Je leest:

Wat nu?

Wat nu?

De tragedie van de meent toegepast op klimaatverandering

Auteur: | 29 september 2015

De achttiende-eeuwse verlichtingsfilosoof Immanuel Kant onderscheidde vier vragen die elke volwassen mens zou moeten beantwoorden: Wat kan ik weten? Wat moet ik doen? Wat mag ik hopen? Wie is de mens? De eerste drie vragen van Kant kunnen ook worden gesteld bij de verandering van het klimaat.

Wat kan ik weten?

Vanuit wetenschappelijk gezichtspunt bezien is klimaatverandering een uitzonderlijk ingewikkeld en interdisciplinair probleemveld. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), in 1988 opgericht door de Verenigde Naties en de World Meteorological Organization, heeft evenwel goede en onbevooroordeelde overzichten geproduceerd van de stand van de wetenschap. Zogenoemde klimaatsceptici beschuldigen het IPCC nog wel van allerlei vooroordelen, maar in feite is het IPCC terughoudend in zijn formuleringen.

Buiten kijf staat dat het huidige CO2-gehalte in de lage atmosfeer van ongeveer 400 ppm (deeltjes per miljoen) aanzienlijk hoger is dan het in de afgelopen 800 duizend jaar is geweest. Tot 1850 kwam het niet boven de 300 ppm. Deze stijging van het CO2-gehalte is grotendeels veroorzaakt door menselijke activiteiten, zoals het opstoken van fossiele brandstoffen door een snel groeiende wereldbevolking, ontbossing en veeteelt.

De toename van CO2 is volgens het IPCC de belangrijkste oorzaak van de gemiddelde temperatuurstijging van inmiddels bijna 1 graad bij het aardoppervlak sinds 1880. Het causale verband kan niet worden omgekeerd. De temperatuurstijging van de afgelopen eeuw is zowel te klein als te kortdurend om een aanzienlijke toename van het CO2-gehalte te kunnen veroorzaken. Ook de oceanen warmen meetbaar op en verzuren door CO2-opname.

Op grond van de verschillende klimaatscenario’s wordt verwacht dat, wanneer de menselijke uitstoot van broeikasgassen niet drastisch wordt verminderd, de gemiddelde temperatuur op aarde in 2100 tussen de 2,5 en 7,8 graden gestegen zal zijn ten opzichte van het gemiddelde tussen 1850 en 1900. Ter vergelijking: de gemiddelde temperatuur tijdens de laatste ijstijd was slechts 5 tot 6 graden lager dan nu. Relatief kleine gemiddelde temperatuurverschillen kunnen dus een totaal andere toestand op aarde veroorzaken. Volgens recente voorspellingen zou de huidige opwarming rond 2065 een stijging van het zeeniveau van drie meter kunnen veroorzaken.

‘Zolang de producenten van fossiele brandstoffen niet financieel worden gecompenseerd voor klimaatmaatregelen, zal de winning van die brandstoffen door blijven gaan.’
Biowetenschappen en maatschappij

Wat moeten we doen?

Tijdens de – grotendeels mislukte – klimaatconferentie te Kopenhagen in 2009 werd op het laatste moment het ‘akkoord’ bereikt dat de mensheid de opwarming van de aarde zou moeten beperken tot maximaal 2 graden. Volgens nogal wat wetenschappelijke experts is deze limiet aan de hoge kant en houdt ze grote risico’s in, met name van zeespiegelstijging. Toch vraagt ook deze beperking al om een snel en fundamenteel afscheid van de business as usual.

Kant formuleerde zijn tweede filosofische hoofdvraag als ‘Wat kan ik doen?’. Maar zoals de Amerikaanse econoom William Nordhaus al eens opmerkte is het niet alleen voor individuele personen lastig iets te doen aan aardse opwarming. Zelfs individuele landen kunnen relatief weinig uitrichten wanneer het er om gaat klimaatverandering te voorkomen. Voor die individuen en individuele landen past slechts aanpassing aan klimaatveranderingen wanneer die onvermijdelijk zijn geworden: de zogenaamde adaptatie.

Voor veel landen en bevolkingsgroepen zal adaptatie echter ondoenlijk zijn wanneer de productie van broeikasgassen en daarmee de opwarming niet snel en grotendeels wordt voorkomen. Uiteindelijk kan dat zelfs voor rijke landen gaan gelden. Wij Hollanders zijn misschien goed in het bouwen van dijken, maar wanneer het zeeniveau tientallen meters zou stijgen heeft ook dijkbouw voor ons geen zin meer.

Omdat het opstoken van fossiele brandstoffen diep geworteld is in de economieën van alle geïndustrialiseerde landen, zullen deze landen hecht moeten samenwerken om opwarming van de aarde te voorkomen. De enige manier om dit te bereiken is een spoedige en drastische reductie van de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. Gemiddeld produceert elke burger van de VS nu per jaar meer dan twintig ton CO2-equivalenten. Dit zou wereldwijd moeten worden gereduceerd tot hoogstens twee ton per persoon per jaar in 2050.

Economen als Stern en Nordhaus hebben in kaart gebracht hoe de wereldbevolking de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen drastisch kan beperken en hoe dit het beste kan gebeuren. De schade door CO2-uitstoot is nu niet in de marktprijs van die brandstoffen verrekend. In abstracto is de oplossing van dit probleem eenvoudig: hef wereldwijd een bronbelasting van tussen de 40 en 100 euro per ton uitstoot, of voer een goed werkend systeem van emissiehandel in, waarbij elk land emissierechten krijgt die gemiddeld aanzienlijk minder zijn dan de huidige uitstoot. Daardoor zullen niet-fossiele vormen van energieopwekking goedkoper worden dan het opstoken van fossiele brandstoffen. De kosten hiervan zijn waarschijnlijk niet hoger dan zo’n 1 tot 5 procent van het wereldwijde BNP. Ook technisch gesproken zijn fossiele brandstoffen vervangbaar voor de energieproductie. Maar gaan deze maatregelen ook genomen worden, bijvoorbeeld later dit jaar tijdens de klimaattop in Parijs?

‘De tragedie van de meent’ beschrijft hoe een individu, zoals één koeienboer, overmatig kan profiteren van gemeenschappelijke voorzieningen, terwijl hij daar de gemeenschap als geheel mee schaadt.
Biowetenschappen en maatschappij

Wat mogen we hopen aangaande klimaatverandering?

Het lijkt extreem onwaarschijnlijk dat de mensheid erin zal slagen een rampzalige opwarming van het klimaat te voorkomen. De moeilijkheden om de genoemde maatregelen effectief en wereldwijd in te voeren zijn namelijk immens. Het recente initiatief van Obama is weliswaar bemoedigend, maar van de benodigde écht buitensporige inzet is tot op heden niets te merken bij Poetin, Narendra Modi, Xi Jinping of Rutte. Ook de track-record van de klimaatonderhandelingen in het verleden, van Kyoto tot Kopenhagen geeft weinig hoop.

Er zijn verschillende moeilijkheden en obstakels. Het wordt immers onwaarschijnlijker dat we een uitdaging het hoofd kunnen bieden naarmate we haar meer onderschatten. Het gebruik van fossiele brandstoffen is diep verweven met onze economie. Dit was anders bij de drijfgassen die de ozonlaag aantastten. De productie van die cfk’s vond slechts plaats in een beperkt aantal fabrieken en kon daarom gereguleerd worden door één, relatief eenvoudig internationaal verdrag: het Montreal Protocol van 1989.

Door de diepe economische verwevenheid is het veel moeilijker het gebruik van fossiele brandstoffen terug te dringen dan dat van cfk’s. Bovendien worden fossiele brandstoffen wereldwijd nu nog gesubsidieerd met 400 tot 600 miljard dollar per jaar. De groei van de wereldbevolking en het toegenomen gebruik van steenkool hebben de emissies van CO2 ook de afgelopen jaren sterk doen stijgen.

Voorts is de relatie tussen oorzaak en gevolg bij klimaatverandering ten gevolge van uitstoot van broeikasgassen gefragmenteerd en indirect, waardoor mensen zich zelden verantwoordelijk voelen voor dit probleem. Elk individu draagt slechts een minuscule fractie bij aan klimaatverandering door auto te rijden, vlees te eten of op vliegvakantie te gaan. Bovendien is er een grote afstand in tijd en plaats tussen oorzaak en gevolg. Wij verstoken hier en nu fossiele brandstoffen, maar de gevolgen zijn misschien pas merkbaar voor onze (klein)kinderen en misschien ook vooral aan de andere kant van de wereld.

Tenslotte bemoeilijkt de verdeling van de rijkdom een oplossing van het probleem. De rijke landen veroorzaakten de grootste uitstoot van broeikasgassen tot nu toe, terwijl op relatief korte termijn arme landen de grootste schade lijden. De rijke landen zullen dit nooit officieel erkennen uit angst verantwoordelijk gesteld te worden voor de schades. En de arme landen willen uiteindelijk net zo rijk worden als de rijke.

Individueel versus algemeen belang

Met zijn Tragedy of the Commons, liet de Amerikaanse ecoloog Garret Hardin in 1968 zien dat het voor elk individu of land op korte termijn veel winstgevender is om te profiteren van gemeenschappelijk bezit, dan bij te dragen aan het behoud ervan op langere termijn. De boer die te veel koeien laat grazen op de ‘meent’, de gemeenschappelijke dorpswei, maakt uiteindelijk die wei kapot door overbegrazing. Op korte termijn profiteert de boer hiervan. Op langere termijn lijden alle dorpsgenoten. Doordat de afstand tussen oorzaak en gevolg bij klimaatverandering in tijd en plaats nog groter is wordt het probleem nog moeilijker oplosbaar. Het gaat hier niet om dorpsbewoners die elkaar kennen en kunnen aanspreken, maar om de anonieme wereldbevolking in haar geheel.

Het wordt voor elk land en elke generatie uiterst verleidelijk zelf te profiteren van de voordelen van het fossiele brandstofgebruik. De kosten van mitigatie schuiven we makkelijk door naar een ander land of naar een volgende generatie. Dergelijk profiteren van publiek bezit zonder bij te dragen aan de kosten ervan is een groot probleem in de klimaatdiscussie. De bestaande klimaatverdragen bevatten geen effectieve strafbepalingen voor profiteurs, om de eenvoudige reden dat vrijwel alle onderhandelingspartners zulke profiteurs zijn.

Maar stel nu eens dat een redelijk aantal verstandige landen besluit de consumptie van fossiele brandstoffen drastisch te verminderen. Zal dit helpen ter voorkoming van de opwarming? Niet of nauwelijks, zegt de Duitse econoom Hanns-Werner Sinn in zijn boek Das grüne Paradoxon. De reden is relatief eenvoudig. Landen die fossiele brandstoffen produceren, zoals Rusland, zullen niet graag zien dat hun aanzienlijke inkomsten door vraagvermindering wegvallen. Daarom zullen ze, zodra de vraag ergens minder wordt, de prijs zoveel verlagen dat de vraag elders weer aantrekt.

Toen de Europese Unie bijvoorbeeld aankondigde het gasgebruik te verminderen, besloot Poetin onmiddellijk meer gas te gaan leveren voor een wat lagere prijs aan China. Sinn concludeert dat de aankondiging van de EU de klimaatverandering aan te pakken impliciet de verandering daarmee alleen maar heeft versneld: de ‘groene paradox’. Een houdbaar en effectief klimaatverdrag zal de fossiele brandstofproducerende landen dan ook schadeloos moeten stellen, omdat deze landen het verdrag anders niet zullen ondertekenen.

Er zijn nog diverse andere problemen op de weg naar een effectieve aanpak van het klimaatprobleem: van het kortetermijndenken van politici tot de scepsis die wordt gevoed door bedrijven en hun lobbyisten. Laten we hopen dat de belangrijkste landen op zeer korte termijn effectief gaan samenwerken om de productie van broeikasgassen drastisch te verminderen. Het is de grootste uitdaging waarvoor de mensheid nu staat.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 29 september 2015

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.