Je leest:

Wereldrecord fast-food

Wereldrecord fast-food

Kleine zwanen kunnen hun zich alleen aan hun strakke reisplanning houden door razendsnel te doorzien waar eten in de bodem van meertjes zit verstopt. ‘Zonder dat ruimtelijke inzicht zou succesvol broeden onmogelijk zijn’, stelt Raymond Klaassen van het NIOO.

Trekkende zwanen komen alléén op tijd aan in hun broedgebied, doordat ze snel doorzien hoe voedsel bij de ‘tankstations’ onderweg is verspreid. Zo sporen ze hun kluitjes energierijke knolletjes in de bodem van meren veel sneller op. ‘Zonder dat ruimtelijke inzicht zou succesvol broeden onmogelijk zijn’, stelt Raymond Klaassen van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW). Hij promoveert vrijdag 7 juli in Groningen op de wiskundekno(bbe)l van de gehaaste kleine zwaan.

Alsof de frietjes niet keurig in een bakje klaar liggen, maar verspreid over een pikdonkere snackbar. Zo ongeveer ervaren kleine zwanen hun zoektocht naar voedsel tijdens hun jaarlijkse energievretende voorjaars- en najaarstrek. Alleen een ‘snelheidsrecord snacken’ brengt hen op tijd op hun broedplek. Als een kleine zwaan bijvoorbeeld 50 % sneller kan eten onderweg, kan hij wel 38 % sneller trekken.

Een kleine zwaan trappelt met zijn voeten kuilen in de bodem zodat hij de daarin verborgen zittende wortelknolletjes van het schedefonteinkruid kan bereiken. Na een periode van exploitatie van een fonteinkruidveld ziet de bodem eruit als een maanlandschap. bron: NIOO.

Hoe tank je je zo snel mogelijk vol? Door slim gebruik te maken van het ruimtelijke patroon in de verspreiding van je voedsel. De knolletjes van de waterplant schedefonteinkruid – het zwanenvoedsel – komen namelijk ‘geklonterd’ voor. Als kleine zwanen op een hogere dichtheid aan verborgen knolletjes (of ‘wateraardappels’) in de bodem van een meer stuiten, dan blijven ze heel strategisch langer zoeken in de directe omgeving ontdekte Raymond Klaassen van het NIOO. Dit levert de zwanen een groot voordeel op, omdat ze door die zoekstrategie hun reis sneller kunnen volbrengen. Klaassen: ‘We kunnen zelfs stellen dat de kleine zwanensoort niet kan overleven in een wereld zonder ruimtelijk patroon in de verspreiding van zijn voedsel, in een homogene wereld dus waar de knolletjes niet in groepjes voorkomen.’

Raymond Klaassen gebruikt een theodoliet, een apparaat dat normaliter gebruikt wordt in bijvoorbeeld de wegenbouw, om de precieze route te meten die een kleine zwaan door een fonteinkruidveld aflegt. bron: NIOO Klik op de afbeelding voor een grotere versie.

Kleine zwanen ( Cygnus columbianus bewickii) hebben haast. In tegenstelling tot hun familielid de knobbelzwaan is deze soort een echte trekvogel. Vanuit West-Europa, en voornamelijk Nederland, vliegen ze in het voorjaar naar hun broedgebieden in Noord-Rusland. Na 3500 kilometer reizen kunnen ze niet op hun lauweren rusten. Ze moeten namelijk meteen aan de slag, of aan de leg eigenlijk. Van de 120 ijsvrije dagen hebben ze er ten minste 110 nodig om succesvol te kunnen broeden. Verder moeten ze bij de herfsttrek oppassen om niet ingehaald te worden door de winter.

Om Noord-Rusland en hun strakke planning te halen moeten de kleine zwanen onderweg een paar keer bijtanken. Dit doen ze vrijwel uitsluitend op ondiepe meren met de energierijke knolletjes van schedefonteinkruid in de bodem. Het helpt als ze bij deze ‘tankstations’ sneller kunnen eten, omdat ze dan hun reis sneller kunnen voltooien en omdat ze dan een grotere voorraad lichaamsvet naar het broedgebied kunnen meenemen. Het voedsel zit helaas verborgen in de bodem van de meren en blijkt volgens het onderzoek grote verschillen in dichtheid te vertonen: op de ene plek zit niks, op een andere plek is het een rijk gedekte tafel.

Hier worden de dichtheden aan wortelknolletjes van het schedefonteinkruid bepaald in een plotje van 10 × 10 meter (100 vierkante meter). Hiermee konden de onderzoekers patronen in de verspreiding van het voedsel van de kleine zwaan in kaart brengen. bron: NIOO.

In het Lauwersmeer schotelden Klaassen en zijn collega’s de zwanen een paar verschillende voedselpatronen voor. Ze ontdekten dat zwanen hun gedrag aanpassen aan de ervaringen tijdens het voedsel zoeken, om maar zo snel mogelijk te kunnen ‘opvetten’. Hierdoor concentreren ze hun inspanningen op plekken met veel voedsel en ontwijken ze plekken met weinig voedsel. Dit levert zo’n 40% hogere ‘eetsnelheid’ op. In een aanvullende proef met wilde eenden (die zijn wat makkelijker in te schakelen dan zwanen) toonden de biologen ook aan dat de watervogels eerdere ervaringen met ruimtelijke patronen in het voedsel gebruiken om een plek sneller op waarde te kunnen schatten. Dit leervermogen levert nog eens een paar procenten extra ‘eetversnelling’ op bij ervaren dieren.

Dit artikel is een persbericht van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek (NIOO).

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW).
© Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 11 juli 2006
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.