Je leest:

Wie bedenkt nou zoiets?!

Wie bedenkt nou zoiets?!

Auteur: | 1 juni 2012

Eigenlijk is het niet objectief vast te stellen of de Nederlandse Norm Gezond Bewegen en de fitnorm wel werken. Ze zijn opgesteld door een panel van experts waar vervolgens in een breed kader overeenstemming over is gekomen.

Dat panel van experts van universiteiten, RIVM, TNO en NOC*NSF heeft zijn voorstel weliswaar gedaan op basis van internationaal geldende aanbevelingen en normen voor gezond lichamelijke activiteit, maar ook die zijn weer voornamelijk gestoeld op zogenoemde ‘expert-opinies’.

Het probleem zit hem in de wetenschap: het is vrijwel onmogelijk om met onderzoek na te gaan hoeveel lichaamsbeweging je minimaal nodig hebt om gezond te zijn. Het meest betrouwbare onderzoek dat je hiervoor kunt doen is het eerder genoemde gerandomiseerde onderzoek (RCT, zie hoofdstuk 1). Daarbij zou je een groep deelnemers een bepaalde tijdsperiode moeten laten bewegen en een andere vergelijkbare groep moet niet of op zijn minst veel minder bewegen. Nog los van de ethische bezwaren is zo’n experimenteel onderzoek niet uit te voeren. De deelnemers zullen zich nooit precies aan de voorgeschreven hoeveelheid activiteit (kunnen) houden en nog belangrijker: de positieve of negatieve gevolgen zullen pas jaren later te bepalen zijn.

De helft van de jongeren voldoet aan de gecombineerde norm voor fitheid en beweging.
Roel Burgler / B en U

De belangrijkste bron van informatie over de relatie tussen de mate van bewegen en de gezondheid blijven de zogenaamde cohortstudies. In de Verenigde Staten bestaan een paar grote cohorten van duizenden deelnemers die over lange tijd – soms zelfs een leven lang – zijn gevolgd. Van deze mensen is door de tijd heen het beweegpatroon bijgehouden en zijn gezondheidsmaten bepaald. Op deze manier is bij benadering een relatie tussen bewegen en gezondheid vastgesteld.

Het opstellen van richtlijnen en normen is uiteindelijk vooral een proces van gezond redeneren en overeenstemming bereiken tussen deskundigen. In dat proces ontstaat altijd wel kritiek op de geldende normen. Hoe hard is bijvoorbeeld die grens van 30 minuten bewegen voor volwassenen of 60 minuten voor jongeren? Er gaan ook stemmen op om niet te streven naar een activiteitendrempel waarboven gezondheidseffecten optreden, maar naar een advies dat de nadruk legt op toename van lichaamsbeweging voor iedereen. Dat zou dus gelden voor mensen die nauwelijks matig intensief actief zijn, maar net zo goed voor mensen die wél normactief zijn. Hoe meer beweging hoe beter, al zit ook daar een grens aan. Bij een toename in activiteit is er ook een toename in het risico op blessures. Waar die grens precies ligt, daar is waarschijnlijk nog een cahier over vol te bediscussiëren.

De waarde van beweging

Vandaag de dag wordt alles liefst in keiharde euro’s uitgedrukt: okay, bewegen is gezond, maar levert het ook wat op? Het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) stelt dat de kosten van ziekte met maar liefst 1 miljard euro per jaar zouden kunnen dalen als alle werknemers aan de fitnorm zouden voldoen. Tegelijk hebben sport en bewegen nog veel meer waarden zegt het NISB: maatschappelijke waarden.

Het Verwey-Jonker Instituut (een onderzoeksinstituut op het gebied van sociaal-maatschappelijke thema’s) heeft de wetenschappelijke literatuur geanalyseerd op de effecten van sport op het gebied van gezondheid, sociale cohesie, gedragsverandering, schoolprestaties en economisch rendement. Volgens de onderzoekers laat de literatuur zien dat jongeren door sport hun vaardigheden oefenen voor zelfreflectie en zelfregulering, wat belangrijke vaardigheden zijn die ook schoolprestaties kunnen beinvloeden. Individuele sporten leiden tot meer zelfvertrouwen van de deelnemers in individuele taken, teamsporten tot meer gevoel van controle over relaties. Er zijn ook aanwijzingen dat bij toename van sportdeelname het probleemgedrag vermindert. Nederlands onderzoek laat verder zien dat openbare sportplekken een belangrijke buurtfunctie hebben en sportdeelname blijkt ook samen te gaan met een groter vertrouwen in medeburgers en de politiek. Daarnaast voelen leden van een sportvereniging zich prettiger dan mensen die geen lid zijn van een sportvereniging. Let wel: het gaat in al deze gevallen ‘slechts’ om statistische verbanden, dus niet per se om een hard, oorzakelijk verband.

Wil je de waarde van sport dan toch in euro’s uitdrukken, dan biedt onder andere het Economic Development Board Rotterdam (EDBR) een handvat. In 2010 liet dat EDBR onderzoek doen naar de maatschappelijke effecten van sport en bewegen voor de stad Rotterdam. Het EDBR concludeerde dat sport indirect bijna 500 miljoen euro per jaar oplevert, alleen al in Rotterdam. Dat zou dan komen doordat sport leidt tot een betere gezondheid van Rotterdammers, minder ziekteverzuim, betere schoolprestaties van kinderen en meer sociale cohesie. Of deze bedragen ooit echt hard te maken zijn? Dat zal niet eenvoudig worden. Maar welbevinden, geluk, gezondheid en leefbaarheid zijn ook wat waard, al is dat nooit in euro’s uit te drukken.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 juni 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.