Je leest:

Werkwoord langer actief in de hersenen

Werkwoord langer actief in de hersenen

Auteur: | 25 januari 2007

Promotieonderzoek van Dieuwke de Goede (RUG) toont aan dat werkwoorden en zelfstandige naamwoorden op een verschillende manier verwerkt worden in de hersenen. De betekenis van werkwoorden is meer verweven met de rest van de zin dan die van zelfstandige naamwoorden, wat resulteert in een langere verwerking in de hersenen. De Goede promoveert op 25 januari.

Onze hersenen hebben meer moeite met het verwerken van werkwoorden dan met andere woorden in de zin. Dit blijkt onder andere uit onderzoek waarbij oogbewegingen gemeten worden. Het oog blijft in dit soort onderzoek gemiddeld langer op het werkwoord ‘hangen’. Dit effect is nu ook aangetoond met reactietijdenonderzoek. Dieuwke de Goede deed onderzoek naar de activiteit in de hersenen bij het horen en begrijpen van Nederlandse samengestelde zinnen. Zij promoveert op 25 januari aan de Rijksuniversiteit Groningen op dit onderwerp.

Latere verwerving

In psycho- en neurolinguïstisch onderzoek werd al eerder het verschil tussen de verwerking van werkwoorden en zelfstandig naamwoorden in de hersenen aangetoond. Werkwoorden zijn moeilijker te onthouden dan zelfstandig naamwoorden; in kindertaal worden werkwoorden later aangeleerd en mensen met taalstoornissen hebben vaak meer problemen met werkwoorden dan zelfstandig naamwoorden. In het onderzoek van De Goede werden werkwoorden en zelfstandige naamwoorden vergeleken door de hersenactiviteit van de proefpersonen te meten.

Prime time

De test die de proefpersonen in dit onderzoek ondergingen is gebaseerd op het zogenaamde priming-effect. Dit werkt als volgt: proefpersonen zitten achter een computer en luisteren naar zinnen die worden afgespeeld via een koptelefoon. Op een bepaald punt in de zin wordt op het beeldscherm een reeks letters getoond waarvan de proefpersoon moet beoordelen of het wel of niet een bestaand Nederlands woord is. De proefpersoon krijgt twee typen woorden aangeboden, woorden die wel en woorden die niet gerelateerd zijn aan een woord in de zin (of: prime).

Betekenisveld

Stel: de proefpersoon krijgt een zin te horen waarin het woord ZEE voorkomt, en krijgt even later op het beeldscherm het woord STRAND te zien. In dit geval zal de proefpersoon het woord vrij snel herkennen als bestaand Nederlands woord, omdat het valt binnen het betekenisveld van ZEE dat reeds eerder in de hersenen werd geactiveerd. Wanneer een woord wordt geactiveerd in de hersenen brengt het namelijk een heel netwerk van gerelateerde betekenissen met zich mee. Als bij het horen van dezelfde zin het woord STRUIK wordt getoond op het beeldscherm, zal de proefpersoon iets meer reactietijd nodig hebben om dit woord te herkennen.

(1) Sam is een dagje naar ZEE (1) gegaan om te zwemmen (2), maar (3) hij heeft zijn zwembroek (4) thuis laten liggen.

Aan de hand van het priming-effect kun je vervolgens meten hoelang een woord actief is in de hersenen. In zin 1 is ZEE de prime; het testwoord STRAND kan op verschillende momenten op het beeldscherm verschijnen. Wanneer op alle testmomenten (1 tot en met 4) de reactietijd op het woord STRAND korter is dan de reactietijd op het woord STRUIK, betekent dit dat op elk moment het woord ZEE nog geactiveerd is in de hersenen.

Betekenisontlening

Uit het onderzoek van De Goede bleek dat er een verschil in hersenactiviteit was voor werkwoorden en zelfstandig naamwoorden. Bij werkwoorden trad het priming-effect langer op, dat wil zeggen dat werkwoorden langer werden opgelicht in de hersenen. Het priming-effect verdween echter in de bijzin (positie 3 en 4). Een verklaring hiervoor is dat werkwoorden hun betekenis deels ontlenen aan hun onderwerp en/of lijdend voorwerp. De volledige betekenis is pas duidelijk als ook het onderwerp en/of het lijdend voorwerp geactiveerd zijn. Zelfs bij een bijwoordelijke bepaling bleef het werkwoord nog geactiveerd. Zie bijvoorbeeld de volgende zin.

(2) De tienermeisjes HUREN (1) knalroze fietsen (2) tijdens hun weekendje Amsterdam (3), omdat (4) ze niet willen opvallen.

Het werkwoord HUREN wordt pas volledig begrepen wanneer duidelijk is wie huurt, wat gehuurd wordt en waar en wanneer (positie 3). Dit verklaart waarom het werkwoord langer actief blijft in de hersenen dan de zelfstandige naamwoorden TIENERMEISJES of FIETSEN. Terwijl de activiteit van zelfstandig naamwoorden vrij snel verdwenen is, in zin 1 ongeveer bij positie 2, blijft de activiteit van werkwoorden veel langer aanwezig. Het werkwoord blijkt in het Nederlands altijd geactiveerd te zijn tot aan het einde van de hoofdzin. Ook wanneer deze onderbroken wordt door een bijzin blijft het effect voortduren tijdens het vervolg van de hoofdzin.

Met het onderzoek is dus opnieuw aangetoond dat werkwoorden en zelfstandig naamwoorden op een verschillende manier verwerkt worden door de hersenen. De betekenis van werkwoorden is meer verweven met de rest van de zin dan die van zelfstandige naamwoorden wat resulteert in een langere verwerking in de hersenen.

Dieuwke de Goede (Dwingeloo 1976) voerde haar door NWO gefinancierde onderzoek uit bij de onderzoeksgroep Neurolinguïstiek van de RUG. Per januari 2007 is zij werkzaam als beleidsmedewerker Maatschappij- en Gedragswetenschappen bij NWO (Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek).

zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 25 januari 2007
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.