Je leest:

Wat luxegoederen en ons brein met elkaar gemeen hebben

Wat luxegoederen en ons brein met elkaar gemeen hebben

Auteur: | 12 oktober 2013

Waarom blijven we alsmaar meer presteren, zonder er echt gelukkiger van te worden? Verbeteringen in onze eigen situatie blijken weinig op te leveren als de positie van anderen ook verbetert. Dit principe vormt niet alleen een verklaring voor onze eindeloze ambities, maar ook voor de grootte van het menselijk brein zelf.

Alle mooie machinerie ten spijt, we werken echt niet minder.

Door uitvindingen als de stoommachine en de elektromotor kan dezelfde hoeveelheid werk tegenwoordig in veel minder tijd gebeuren dan in het verleden. Vandaar dat de econoom John Maynard Keynes ooit voorspelde dat we aan het begin van de 21ste eeuw een werkweek van nog maar vijftien uur zouden hebben. Sinds Keynes deze voorspelling in 1930 deed, is de arbeidsproductiviteit door bijvoorbeeld de introductie van de computer en het internet alleen nog maar verder gestegen.

Toch is het omgekeerde van wat Keynes voorspelde gebeurd: we zijn gemiddeld genomen alleen maar méér uren gaan werken. Vrouwen zijn meer gaan werken, mannen niet minder.

Stilstand is achteruitgang

Een door de econoom Robert H. Frank geopperde verklaring voor het feit dat we nog altijd onze volle energie in betaalde arbeid steken, is dat we niet willen onderdoen voor de buren. De behoeften en verlangens van de mens zijn afhankelijk van wat anderen hebben.

Deze redenatie werd in de jaren zeventig ook door de econoom Richard Easterlin gebruikt ter verklaring van een paradoxale bevinding die hij deed. Hij ontdekte dat mensen in rijke landen niet gelukkiger zijn dan mensen in arme landen, maar dat er bínnen landen wel een positief verband bestaat tussen rijkdom en geluk. Klaarblijkelijk gaat het meer om welke positie je inneemt ten opzichte van de mensen waarmee je je vergelijkt.

Als iedereen al zo’n prachtige gouden ring draagt, zijn mensen toch geneigd weer een stapje verder te gaan om zich te onderscheiden.

Goederen waarvan de waarde afhankelijk is van het aantal anderen dat hen bezit worden door economen positionele goederen genoemd. Dit mechanisme, waarbij de waarde van iets niet puur intrinsiek is maar ook afhangt van hoeveel anderen het hebben, vind je op allerlei manieren terug in onze cultuur.

Nog meer indruk maken

Het mechanisme van positionering komt wellicht nog het meest voor op het gebied van aanzien en prestige. Voor tienduizend euro kun je een spetterend huwelijksfeest geven. Maar omdat ondertussen iedereen zijn huwelijk zo uitbundig viert, zul je om echt indruk te maken nu meer geld moeten neertellen. De Sint-Janskathedraal in Den Bosch is een indrukwekkend bouwwerk, maar als je ook de mogelijkheid hebt de Sint-Pietersbasiliek in Rome te bezoeken is de Sint-Jan zo interessant niet meer.

Wie nu hard meeloopt in de middenmoot, had 100 jaar geleden wel het wereldrecord in handen kunnen hebben.

Jaarlijks lopen honderden Nederlanders de marathon in een tijd waarmee ze aan het begin van de twintigste eeuw nog wereldrecordhouder zouden zijn geweest. De prestatie is niet veranderd, maar toch dwingen ze veel minder bewondering af. Deze drie voorbeelden illustreren hoe relatief prestige is. Dit soort prestigeslagen worden alleen nog maar verder aangewakkerd door nieuwe communicatiemiddelen. Die maken namelijk dat we niet meer alleen met onze dorpsgenoten maar in feite met elke wereldburger concurreren.

Intelligenter dankzij seksuele selectie

Maar niet alleen produceert ons brein positionele goederen, ons brein is in feite een positioneel goed. Want het mechanisme waarbij de waarde van iets ook afhangt van hoeveel anderen het hebben, is niet alleen terug te vinden in onze cultuur maar ook in onze natuur.

Psycholoog Geoffrey Miller beweert namelijk dat de hoge menselijke intelligentie niet het resultaat is van natuurlijke maar van seksuele selectie. In geval van natuurlijke selectie zou hoge intelligentie voornamelijk de kans op het bereiken van de reproductieve leeftijd hebben vergroot. De slimste mensen zouden lang genoeg leven om kinderen te krijgen en hun intelligente genen door te geven.

Wikimedia Commons

Maar volgens Miller is dat niet de reden waarom een goed stel hersenen individuen een groter nageslacht opleverde. Hij stelt dat er sprake is van seksuele selectie. Van alle mensen die oud genoeg werden om zich voort te planten, waren degenen met de hoogste intelligentie gewoonweg het aantrekkelijkst.

Bij de mens wordt de mate van aantrekkelijkheid namelijk sterk bepaald door intelligentie. Wij letten bij partnerkeuze erg op kenmerken als humor, sociale vaardigheden en taalvermogen. Vanwege erfelijkheid hebben deze kenmerken zich over de tijd verder in de menselijke populatie kunnen verspreiden.

Het brein als ornament

Zo is ons brein een accessoire vergelijkbaar met het gewei van een reuzenhert, de schaar van een wenkkrab en de staart van een vlagkolibri. En zo zijn onze cultuuruitingen eigenlijk net zo aandoenlijk en aanstellerig als de paringsdans van de kraagparadijsvogel en de bouwwerken van de prieelvogel.

Deze accessoires en gedragingen slurpen energie en lijken overleving eerder in de weg te zitten dan te bevorderen. Het grote menselijke brein zorgt rondom de geboorte zelfs voor een concreet probleem. Een diersoort als geheel zou er veel beter aan toe zijn als er niet zoveel energie aan dit soort gekkigheden verspild hoefde te worden. Maar om als individu aan een partner te komen, zul je aan de wapenwedloop mee moeten doen.

De bombastische paringsdans van de waaierhoen.

Toch lijkt het er op dat juist de kostbaarheid van deze accessoires en gedragingen maakt dat ze door seksuele selectie begunstigd konden worden. De bioloog Amotz Zahavi suggereerde dat juist omdat er zoveel kosten mee gemoeid zijn, de kwaliteit van deze versierselen iets zegt over de fitness van de drager. Minder gezonde en sterke dieren zijn slechter in staat tot de productie van deze ornamenten.

Dit staat bekend als het handicapbeginsel. Hoe meer energie je over hebt om te verkwisten aan grappen maken en priëlen bouwen, hoe beter je genen klaarblijkelijk zijn en hoe aantrekkelijker je dus bent voor het andere geslacht.

De wapenwedloop anno nu

Kenmerkend voor dit soort wapenwedlopen is dus dat er steeds meer energie nodig is om je positie te waarborgen. De wedloop ontwikkelt zich op het gebied van cultuur natuurlijk wel een stuk sneller dan op het gebied van natuur. Voor genetische verandering is immers steeds weer een nieuwe generatie nodig terwijl een culturele prestatie de volgende dag nog overtroffen kan worden.

Vergelijking van schedels (en de grootte van het brein dat daarin past) van de mens, chimpansee, orang oetan en makaak. Waarschijnlijk zal het menselijk brein niet snel nog veel groter worden.

Bij de mens zijn er echter wel goede redenen om aan te nemen dat de wapenwedloop naar een almaar groter brein is gestopt. Het is natuurlijk nog altijd zo dat grappige, sociale en slimme mensen het aantrekkelijkst worden bevonden. Maar omdat de mens zijn vruchtbaarheid tegenwoordig weet te beïnvloeden, is de link tussen aantrekkelijkheid en het aantal nakomelingen verdwenen.

Paleoantropoloog John Hawks laat inderdaad zien dat de grootte van het menselijk brein de laatste tienduizend jaar niet meer toenam. Sterker nog, volgens hem zou ons brein zelfs kleiner zijn geworden. Overigens impliceert dit niet automatisch dat ook onze intelligentie afnam. Voor intelligentie is namelijk niet alleen de grootte, maar ook de structuur van het brein van belang.

De culturele wapenwedloop is nog altijd gaande. Onze reizen worden nog altijd verder, onze auto’s nog altijd groter en wetenschappelijke en artistieke prestaties worden nog altijd dagelijks overtroffen. Sterker nog, naar welk aspect van onze cultuur je ook kijkt, het ontwikkelt zich altijd exponentieel. Die vijftienurige werkweek kunnen we voorlopig dus nog wel even vergeten!

Literatuur:

  • Easterlin, Richard A. (1974). Does Economic Growth Improve the Human Lot? Some Empirical Evidence. In Paul A. David and Melvin W. Reder, eds., Nations and Households in Economic Growth: Essays in Honor of Moses Abramovitz. New York: Academic Press.
  • Frank, Robert H. (2008). Context Is More Important Than Keynes Realized. In Lorenzo Pecchi and Gustavo Piga (eds.) Revisiting Keynes: Economic possibilities for our grandchildren. Cambridge (US): MIT Press.
  • Hirsch, Fred (1977). Social Limits to Growth. London: Routledge & Kegan Paul.
  • Keynes, John Maynard (1932). Essays in Persuasion. New York, NY: Harcourt Brace.
  • Miller, Geoffrey F. (2001). The mating mind: How sexual choice shaped the evolution of human nature. New York: Doubleday.
  • Miller, Geoffrey F. (2009). Spent: Sex, evolution, and consumer behavior. London: Penguin Books.
  • Zahavi, Amotz (1997). The handicap principle: a missing piece of Darwin’s puzzle. Oxford: Oxford University Press.
Dit artikel is een publicatie van Kennislink (correspondentennetwerk).
© Kennislink (correspondentennetwerk), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 oktober 2013

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.