Je leest:

Ware woorden, ware rijmen

Ware woorden, ware rijmen

Jacob van Maerlants Rijmbijbel en de Nederlandse taal

Auteur: | 1 oktober 2008

In zijn Rijmbijbel uit 1271 maakte Jacob van Maerlant als een van de eersten het boek der boeken toegankelijk voor de middeleeuwers die het Latijn niet beheersten. Hoe slaagde hij erin al die bijbelverhalen te vatten in duizenden rijmende regels? En wat voor invloed oefende hij met zijn werk uit op het Nederlands? Een inventarisatie, naar aanleiding van een binnenkort te openen tentoonstelling.

Vanaf deze maand is in het Haagse Museum Meermanno een prachtig middeleeuws boek te bezichtigen. Niet alleen dat boek is bijzonder, ook de manier waarop het tentoongesteld wordt: in uit elkaar gehaalde vorm. Dat lijkt misschien verontrustend, maar dat is het niet. Het is juist heel goed, zowel voor het boek als voor de bezoeker.

Van Maerlant-biograaf Frits van Oostrom met de Rijmbijbel.
Museum Meermanno, Den Haag

Om met het eerste te beginnen: het uit 1332 daterende exemplaar van de Rijmbijbel van Jacob van Maerlant dat Meermanno in bezit heeft – want om díé uitgave gaat het – moet nodig opnieuw worden gebonden. Als eerste stap is het boek dit voorjaar uit elkaar genomen. Voordat het opnieuw gebonden zal worden, zullen vrijwel alle katernen, met diverse prachtige miniaturen, in Den Haag worden geëxposeerd. En dat is een buitenkans voor de boekenliefhebber, die tot voor kort alleen maar de twee pagina’s kon zien waarop de Rijmbijbel in de vitrine lag opengeslagen.

Groot dichter

Van Maerlants Rijmbijbel (voltooid in 1271) is niet alleen boekhistorisch maar ook inhoudelijk van groot belang. Veel bijbelse verhalen zijn hier voor het eerst in het Nederlands neergeschreven, in zo’n 35.000 paarsgewijs rijmende versregels. Die vorm past heel goed bij Van Maerlant, die bovenal dichter was. En een heel gereputeerde ook. De Antwerpse schrijver Jan van Boendale noemt hem in zijn leerdicht Leken spieghel (1325-1330) “die vader der dietscher dichteren algader”, vrij vertaald: ‘stamvader van alle dichters die het (middeleeuwse) Nederlands gebruiken’. Vanwaar dat eerbetoon?

Om te beginnen koos Van Maerlant voor de Middelnederlandse volkstaal, en niet voor het Latijn, de taal die gebruikelijk was voor de wetenschap, of het Frans, de taal van de elite en de schone letteren. Van Maerlant beperkte zich al vroeg in zijn carrière tot het toegankelijk maken van belangrijke Latijnse teksten (meestal proza) voor een leergierig maar weinig geschoold publiek, dat gewend was aan versteksten.

Jacob van Maerlant, ca.1225-1300
Museum Meermanno, Den Haag

Van Maerlant dankte zijn grote naam ongetwijfeld ook aan zijn onderwerpkeuze. Zijn werken waren voor het merendeel didactisch van aard, en historisch en moralistisch verantwoord: over het leven van Alexander de Grote (Alexanders geesten, ca. 1260), de geschiedenis van Troje (Historie van Troyen, ca. 1264), een natuurencyclopedie (Der naturen bloeme, ca. 1270), en de grootse en omvangrijke Spieghel historiael (1285-1288). En dus de Rijmbijbel van 1271.

Ten slotte blonk Van Maerlant uit in het smeden van verzen. Het totale aantal versregels dat hij schreef, door Frits van Oostrom ooit geschat op 230.000, is indrukwekkend, maar blijkbaar vonden zijn tijdgenoten en navolgers zijn rijmmethoden ook van uitzonderlijk niveau.

Rijmregels

De Rijmbijbel is een bewerking van de middeleeuws-Latijnse Historia scholastica van Petrus Comestor, geschreven rond 1170. Het was bedoeld als handboek voor studenten theologie aan de universiteit van Parijs. Het vertelde beknopt de inhoud van de meeste bijbelboeken, aangevuld met informatie over de niet-bijbelse geschiedenis en met verwijzingen naar verschillende interpretaties van de bijbelteksten. Jacob van Maerlant heeft de meest verhalende boeken uit de Historia scholastica naverteld. Hij was de eerste die het werk van Petrus Comestor in zijn moedertaal overzette.

“Vraie rime ende ware woerd”, belooft Jacob van Maerlant zijn publiek aan het begin van zijn Rijmbijbel, oftewel ‘Fraaie rijmen, ware woorden’. Hoe smeedde hij die fraaie rijmen? Was hij hierin inderdaad zo uitzonderlijk als Jan van Boendale stelde?

Van Maerlant hanteert strikte rijmregels, waarvan de kernregel is dat het rijm wordt gevormd door de laatste volle klinker en de daaropvolgende medeklinker (indien aanwezig). Zo rijmt ontfaen op saen, abrame op bequame, roeme op ouderdoeme en sekerlike op conincrike. Als het in sommige gevallen anders lijkt, is dat meestal goed te verklaren. Het rijmpaar Sauldul is bijvoorbeeld helemaal niet zo vreemd als op het eerste gezicht lijkt, want men sprak de naam van koning Saul uit met twee lettergrepen: Sa en ul, en dan is een rijm op dul niet gek meer. Ook voor andere namen in rijmpositie is het handig om de toenmalige, nog sterk door het Frans en Latijn beïnvloede uitspraak in het achterhoofd te houden. Het is niet Dávid, zoals wij nu zeggen, maar Davíd, met een lange ie, dat dus prima kan rijmen op strijt (uitgesproken als ‘striet’).

Spellingvarianten

Verder maakte Van Maerlant gebruik van spellingvarianten. In de Middeleeuwen bestond er nog niet zoiets als het Groene Boekje; een en hetzelfde woord kon op verschillende manieren worden gespeld. Had Van Maerlant een rijmwoord nodig op besocht, dan koos hij bijvoorbeeld voor ambocht, maar zocht hij iets voor bij ghedacht, dan gebruikte hij hetzelfde woord in de vorm ambacht. Ook vormvarianten van hetzelfde woord gebruikte hij op deze manier: woorden die hetzelfde aanduidden, maar er niet helemaal hetzelfde uitzagen. Voor een rijmwoord op clede koos hij het bijwoord gherede, en voor een rijmwoord op heet werd hetzelfde bijwoord aangeroepen in de vorm ghereet.

Ook de verbuiging van zelfstandige naamwoorden kon van pas komen. Vooral wanneer er twee vormen van een zelfstandig naamwoord waren, bijvoorbeeld cracht en crachte. Hij kon daar verschillende rijmen mee vormen: met sire cracht kon dienstdoen bij vordacht, en met crachte bij gheslachte.

Andere trucjes waren het gebruik van een werkwoord in rijmpositie in de tegenwoordige tijd terwijl de werkwoorden gewoonlijk in de verleden tijd staan, en het omkeren van de volgorde van zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord, persoonlijk voornaamwoord of telwoord. Dit wordt als zó gewoon ervaren dat het de meeste lezers niet eens meer opvalt, maar onderzoek heeft uitgewezen dat de omkering in de Rijmbijbel wel degelijk afhankelijk is van Van Maerlants wens om te rijmen. Zo rijmt een mur goet (‘een goede muur’) op voet, die viande mine (‘mijn vijanden’) op sine (‘zijn’), en swerde twee (‘twee zwaarden’) op nemmee (‘nooit meer’).

Rijmbijbel van Van Maerlant
Museum Meermanno, Den Haag

Inhoud voorop

En zo waren er nog veel meer manieren waarop Van Maerlant rijmparen kon vormen om de nadelen van het rijm op te vangen. Want dat er nadelen aan kleefden, zal iedereen duidelijk zijn. Soms zit de dichter vast aan een bepaald woord, en sommige woorden rijmden nu eenmaal lastig. Wat te doen in een lang gedicht over het Joodse volk als er nauwelijks geschikte rijmwoorden te vinden waren op het woord volc? Bijvoorbeeld uitwijken naar een synoniem, het zelfstandig naamwoord diet. Volc treffen we aan binnen het vers, bijvoorbeeld “die arke daert volc in lach” (‘de ark waarin het volk zich bevond’), en diet kan zijn diensten verlenen in rijmpositie: “Ghi sijt een vele argher diet” (‘jullie zijn een veel slechter volk’). Van Maerlant pakte het dus slim aan; zijn rijmen zien er in vergelijking met andere middeleeuwse dichters ook heel degelijk uit. De loftuitingen van Van Boendale zijn wel begrijpelijk.

Daar kwam nog bij dat Van Maerlant wilde dat zijn rijmen ‘waar’ waren. Hij veranderde niets aan het verhaal dat hij wilde vertellen om zijn tekst beter te laten rijmen. Dus hij voegde geen verzen toe met mededelingen die nergens op slaan maar wel mooi rijmen. De inhoud is het allerbelangrijkste, en de rijmen doen niets af aan de betrouwbaarheid van die inhoud.

Invloed Wat voor invloed heeft de Rijmbijbel op de Nederlandse en Vlaamse woordenschat gehad? Het is helaas onmogelijk dat goed te beoordelen. Veel ooit geschreven Middelnederlandse teksten zijn ons namelijk niet in handschrift of in druk overgeleverd, en dus is dan niet na te gaan of de Rijmbijbel daar invloed op heeft uitgeoefend. Bovendien kan er ook veel mondelinge beïnvloeding zijn geweest, bijvoorbeeld doordat de Rijmbijbel tijdens preken werd voorgelezen, maar ook dat kan niet achterhaald worden. Uit de teksten die wél beschikbaar zijn, kunnen we voorzichtig concluderen dat de Rijmbijbel waarschijnlijk wel zijn sporen heeft nagelaten in het Nederlands.

In elk geval zijn heel wat woorden en frasen die we in het hedendaagse Nederlands in spreekwoorden en zegswijzen aantreffen in vrijwel dezelfde vorm terug te vinden in de Rijmbijbel. Bijvoorbeeld dat daghelixe brod (‘het dagelijks brood’) en die x ghebode(‘de tien geboden’). Veel woorden zijn nog steeds min of meer hetzelfde: bible (‘bijbel’), doude testament (‘het Oude Testament’), filistienen (‘Filistijnen’), fariseen (‘Farizeeën’). De namen van de belangrijkste personen uit het Nieuwe Testament zijn door Jacob van Maerlant weergegeven in de vorm waarin zij in de dertiende eeuw als voornaam in gebruik waren: Johannes is kortweg “Jan” en Petrus is “Pieter”. Jezus zelf is soms “Christus”, maar ook vaak “Kerst”. Voor hedendaagse lezers is dat heel ongewoon, maar wel begrijpelijk als je kijkt naar het woord Kerstmis. Ook de antichrist wordt trouwens zo behandeld door Van Maerlant; “antkerst” heet hij bij hem.

In andere gevallen is het algemene taalverandering waardoor wij nu andere woorden gebruiken dan Van Maerlant deed. Werpen wij ‘parels’ voor de zwijnen, daar wierp Maerlant “margariten”, het woord voor ‘parel’ dat in zijn tijd werd gebruikt.

Je moet dus even je best doen, maar wie wil, kan op de Rijmbijbel-tentoonstelling aardig wat bekends tegenkomen.

Lees ook:

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 oktober 2008
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.