Je leest:

Weinig toezicht op beroepsverboden

Weinig toezicht op beroepsverboden

Auteur: | 8 april 2010

Zedendelinquenten zijn tegenwoordig veel in het nieuws. Moeten zij na hun straf weer kunnen terugkeren in hun oude buurt? Moet hun verboden worden om in de nabijheid te komen van hun slachtoffers? Moeten zij weer hun oude beroep kunnen beoefenen? Om te voorkómen dat een veroordeelde zedendelinquent weer als leraar of fysiotherapeut aan de slag gaat, kan de strafrechter een ‘ontzetting uit het beroep of uit ambt’ opleggen. Dit wordt ook wel ‘beroepsverbod’ genoemd. Veel toezicht is hier echter niet op.

De minister van Justitie wil dat rechters beroepsverboden in de toekomst bij meer soorten delicten kunnen opleggen, zoals bijvoorbeeld bij haatzaaien, criminaliteit door bestuurders van bedrijven en bij mensen die ambtenaren hebben omgekocht. Daarom heeft hij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving opdracht gegeven om te onderzoeken of en hoe het beroepsverbod op dit moment wordt opgelegd, en hoe rechters en officieren van justitie over het verbod denken. De resultaten verschenen onlangs in het boek Beroepsverboden in Nederland.

Met een beroepsverbod mag iemand niet meer in hetzelfde beroep werken, bijvoorbeeld als leraar of sportinstructeur.

Vooral opgelegd bij aanranders en fraudeurs

Strafrechtelijke beroepsverboden worden niet vaak opgelegd: sinds 1995 ongeveer 123 keer, zo blijkt uit het onderzoek. Bij een beroepsverbod mag de veroordeelde 2 tot 5 jaar zijn beroep niet uitoefenen. Beroepsverboden kunnen bij veel soorten delicten worden opgelegd, maar meestal gebeurt dit in zedenzaken en in fraudezaken. Aan leraren worden de meeste beroepsverboden opgelegd. Bijna een kwart van alle personen aan wie een beroepsverbod is opgelegd is leraar. Daarnaast gaat het om artsen, fysiotherapeuten en andere soorten therapeuten. De slachtoffers bij de zedenzaken zijn vaak kwetsbaar. Zij zijn bijvoorbeeld minderjarig, gehandicapt, of afhankelijk van de verdachte. De fraudedelicten waarvoor een beroepsverbod is opgelegd, zijn meestal gepleegd door advocaten, boekhouders, verzekeraars en tussenpersonen.

Doel van beroepsverboden

Met een beroepsverbod willen rechters en officieren van justitie voorkómen dat iemand in het kader van zijn beroep of ambt opnieuw de fout ingaat, zo blijkt uit de interviews met rechters en officieren van justitie. Bescherming van mogelijke slachtoffers staat dus voorop. Als blijkt dat de verdachte geen inzicht heeft in zijn eigen (verkeerde) gedrag, kan dit ook een reden zijn voor rechters om een beroepsverbod op te leggen. Volgens rechters en officieren van justitie is het beroepsverbod een zware straf. Immers, de veroordeelde wordt ‘het brood uit de mond gestoten’ omdat hij een tijdlang zijn beroep niet kan uitoefenen.

Beroepsverboden kunnen maximaal 5 jaar duren. Veel officieren van justitie en rechters vinden dat te kort. Sommigen vinden zelfs dat beroepsverboden levenslang moeten kunnen duren.

Daders die al een strafblad hebben, krijgen sneller een beroepsverbod dan first offenders. Als daders al eerder de fout zijn ingegaan, denken rechters waarschijnlijk dat de kans groot is dat dat nog een keer gebeurt. Zeker bij zedenzaken krijgen de daders dan sneller een beroepsverbod. Daar wordt het voorkómen van recidive belangrijker gevonden dan bij fraudezaken.

In andere Europese landen bestaan ook beroepsverboden. Die wijken nogal af van wat gebruikelijk is in Nederland. In Frankrijk en België worden beroepsverboden frequent toegepast, veel vaker dan in Nederland. In de landen rondom Nederland worden beroepsverboden soms breed geformuleerd: het werken met kinderen, verboden om op bepaalde plaatsen te komen, uitsluiting uit de handel of de horeca. In België en Engeland komen verplichte beroepsverboden voor. In sommige landen kan een beroepsverbod levenslang duren.

Weinig controle

Uit het onderzoek blijkt dat er weinig controle is op de naleving van de door de strafrechter opgelegde beroepsverboden. De registraties schieten op dit punt tekort. Controle op beroepsverboden vindt vrijwel niet plaats. Het Openbaar Ministerie houdt nauwelijks toezicht en weet dus ook niet of de veroordeelden zich aan het beroepsverbod houden. Geïnterviewde rechters en officieren van justitie twijfelden er dan ook aan of ze altijd worden nageleefd. Zij kenden gevallen waarin veroordeelden weer in hetzelfde beroep aan de slag gingen, omdat niet bekend is dat zij een beroepsverbod hebben. Soms verhuizen therapeuten bijvoorbeeld naar een ander deel van het land en beginnen daar weer een nieuwe praktijk.

Er zijn alternatieven voor het beroepsverbod: Verklaringen omtrent het Gedrag (VoG) en het tuchtrecht. Hoewel deze alternatieven vaker gebruikt worden en ook bekender zijn, zijn ze niet waterdicht. Lang niet alle werkgevers vragen bijvoorbeeld een VoG aan. En het komt ook voor dat iemand zonder VoG toch (alvast) aan de slag kan. Tuchtzaken zijn afhankelijk van klachten, en niet iedereen dient een klacht in tegen zijn arts of advocaat als deze een fout heeft gemaakt.

Er zijn meer manieren waarop veroordeelden door de mazen van de wet kruipen. Zo worden vonnissen waarin een beroepsverbod is opgelegd, niet automatisch aan de beroepsorganisaties (zoals die van artsen, fysiotherapeuten of advocaten) gestuurd. Dit heeft als gevolg dat deze organisaties ook niet altijd passende maatregelen (kunnen) nemen tegen hun leden als die de fout zijn ingegaan.

Ook blijven verdachten nog wel eens in hetzelfde beroep werken, totdat zij officieel veroordeeld worden. Hoewel er vaak ontslagprocedures worden gestart tegen een beroepsbeoefenaar als er strafbare feiten in het beroep of ambt worden gepleegd, is een kleine kwart van de verdachten ten tijde van de strafprocedure toch nog werkzaam in zijn functie, zo blijkt uit het onderzoek.

Ondanks deze gebrekkige controle, verwachten veel rechters en officieren van justitie toch dat beroepsverboden over het algemeen wel effect hebben bij het tegenhouden van nieuwe delicten. Zij verwachten dat omdat vaak bekend is dat er een strafzaak tegen deze persoon heeft gelopen.

Overigens kan een beroepsverbod averechtse gevolgen hebben. Een beroepsverbod houdt in dat een veroordeelde ‘niet meer mee mag doen’ in de maatschappij, omdat hij zijn beroep niet meer mag uitoefenen. Een negatief gevolg kan zijn dat de veroordeelde zich dan minder verbonden met zijn omgeving kan voelen. De drempel om nieuwe strafbare feiten te plegen kan dan lager worden. Dit risico is niet in dit onderzoek onderzocht, maar het verdient wel aandacht.

Mr. dr. Marijke Malsch is senior onderzoeker bij het NSCR. Samen met Wendy Alberts, Jan de Keijser en Hans Nijboer schreef zij ‘Beroepsverboden in Nederland’ (2010).

Lees ook:

Dit artikel is een publicatie van Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).
© Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 08 april 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.