Je leest:

Wie is er nog bang voor de hersenen?

Wie is er nog bang voor de hersenen?

Auteur: | 1 december 2002

Hersenwerk 2002, een decennium lang extra aandacht voor de hersenen, is afgelopen. Wat hebben deze tien jaar opgeleverd, hoezeer zijn we anders tegen de hersenen gaan aankijken en welke rol moet het hersenonderzoek in de toekomst spelen?

De hersenen zijn ons duurste orgaan. Hersen- en geestesziekten kosten de samenleving ongeveer eenderde van de totale gezondheidszorgkosten. Een op de vijf Nederlanders en Belgen krijgt tijdens zijn leven last van een hersenstoornis. Iedereen krijgt zelfs in meer- of mindere mate te maken met verslechterde hogere cognitieve vermogens: bij veroudering gaat het geheugen achteruit en verslechtert de mogelijkheid om te plannen of overzicht te houden. Des te verbazingwekkender is het dat er pas in 1989 een Hersenstichting werd opgericht, terwijl de hartstichting bijvoorbeeld dateert uit de jaren zestig. Aan de andere kant is Nederland het enige land dat überhaupt een breed opgezette hersenstichting heeft.

De Hersenstichting financiert wetenschappelijk onderzoek naar oorzaken van hersenaandoeningen, geeft publieksvoorlichting over hersenen en hersenaandoeningen en probeert de infrastructuur te verbeteren voor de bestrijding van hersenaandoeningen. In navolging van het Amerikaanse Decade of the brain, startte in 1992 het Nederlandse equivalent, Hersenwerk 2002: een decennium lang extra aandacht voor ons meest complexe orgaan. Het hersendecennium was een gezamenlijk initiatief van de Hersenstichting Nederland en NWO Medische Wetenschappen.

Het Amerikaanse initiatief richtte zich alleen op het wetenschappelijk onderzoek, terwijl het Nederlandse Hersenwerk 2002 veel breder was opgezet. Veel aandacht ging ook uit naar de patiëntenvereniging en de algemene publieksvoorlichting, bijvoorbeeld via jaarlijkse publieksdagen over thema’s als kinderen en hersenaandoeningen, hersenen en veroudering en hersenonderzoek en zorg.

In de proclamatie uit 1992 van het Nederlands Hersendecennium ‘Hersenwerk 2002’ stond: “Ruim eenderde van het budget voor volksgezondheid is bestemd voor hersen- en geestesziekten. Toch is de omvang van het wetenschappelijk onderzoek naar hersenaandoeningen (nog steeds) relatief klein. Ook is de zorg voor mensen met een hersenaandoening vaak niet toegesneden op de behoefte. De maatschappelijke acceptatie van mensen met een hersenaandoening is nog steeds gering.”

“We stopten onze psychiatrische inrichtingen ook weg op de Veluwe. Hersenaandoeningen waren eng”, zegt Utrechts hoogleraar psychofarmacologie Jan van Ree. Hij is medeoprichter en vice-voorzitter van de Hersenstichting. “Zowel de maatschappij als de medische wereld lieten hersenaandoeningen lange tijd links liggen. Pas met een meer biologisch georiënteerde kijk op hersenaandoeningen, is er meer belangstelling gekomen. We weten nu bijvoorbeeld dat autisme voor negentig procent genetisch is bepaald en dat het niet aan de opvoeding door de moeder ligt.”

Hersenscans van een autistisch kind dat gezichten van vreemden en van bekenden ziet. Het verschil is overduidelijk: in het ene geval geen zichtbare activiteit, in het andere wel. bron: Karen Pierce, Universiteit van Californië in San Diego

Knik in de jaren negentig

Het is moeilijk om hard te maken wat Hersenwerk 2002 heeft opgeleverd. We weten immers niet hoe het afgelopen decennium was geweest zonder alle extra aandacht voor de hersenen. Toch is professor Jelle Jolles, hoogleraar neuropsychologie en biopsychologie aan de Universiteit Maastricht, ervan overtuigd dat het hersendecennium heeft bijgedragen aan meer wetenschappelijk onderzoek naar hersenaandoeningen in Nederland. “Het aantal wetenschappelijke publicaties vertoont in de jaren negentig een knik omhoog. Deze extra stijging is veel groter dan werd voorspeld in de jaren tachtig op grond van een steeds toenemende aandacht voor de hersenen. Die knik moet wel haast liggen aan Hersenwerk 2002.”

Ook Van Ree is duidelijk over de resultaten van Hersenwerk 2002. Een decennium extra aandacht voor de hersenen heeft allereerst meer geld opgeleverd voor wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is er ook een samenwerking tot stand gekomen tussen patiëntenverenigingen. Ondanks dat patiëntenverenigingen in de eerste plaats betrokken zijn bij één bepaalde aandoening, zoals Alzheimer of Parkinson, kunnen ze wel technieken van elkaar overnemen, bijvoorbeeld hoe ze lotgenoten bereiken.

Neuro- en biopsycholoog Jolles is vanaf het begin betrokken geweest bij Hersenwerk 2002, onder andere als lid van de werkgroep Wetenschap. Volgens Jolles is een groot winstpunt van het hersendecennium het feit dat mensen hersenen niet meer zo eng vinden. “Rond 1996 merkte ik voor het eerst bij studenten een grote belangstelling voor de relatie tussen hersenen en gedrag. Tien of twintig jaar eerder kreeg je met dat thema rotte tomaten naar je hoofd. Nu is het ineens wel bespreekbaar.”

Verliefdheid

Volgens Jolles zijn er twee belangrijke trends die in het afgelopen decennium hebben bijgedragen aan een veranderde kijk op de hersenen. Allereerst is er de neuro-imaging, het scannen van het brein, waardoor wetenschappers voor het eerst het brein aan het werk konden zien. Scantechnieken kwamen op vanaf begin jaren negentig. “Dit heeft een ware revolutie ontketend”, zegt Jolles. “Tot tien jaar geleden zagen mensen de hersenen als een kwabachtige, glibberige structuur met bloedvaten. Dat riep een angstig beeld op. Nu we met scans de hersenen als een levend orgaan in actie zien, verdwijnt ook langzamerhand die angst. Op hersenscans zien we welke delen actief zijn als we verliefd zijn, als we spreken, als we naar muziek luisteren, enzovoort. Normale, dagelijkse functies verschijnen als gekleurde stipjes op de hersenfoto’s. Mensen zien dat in kranten en tijdschriften.”

De hersenen zijn meer aaibaar geworden.

Dat mensen anders tegen hersenen aankijken blijkt bijvoorbeeld uit de houding tegenover depressie. Jolles: “Het kan best zijn dat iemand depressief wordt omdat hij niet kan omgaan met alledaagse problemen. Maar het niet kunnen omgaan met die alledaagse problemen kan komen doordat zijn hersenen snel overvoerd raken. Het is nu veel duidelijker dat hersenmechanismen een rol spelen bij depressie. Daarmee daalt ook de weerstand tegen geneesmiddelen om met een depressie om te gaan. Vroeger hoorde je eerder: ach, stel je niet aan. Nu weten we in ieder geval dat je veel moeilijker kunt spreken over alleen een fysieke oorzaak in het brein, of alleen een sociaal-psychologische oorzaak over het omgaan met problemen. Het gaat zowel om hersenen, als om gedrag en beleving. Dit bewijst de noodzaak van multidisciplinair onderzoek.”

Ook Van Ree vindt dat er op dit gebied veel is gewonnen. “Maar we zijn er nog niet. Een sollicitant zal tijdens een sollicitatiegesprek nog steeds niet makkelijk zeggen dat hij een depressie heeft gehad.”

Een tweede belangrijke wetenschappelijke ontwikkeling uit het afgelopen decennium is de genetica, zegt neuro- en biopsycholoog Jolles. “Weliswaar weten we nog maar weinig van de relatie tussen genen en hersenziekten, maar dat er verbanden bestaan is duidelijk. Aan de ene kant trekken mediaberichten vaak té verstrekkende conclusies, zoals ‘hét gen voor Alzheimer’, of ‘hét gen voor agressie’. De ziekte van Alzheimer wordt echter maar bij minder dan een half procent van de patiënten bepaald door een genetisch defect. Agressie ontstaat bijna altijd uit een ingewikkeld samenspel van meerdere genen, plus omgeving en opvoeding. Aan de andere kant hebben deze berichten mensen wel nieuwsgierig gemaakt naar de invloed van de hersenen.”

Een neveneffect van het hersendecennium is dat de media zoveel meer aandacht dan vroeger hebben geschonken aan het onderwerp, zegt Jolles. “Het is net als in de reclamewereld. Als mensen maar vaak genoeg over hersenen horen of lezen, blijft er altijd wel wat van hangen.”

Over de grenzen heen

Vóór de tijd van de hersenscans, dus voor de jaren negentig, wisten wetenschappers weliswaar veel over de globale structuur van de hersenen, maar dan toch vooral op monodisciplinair gebied. Een groot winstpunt is dat de diverse hersenwetenschappers inmiddels sterk multidisciplinair werken, zegt de Maastrichtse hoogleraar Jolles. De belangrijke projecten van nu overbruggen de grenzen van de diverse hersendisciplines en bestuderen bijvoorbeeld de relatie tussen genetische en moleculaire aspecten. Moleculair-biologen houden zich nu ook bezig met schizofrenie of met ontwikkelingsstoornissen, met agressie of met geheugen.

Terwijl men vroeger dacht dat functies een bepaalde plek hadden, laten hersenafbeeldingen nu zien dat functies niet strikt zijn gelokaliseerd. Het gaat altijd om grotere netwerken van hersencellen. Neem bijvoorbeeld een gebiedje rechtsachter in de hersenen, dat belangrijk is bij de gezichtsherkenning. Als dat deel kapot is door een ongeluk, kan het best zijn dat de resterende delen van het neuronale circuit nog in staat zijn tot een vorm van gezichtsherkenning.

Als de eigenaar van een stel hersenen woorden leest of hoort, worden verschillende delen van de hersenen actief. bron: Marcus E. Raichle, Washington University School of Medecine in St. Louis

Sleutel op het slot

Wat betreft de wetenschappelijke ontwikkelingen in de komende tien jaar, ziet de Maastrichtse hoogleraar een belangrijke rol weggelegd voor de neurotransmitters, de honderden verschillende chemische stoffen die samen met elektrische prikkels zorgen voor de communicatie tussen hersencellen.

De biologische psychiatrie heeft lang volledig autonoom gewerkt, zegt Jolles. Psychiaters werkten met pillen tegen bijvoorbeeld schizofrenie of depressie, zonder dat er een mogelijkheid was om te zien wat die medicijnen precies in het brein deden. In het laatste decennium versmelt de biologische psychiatrie met de afbeeldingstechnieken. Hersenscans verdiepen het inzicht in waar chemische stofjes in het brein gaan zitten en welke rol ze spelen in iemands gedrag.

Een neurotransmitter kan op een receptor aan een celmembraan gaan zitten, zoals een sleutel op een slot past. De cel moet vervolgens het werk doen, maar de neurotransmitter maakt dat karwei mogelijk. Jolles: “Tien jaar geleden dacht men dat marihuana, cannabis of nicotine geen direct effect hadden op het brein. Nu weten we zeker dat deze stoffen het brein beïnvloeden. Een recent inzicht is dat de hersenen een lichaamseigen cannabisreceptor hebben. Waarschijnlijk dient het als onderdeel van ons angstreductiesysteem waarbij cannabisachtige stoffen onze angst onderdrukken. Evolutionair gezien is dat een belangrijk overlevingsmechanisme. Wie langdurig angstig blijft nadat hij is aangevallen, komt bijvoorbeeld niet aan eten toe.”

Gemiste kans

Vooruitkijkend, denkt Jolles dat er in onderzoek en voorlichting meer aandacht moet komen voor gezonde hersenfuncties. “In de afgelopen tien jaar lag de nadruk op hersenziekten. Dat is een nobel doel waarmee we zeker moeten doorgaan, maar om nog meer mensen te doordringen van het belang van het brein, is het goed om te laten zien hoezeer de hersenen ons hele doen en laten bepalen. Hersenwetenschappers moeten ook uitstralen dat hersenen spannend zijn.”

Jolles wil graag nadenken over hoe jongeren warm zijn te krijgen voor het thema hersenen. Jongeren zijn bijvoorbeeld zeer geïnteresseerd in welke effecten middelen als XTC, marihuana, of een cafeïnehoudend drankje als Red Bull hebben. Of denk aan middelen waarmee ze tentamens beter kunnen maken, concentratiemiddelen. “Het is een absoluut gemiste kans dat middelbare scholen geen aandacht schenken aan hersenen en gedrag, in ieder geval niet verplicht. Het thema hersenen raakt aan alle profielen op de middelbare school.”

“Met de structuur van de tweede fase, krijgen kinderen op de vierde klas middelbare school veel meer vrijheid dan ooit te voren”, zegt de neuro- en biopsycholoog. “Ik vraag me als hersenwetenschapper af of dat een goede beslissing is. Er zijn veel aanwijzingen dat het brein van kinderen op die leeftijd meer sturing nodig heeft dan nu vaak wordt gedacht. Kinderen zijn nog niet in staat om de verschillende gedragsmogelijkheden te overwegen, en vervolgens díe keuze voor gedrag te maken die optimaal recht doet aan de eisen die de omgeving stelt. Ook al omdat ze nog weinig hebben meegemaakt kunnen ze niet uit ervaring kiezen over wat voor hen belangrijk is. Dat is de rol van de omgeving, in het bijzonder de ouders en het schoolsysteem.”

Veel wetenschappelijke literatuur toont dat sommige hersendelen pas na het twintigste levensjaar tot volledig wasdom komen. Het aantal hersencellen, zo’n honderd miljard, ligt vast bij de geboorte. Alleen zijn er nog nauwelijks andere verbindingen dan de noodzakelijke connecties voor de meest basale overlevingsfuncties. Tot het derde levensjaar worden vervolgens de meeste verbindingen tussen hersencellen gelegd. Bepaalde gebieden slapen echter tot het begin van de pubertijd en worden pas wakker bij de productie van de geslachtshormonen.

Maar het brein rijpt tot in de volwassenheid, vertelt Jolles. Delen van de zogeheten prefrontale cortex, in het voorhoofd, rijpen het laatst. Bij jongens duurt dat zelfs langer dan bij meisjes. Bij meisjes is het brein klaar ongeveer tussen het 18e en 20e levensjaar, bij jongens pas tussen het 23e en 25e. Het gaat hier om delen die zich bezighouden met planning en overzicht houden. Dit zijn overigens ook de delen die weer het eerst achteruitgaan bij veroudering.

Eeuwig leren

Leren, geheugen en taal zijn andere onderwerpen die iedereen aangaan en die de toekomstige publieksvoorlichting meer kan inzetten. Jolles: “We kunnen een groter publiek bereiken als we het ook hebben over waar gezonde mensen baat bij hebben. Ziekten kunnen we en passant meenemen. We kunnen veel winnen door de hersenwetenschappen te laten aansluiten bij de wetenschap van het leren. Op dit terrein gebeurt veel onderzoek. Het doel is dan om het leren bij kinderen en volwassenen te verbeteren.”

Een belangrijk onderwerp is bijvoorbeeld het autorijden door bejaarden en hoogbejaarden. Helaas verslechtert bij ouderen de reactiesnelheid en het overzicht over snel veranderende situaties. Zo iemand is een gevaar op de weg voor zichzelf en anderen, en moet stoppen met autorijden. Dit is eigenlijk een heel moeilijke beslissing omdat ouderen die auto vaak nodig hebben om niet in een sociaal isolement te komen. Dit is een beleidsrelevant onderwerp waarin cognitieve neurowetenschap in de komende jaren een goede rol kan spelen.

Ook kunnen hersenwetenschappers een rol spelen bij de discussie over gebruik van stoffen zoals marihuana als geneesmiddel. Marihuana kan in potentie een belangrijke rol spelen bij mensen met chronische pijn of met een psychiatrisch ziektebeeld, zegt Jolles, maar er rust nog steeds een taboe op dat onderwerp.

Karakterverandering

Een van de eindconclusies uit het eindrapport over Hersenwerk 2002 luidt dat het moeilijk blijft om de boodschap te verkopen aan een breed publiek. Alhoewel er al veel is verbeterd, zoals Jolles en Van Ree beamen, worden hersenaandoeningen toch nog te vaak als eng gezien. Een extra complicatie is dat er zoveel verschillende hersenaandoeningen bestaan, met allemaal specifieke lichamelijke en psychische ongemakken.

René Prop is stafmedewerker patiëntenverenigingen van de Hersenstichting Nederland. Hij zegt dat de grote verscheidenheid aan hersenaandoeningen het moeilijker maakt een eenduidige boodschap aan het publiek over te brengen dan bijvoorbeeld hart- en vaatziekten of nieraandoeningen. “Aan de andere kant is het wel zo”, zegt Prop, “dat er nu veel meer dan tien jaar geleden verbanden worden gelegd tussen de diverse hersenaandoeningen. Neem Parkinson en depressie. Die kunnen iets met elkaar te maken hebben, zie het voorbeeld van prins Claus.”

De Hersenstichting bracht eind oktober een brochure uit over karakterverandering. “Dat is een voorbeeld van iets wat bij veel hersenaandoeningen voorkomt”, zegt Prop. “Dagelijks bellen er mensen met soms schokkende verhalen. Bijvoorbeeld het verhaal van de voorheen zorgzame huisvader die als schilder werkt en zich steeds agressiever binnen het gezin ging gedragen. Hier gaat het om toxische verfbestanddelen die via de hersenen zijn hele persoonlijkheid beïnvloeden: de zogeheten ‘schildersziekte’” Prop zegt ook dat het makkelijker is om een boodschap over harde neurologische aandoeningen te verkopen, dan over psychiatrische aandoeningen. Ook hier valt nog veel te winnen.

Een groot deel van de mensen met een hersenaandoening heeft chronisch last. Patiënten die een hersenbloeding krijgen en daarna nog dertig jaar leven, behoren tot een vergeten groep waar nauwelijks aandacht voor is. Jolles: "Het is makkelijk voor een regering om op die groepen het eerste te bezuinigen. Ze kosten veel geld, maar dragen economisch niet meer bij. De hartstichting heeft onder andere zoveel geld omdat er veel goedverdienende managers zijn die daar geld aan geven. Het gaat dan vaak om managers met een on

Meer informatie

De Hersenstichting Nederland geeft veel brochures uit, waarvan een aantal specifiek voor het onderwijs: Hersenaandoeningen en onderwijs en Letters op de snelweg – een boekje over dyslexie. Eind oktober verscheen het meeste recente boekje: Zorgwijzer Karakterverandering, over karakterveranderingen die bij veel hersenaandoeningen kunnen optreden.

Veranderde kijk op hersenen

In de jaren zestig en zeventig rustte er een taboe op de biologische component van menselijk gedrag. Sinds de jaren negentig laten hersenscantechnieken echter duidelijk zien dat de biologische component een belangrijke rol speelt. Dat is een groot winstpunt. Gedrag wordt in de meeste gevallen bepaald door een ingewikkelde combinatie van opvoeding, omgeving, genen en hersenen.

Een paar decennia geleden werden psychiaters nog opgeleid met het idee dat autisme (onvermogen om gevoelens, meningen en kennis met anderen te delen) werd veroorzaakt door de ‘ijskastmoeder’. Inmiddels weten we honderd procent zeker dat het daar niets mee te maken heeft. Autisme is een biologisch bepaalde stoornis. Menig moeder is vroeger dus ongelofelijk veel leed aangedaan.

Freuds droomtheorieën zijn grotendeels achterhaald met alle huidige kennis van onze hersenen en van dromen. Ook de Freudiaanse verklaringen voor het syndroom van Gilles de la Tourette (“zie je wel, de woede moet eruit. Er zit een diepere oorzaak achter.”) en voor patiënten met fobieën zijn volledig onjuist. Bij Tourette is het putamen overactief. Dit deel is normaal verantwoordelijk voor het in stand houden van automatische bewegingen, zoals bijvoorbeeld fietsen.

ADHD (aandachtstekort met hyperactiviteit, dat geregeld bij kinderen voorkomt) werd lang toegeschreven aan een slechte opvoeding, maar is een duidelijk activiteitentekort in de rechterhersenhelft. Het medicijn retaline biedt in veel gevallen tegenwoordig een redelijke behandeling.

Gemiddeld gesproken treffen geestesziekten als schizofrenie, ernstige depressie, manie en manische-depressie zo’n twee procent van een samenleving. We weten inmiddels dat daar een genetische component achter zit. Dat volgt bijvoorbeeld uit onderzoek naar kinderen die in een gezonde familie zijn geadopteerd, maar die de genen hebben van een familie waarin schizofrenie voorkomt.

Man-vrouw-verschillen in de hersenen

Al in de moederbuik ontwikkelen hersenen zich in een mannelijke of een vrouwelijke richting. Dat leidt tot een andere hormoonhuishouding, een andere interactie tussen hormonen en hersenen en uiteindelijk tot een verschil in interactie met de maatschappij. Die man-vrouw-verschillen openbaren zich al op heel jonge leeftijd, ook bij gelijke opvoeding.

Mannen zijn gemiddeld gesproken agressiever dan vrouwen. Al op jonge leeftijd zijn jongens eerder bezig met wat ruwere spellen en meisjes meer verzorgend. Gemiddeld doen mannen het beter in ruimtelijke taken, wiskundig redeneren, routes vinden en bewegingen gericht op een bepaald ruimtelijk doel. Vrouwen zijn gemiddeld beter in het zich herinneren van woorden, taalvaardigheden in het algemeen, rekenen en fijne motoriek. Hormonale beïnvloeding tijdens de kritieke fase blijkt trouwens mannelijk in vrouwelijk gedrag te kunnen veranderen en andersom.

Autisme komt viermaal zoveel voor bij mannen dan bij vrouwen. Het syndroom van Asperger (een vorm van autisme zonder andere handicap) komt zelfs negenmaal zoveel voor bij mannen. Daarentegen vallen vrouwen eerder ten prooi aan depressies. Mannen verliezen hun hersenweefsel eerder dan vrouwen en de totale hoeveelheid verloren weefsel is ook groter.

Meer weten over Bennie Mols:

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 december 2002

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.