. De kans om in China te opereren is te mooi om voorbij te laten gaan en gelukkig grijpen genoeg bedrijven hem aan, ondanks de soms pessimistische berichten in de pers.

De welvaart, technische ontwikkeling en het concurrentiepotentieel van China’s ondernemingen hebben ook geleid tot de opkomst van een sterke middenklasse. Deze bestaat vooral uit managers en ondernemers die zichzelf definieren aan de hand van inkomen, opzichtige uitgaven, en een hoge (management)opleiding. Vandaag de dag zijn er genoeg rijke Chinezen die zich luxe producten, internationale reizen en, inderdaad, Westerse managementopleidingen kunnen veroorloven. En dat blijft niet onopgemerkt op de balansen van bedrijven en universiteiten.

Dit optimistische plaatje kan echter bedreigd worden door de grote en snelgroeiende onroerend goedmarkt en bouwsector. Er schuilt gevaar in een oververhitte economie en de noodzaak om rentes te verhogen. Echter, de Volksbank van China heeft slechts beperkte controle over financiele markten. Dan is er het gevaar dat de speculatieve luchtbel in de bouwsector gaat barsten en zijn sporen achterlaat op de aandelenbeurs van Shanghai en, zoals we onlangs gemerkt hebben, ook op de internationale aandelenbeurzen. Kortom, een te snel groeiende economie kan voor verrassingen zorgen.

De economische groei is ook gepaard gegaan met milieuproblemen: China’s verwaarlozing van de gevolgen van ongeremde economische groei voor het milieu heeft een dramatische invloed op China’s ecosystemen. Toch scoort China niet slechter dan de meeste ontwikkelingslanden die het ‘Westerse’ model van ‘eerst vervuilen dan opruimen’ volgen. Desondanks mag het duidelijk zijn dat de internationale (politiek gemotiveerde) druk groot is en dat de Chinese overheid deze problemen onderkent in haar nieuwe Vijf Jaren Plan. Zeker met de toekomstige Olympische Spelen in Beijing in het achterhoofd.

Kortom, wat groeit? Onder andere de mogelijkheden voor binnenlands en buitenlands ondernemerschap, handel met in het bijzonder Europa, een rijke middenklasse, maar ook een oververhitte onroerend goed markt en bouwsector en de met snelle groei gepaard gaande milieuproblemen.

…De economische groei is ook gepaard gegaan met milieuproblemen: China’s verwaarlozing van de gevolgen van ongeremde economische groei voor het milieu heeft een dramatische invloed op China’s ecosystemen…

Mobieltjes uit Chinese sweatshops? Bizar!

De exportsector groeit het snelst, vorig jaar met bijna 24 procent. Het succes komt echter grotendeels door buitenlandse bedrijven die in China opereren. Meer dan 60 procent van de exportwaarde is afkomstig van deze bedrijven en hun joint-ventures. De veelgemaakte aanname dat Philips, Nokia of Siemens in zogenaamde sweatshops mobieltjes zouden kunnen produceren grenst aan het bizarre. De assumptie dat binnenlandse autofabrikanten componenten kunnen produceren op goedkope en onveilige werkplekken eveneens.

Waarom? Omdat de voordelen van lage lonen, in combinatie met lage technische standaarden, namelijk beperkt blijven tot producten met lage toegevoegde waarde, zoals rollagers, textiel en schoenen. De stelling dat China’s export sector een comparatief voordeel heeft in de vorm van lage (vaste) loonkosten moet dus herzien worden. Sterker nog, zelfs in de textiel sector zijn andere verklaringen nodig. De loonkosten zijn in China al 20 procent hoger dan in andere Zuidoost Aziatische landen.

In het licht van de groei van sectoren met hogere toegevoegde waarde is de groei van de technologie-intensieve sector wellicht het spectaculairst. Overheids-ondersteunde Wetenschap en Technologie programma’s, buitenlandse (directe) investeringen en ondernemerschap faciliteren de opkomst van autonome particuliere bedrijven. Zij slagen erin om nieuwe technologieen succesvol te ontwikkelen en commercialiseren op binnenlandse en buitenlandse markten.

In 2006 bereikten China’s verkopen in de IT markt dan ook meer dan 570 miljard yuan (73 miljard dollar). Grote binnenlandse computerhardware bedrijven zoals Lenovo en Founder, en software giganten als Alibaba, Baidu en AsiaINFO, hebben een plek veroverd op de (internationale) markt. Kortom, het potentieel van China’s export- en technologie intensieve sectoren kan niet onopgemerkt blijven.

…De veelgemaakte aanname dat Philips, Nokia of Siemens in zogenaamde sweatshops mobieltjes zouden kunnen produceren grenst aan het bizarre…

Een andere cultuur

Wellicht gaat van China’s ‘andere cultuur’ de grootste dreiging uit. Zij wordt vaak samengevat in de convergentiehypothese. Die stelt dat China’s economische systeem zal convergeren (naar elkaar toegroeien) naar de ‘Westerse’ varianten van kapitalisme en dat de managementstijl zal convergeren naar Westerse best practices.

‘Cultuur’ is in dezen een misleidend concept. Westerse bedrijven hoeven, gelukkig, niet ‘Chinees’ te worden. Zij zullen wel moeten leren welke instituties de mogelijkheden voor hen creeren of beperken. Daarom is het van belang om te begrijpen dat China’s bedrijfsomgeving rust op drie pillaren die de instanties vormen waarmee Westerse bedrijven zich bekend moeten maken: lokale autonomie, netwerken en een ‘vloeibare’ organisatievorm.

Om met de laatste te beginnen: Een bedrijf in China is geen rechtspersoon maar komt op (en verdwijnt), afhankelijk van de intenties van zijn aandeelhouders en de netwerken die zij representeren. Aangezien de meeste binnenlandse en buitenlandse bedrijven strategische allianties aangaan met lokale overheidsinstanties, wordt de Westerse tegenstelling tussen de staat en de particuliere sector irrelevant: waar lokale bestuurders ondernemers worden, raken ondernemers geinteresseerd in administratie en wetgeving. Bedrijven verdwijnen door fusies, integratie in holdings, overplaatsing van cruciaal eigendom, en soms faillissement.

De tweede pilaar waarop China’s bedrijfsomgeving steunt is het netwerk van persoonlijke connecties. Dit vormt de onzichtbare hand achter de keuze van de best passende (transactiekosten besparende) organisatievorm. Een dergelijk netwerk moet gezien worden als een mechanisme om politieke en marktinformatie vast te houden en af te schermen, moeilijk te verhandelen kennis te delen en staatsinterventie op afstand te houden. Het ‘Westerse’ idee dat netwerken functioneren als een middel om contracten te bekrachtigen of als een toezichthoudend orgaan, is meer een bijproduct. Als de ‘vloeibare’ vorm van bedrijven en netwerken al ‘buitenaards’ lijkt in de ogen van Westerse managers en onderzoekers, dan is lokale autonomie nog exotischer. Lokale wetgeving en staatsinterventie zijn in democratische staten legitiem door het mandaat van het volk.

Echter, in China is ‘lokale autonomie’ en ‘experimenteren’ gelegitimeerd door de Chinese regering en de Chinese Communistische Partij (CCP). Wat lijkt op een informele onderhandeling tussen lokale overheidsinstanties en het lokale bedrijfsleven (de grootste belastingbetaler), is een belangrijk onderdeel van het economische systeem. Een dergelijke ‘cultuur’ moet niet direct verward worden met corruptie of verzwakking van politieke instituties. In het kort, China’s bedrijfsomgeving kan het best beschreven worden als ‘gepolitiseerd kapitalisme’: het kapitalisme wordt tot een politieke zaak gemaakt. Zal dit systeem convergeren?

…De tweede pilaar waarop China’s bedrijfsomgeving steunt is het netwerk van persoonlijke connecties…

Gaat China toe naar een Westers ‘model’?

China’s lidmaatschap van de Wereld Handelsorganisatie (WTO) zou een van de belangrijkste redenen voor convergentie kunnen zijn. De verplichtingen van China in de vorm van het openen van zijn binnenlandse markten, in het bijzonder landbouw en technische apparatuur, zijn significant.

De verplichtingen om dienstensectoren zoals telecommunicatie, distributie, en financiele diensten te openen, zijn wellicht nog drastischer. Temeer daar deze sectoren tot voor kort nog onder strikt staatstoezicht vielen. China verwacht daar natuurlijk een gelijke behandeling door andere WTO-leden voor terug. Echter, sommige WTO-leden claimen dat China zijn exportprijzen kunstmatig laag houdt en gaan over tot beperkingen, antidumpingsacties of ex post belastingheffing. Dergelijke claims zijn vaak gebaseerd op (te) beperkte documentatie en in feite handelen deze WTO-leden in strijd met de WTO-regels. Desalniettemin blijft de druk van convergentie door de WTO onverminderd groot.

De vraag of China zal convergeren naar het ‘Westerse’ model van kapitalisme is eigenlijk misleidend. Aan de ene kant omdat er niet zoiets bestaat als het ‘Westerse’ model van kapitalisme: de verschillen tussen kapitalistische systemen binnen bijvoorbeeld Europa zijn al significant. Aan de andere kant omdat Chinese bedrijven selectief management practices zullen kiezen die zij geschikt vinden voor het opereren in de Chinese omgeving. En dat hoeven niet noodzakelijk ‘onze’ management practices te zijn. Tegelijkertijd zullen zij leren hoe om te gaan met de Westerse omgevingen op het moment dat zij een voet buiten China zetten. Op dezelfde manier is kennis van lokale autonomie, netwerken en de ‘vloeibare’ organisatievorm in China cruciaal voor het ontwikkelen van een China-competence voor Westerse bedrijven.

Bovengenoemde instituties zijn diepgeworteld in de maatschappij en kunnen (en zullen) daarom niet een, twee, drie veranderen. Kortom, het is onwaarschijnlijk dat China’s economische en politieke systemen zullen convergeren. Dat hoeft echter niet direct als een bedreiging gezien te worden: er zijn voldoende mogelijkheden voor binnenlands en buitenlands ondernemersschap en handel, met name in de technologie-intensieve sectoren. Daarnaast is er een groeiende middenklasse met rijke consumenten geinteresseerd in Europese producten. Uiteraard moeten bovengenoemde China-specifieke instituties in alle gevallen in acht worden genomen. Ondernemingen die dit onderkennen en gebruik maken van de Europese comparatieve voordelen zullen China als een uitdaging zien in plaats van een bedreiging.

Referenties

China Economic Net (2007) “China will account for 60 pct of global steel growth to 2012”, http://en.ce.cn/Business/Macro-economic/, 27/3/07

China Economic Net (2007) “China becomes world’s leading IC producer”, http://en.ce.cn/Industries/IT/, 12/3/07

China Economic Net (2007) “China’s IT market worth 570 billion yuan”, http://en.ce.cn/Industries/IT/, 24/01/07

Krug, B. and Hendrischke, H. (eds) (2007) China’s Economy in the 21st century: Enterprise and business behaviour, Cheltenham: Edward Elgar.

National Bureau of Statistics of China (2007) “Statistical Communique on the 2006 National Economic and Social Development”, http://www.stats.gov.cn/english/, 28/02/07

Opper, S. and Nee, V. (2007) On Politicized Capitalism, Chapter 4, in Victor Nee and Richard Swedberg (eds.) On Capitalism, Stanford: Stanford University Press, forthcoming 2007.

OECD (2005) “China overtakes U.S. as world’s leading exporter of information technology goods”, http://www.oecd.org, 12/12/05

Gerelateerde Kennislink artikelen

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 november 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.