Je leest:

Wat zij herwonnen na hun verlies

Wat zij herwonnen na hun verlies Het relaas van twee afasiepatiënten

Auteur:

De Britse historicus John Hale en de Nederlandse jurist Jan Koenen, beiden zeer taalvaardig, kregen rond hun zeventigste afasie. Van journalist Sheila Hale, echtgenote van John, verscheen in 2002, drie jaar na zijn overlijden, The Man Who Lost His Language (het boek is niet vertaald). Liesbeth Koenen, ‘dochter van’, journalist én taalkundige, publiceerde in 2006 Hoe mijn vader zijn woorden terugvond. Het ziekteverloop van de twee mannen was, zoals de titels al suggereren, heel verschillend.

Small
‘The man who lost his language’ van Sheila Hale.
Jessica Kingsley Publishers

De man die zijn taal kwijtraakte

“Da woahs”, zegt John Hale pal na zijn beroerte. En dat blijft hij geregeld zeggen – waarschijnlijk een betekenisloos automatisme, al meent zijn omgeving er ‘the walls’ of ‘the wars’ in te horen.

Aanvankelijk kan Hale weinig: gesproken woorden aan voorwerpen koppelen, bijvoorbeeld, lukt nog niet. Hij schrijft zinnetjes wel correct over, maar als hij spontaan schrijft, verschijnen er onzinwoorden op papier – passend binnen de Engelse spellingpatronen, dat wel. Van Scrabble-blokjes weet hij bestaande woorden te vormen, en hij lijkt ze te snappen: hij legt liever eros dan rose.

Hij haalt tal van fouten uit de proeven van het boek dat hij kort tevoren voltooid had, maar ziet er nog veel meer over het hoofd. Ook kan hij, door kaartjes te tekenen, feilloos uitleggen waar ontbrekende gegevens te vinden zijn.

Hale lijkt op zeker moment te beseffen dat hij onverstaanbaar is. Desondanks blijft hij ‘praten’, omdat hij met toonhoogte, ritme, timbre, intensiteit, stiltes en goed getimede beurtwisselingen veel weet over te brengen. Ook leest hij volop vakliteratuur. In de rubriek ‘Verrijk uw woordenschat’ van maandblad Het Beste scoort hij 97 procent – onwaarschijnlijk hoog. Maar een eenvoudige w-vraag beantwoorden gaat niet: het hele concept van ‘wie’ of ‘wat’ lijkt hem te ontgaan.

Na ruim een jaar schrijft hij spontaan iets betekenisvols: “Vermeer”. Ook andere kunstenaarsnamen keren terug, en daarna gewone woorden, zij het zelden spontaan, maar meestal wanneer ze hem waren gedicteerd. Woorden die regelmatig gespeld of vervoegd zijn, vindt hij moeilijker dan de onregelmatige, zoals knife en went, die hij ooit apart heeft moeten leren. Abstracte begrippen als ‘democratie’ snapt deze intellectueel beter dan concrete als ‘tafel’.

Drie jaar na zijn beroerte begint hij weer greep te krijgen op de thematische rollen (zie Gewonde taal ), waarna hij w-vragen weer begrijpt en romans gaat lezen. Hij leert moeizaam twaalf woorden uitspreken en correct gebruiken. En na zes jaar, als hij 75 is, begint hij weer correcte zinnetjes te schrijven. Kort daarop overlijdt hij.

Small
‘Hoe mijn vader zijn woorden terugvond’ van Liesbeth Koenen.
Nieuw Amsterdam

De man die zijn woorden terugvond

Jan Koenen zegt in het begin helemaal niks. Wel is duidelijk dat hij veel begrijpt, want hij beantwoordt vragen coherent met ‘ja’ of ‘nee’ – al zal later blijken dat hij op dat moment toch minder snapt dan het lijkt.

Schrijven én praten gaan geleidelijk vooruit – langzaam in de ogen van zijn dochter, maar vele malen sneller dan bij Hale. Namen en emotionele uitroepen (“djézus”, “tástisch”) zijn aanvankelijk makkelijker toegankelijk dan andere woorden. Sommige gaten in het geheugen zijn verrassend: rood gaat goed, blauw redelijk (“brauw”), geel is onvindbaar. De l van blauw en de r van brauw liggen fonologisch gezien overigens dicht bij elkaar.

Op een zeker moment begint Koenen weer spontaan zinnetjes te vormen, zelfs een w-vraag met een moeilijke woordvolgorde: “Waar is Leen?” Lange woorden verliezen soms een lettergreep: “veiligspelden”. In andere gevallen kiest hij nét niet het goede woord: “ski’s” in plaats van schaatsen.

Twee maanden na de beroerte schrijft hij uitvoerige mails, geformuleerd in zijn herkenbare, vrij ingewikkelde stijl. Fouten staan er nauwelijks meer in. Het praten blijft daar ver bij achter. Maar ook dat gaat langzaamaan beter. Aanvankelijk klinkt het wat onnatuurlijk: de zinsmelodie klopt niet helemaal, kleine woordjes krijgen te veel nadruk (“Hét regent”, “Ik zag zij”) en af en toe zijn er hypercorrecties te horen als “aardbeiden” en “Treesjen” (voor Treesje).

Een half jaar na de beroerte kan Jan Koenen weer volop praten. En terugblikken: op de verbazing van de eerste weken, op het onvermogen om op woorden te komen. Zijn dochter citeert hem: “Gaandeweg heb ik begrepen dat ik allerhande dingen bij elkaar moest harken. Woorden, zinsconstructies, uitdrukkingen, betekenissen. Ik moest ze bij elkaar halen en sorteren. (…) Het plezier in taal heeft me denk ik gered.”

Eind goed, al goed? Dat nu ook weer niet. “Ik praat kunstmatig”, zegt hij. Zijn spraak klinkt een beetje raar, en zijn gespreksbijdragen komen er met een kleine vertraging uit. Met als gevolg dat hij, zeer tot zijn spijt, geen vergaderingen meer kan voorzitten of zelfs maar bijwonen.

Hij beschouwt zichzelf als een “bofkont”, maar: “Het verlies van wat ik kon, is schrijnend.”

Zie ook:

Oeps: Onbekende tag `feed’ met attributen {"url"=>"http://www.kennislink.nl/kernwoorden/afasie.atom", “max”=>"3", “detail”=>"normaal"}

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde Kennislink 6 jaar geleden

Discussier mee

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE