Je leest:

Waarom Van Basten boven op het dak staat

Waarom Van Basten boven op het dak staat

Auteurs: en | 17 juni 2008

Sommige talen drukken ruimtelijke betekenis niet alleen uit met voorzetsels, maar kunnen dit ook doen met naamvallen. Het is natuurlijk niet erg economisch twee strategieën te hebben om hetzelfde te zeggen, en daarom ontstaat er eigenlijk altijd een handige werkverdeling: een korte vorm voor de standaardsituaties, en een specifiekere vorm voor de gekke gevallen.

Het Nederlands en de meeste buurtalen gebruiken voorzetsels om een ruimtelijke relatie tussen twee dingen uit te drukken. Dit is echter maar één van de mogelijkheden die talen in de wereld hiervoor hebben. Een heleboel talen combineren een voorzetselsysteem met ruimtelijke naamvallen. Wat is het verschil tussen de verschillende constructies, en waarom gebruiken sommige talen ze allebei?

Ruimtelijke betekenis

Het uitdrukken van ruimtelijke betekenis is misschien wel een van de belangrijkste functies van taal. We bewegen ons in een driedimensionale wereld, waarin het essentieel is dingen te kunnen aanwijzen en lokaliseren. In dit artikel gaat het bij ruimtelijke betekenis steeds om de ruimtelijke relatie tussen twee objecten. Het object dat gelokaliseerd wordt noemen we de Figure, het object dat gebruikt wordt om de Figure te lokaliseren noemen we de Ground. De Figure is typisch makkelijker te bewegen en kleiner dan de Ground. Je kunt het wel andersom doen, maar dat klinkt eigenlijk altijd raar. We zeggen niet ik steek mijn neus rond mijn vinger, maar liever ik steek mijn vinger in mijn neus (vrij naar Peter Svenonius). In de eerste zin is mijn neus de Figure en mijn vinger de Ground, in de tweede zin is het precies andersom.

Ruimtelijke betekenis kan opgedeeld worden in twee dimensies. Ten eerste is er een onderscheid in beweging. Een object kan stilstaan of bewegen, en als het beweegt, kan het ergens vandaan komen, een bepaald pad volgen, of ergens naartoe gaan. Natuurlijk hangt het er dan maar vanaf welk perspectief je neemt. Een bal kan tegelijkertijd van de stoel, langs de kast, en onder de tafel rollen. De tweede dimensie betreft de positie van de Figure ten opzichte van de Ground. Een boek kan bijvoorbeeld op, onder, naast en in de kast liggen, en een bal kan door, langs, in of over het doel gaan. Zoals je ziet drukken sommige voorzetsels deze twee dimensies tegelijkertijd uit ( langs zegt iets over de beweging en de positie), terwijl andere slechts één dimensie uitdrukken ( op zegt alleen iets over de positie).

De rode bal ligt achter de gele bal en voor de groene bal. Als je aan de andere kant van de tafel zou staan, zou het precies andersom zijn. Maar dat is niet in alle talen zo! In sommige talen ligt de rode bal bijvoorbeeld vanaf de groene bal richting de zee of vanaf de gele bal richting de berg. Dit verandert natuurlijk niet als je aan de andere kant van de tafel gaat staan.

Ruimtelijke taal

Veel talen maken gebruik van voorzetsels om ruimtelijke betekenis uit te drukken. Op wat voor manier de ruimtelijke betekenis daarbij wordt opgedeeld kan enorm verschillen. Dat kun je zelfs al zien wanneer je het Engels met het Nederlands vergelijkt:

(1) The ring is ON my finger De ring zit OM mijn vinger
    The cup is ON the table Het kopje staat OP tafel

Voorzetsels drukken meestal meerdere betekenissen uit. Om de betekenis ‘Figure wordt verticaal ondersteund door en heeft contact met Ground’ uit te drukken, gebruikt het Nederlands op en het Engels on. On kan ook de betekenis ‘Figure omsluit Ground’ uitdrukken, maar in het Nederlands gebruiken we daar een ander voorzetsel voor, namelijk om. De twee situaties zijn voor het Engels voldoende hetzelfde om allebei on genoemd te worden, maar wij vinden ze juist voldoende anders om er twee verschillende voorzetsels voor te gebruiken.

Dit verschil tussen talen kan heel erg groot worden. Sommige talen hebben vier of meer verschillende voorzetsels voor situaties die wij allemaal gewoon in noemen. Het Trio in Suriname, bijvoorbeeld, heeft verschillende voorzetsels voor ‘in een natte Ground’, ‘in een brandende Ground’, ‘in een tijd-Ground’, zoals dag of uur, en ‘in alle andere Grounds’. Andere talen hebben juist maar één voorzetsel voor alle mogelijke ruimtelijke relaties (zoals bijvoorbeeld het Tzeltal in Mexico), waar wij er in totaal rond de vijftig hebben. Kortom, talen kunnen heel erg verschillen in het aantal voorzetsels dat ze hebben, de betekenissen die ze daarmee uitdrukken, en de manier waarop verschillende betekenissen door verschillende voorzetsels samen worden genomen.

In het Nederlands zeggen we dat de bondscoach in, naast of voor de dug-out staat. Lang niet alle talen maken gebruik van voorzetsels. Het Fins past bijvoorbeeld de vorm van de Ground aan door het gebruik van naamvallen.

Veel talen gebruiken in plaats van voorzetsels naamval om ruimtelijke betekenis uit te drukken. Een voorbeeld van zo’n lokatieve naamval is de Finse inessief (INE):

(2) Marco on korsu-ssa Marco is dug.out-INE ‘Marco zit in de dug-out’

Aan de vorm van korsu ‘de dug-out’ in (2) kun je zien wat de ruimtelijke relatie tussen Marco en de dug-out is. Wanneer we in plaats van de inessief de adessief gebruiken, krijgen we een hele andere betekenis:

(3)   Marco   on   korsu-lla        Marco   is    dug.out-ADE       ’Marco staat bij de dug-out’

  Het Finse lokatieve naamvalsysteem

In het naamvalsdomein zien we veel minder variatie dan bij de voorzetsels. Als een taal lokatieve naamvallen heeft, maakt hij vrijwel altijd eerst onderscheid in de bewegingsdimensie. Er zijn dan verschillende naamvallen om duidelijk te maken of de Figure stil staat ten opzichte van de Ground, ernaartoe gaat, of er juist vandaan komt. Soms is er ook een aparte vorm voor de Ground als de Figure erdoorheen gaat, maar meer smaken zijn er niet.

Daarnaast kunnen talen met naamval dan een verschil maken in de positie van de Figure ten opzichte van de Ground. Deze tweede dimensie wordt maar heel beperkt uitgedrukt door naamvallen. Waar voorzetsels hier allerlei fijne betekenisverschillen maken, zegt naamval hier vaak helemaal niets over, of slechts heel beperkt zoals we zagen in de voorbeelden uit het Fins. Een paar talen maken hier nog een vijfvoudig onderscheid (zoals het Lezgian in Dagestan, dat verschillende naamvallen heeft voor in, op, bij, onder en naast), maar verder dan dit lijkt het niet te gaan. Er is dus veel meer variatie in voorzetsels dan in naamvallen in talen van de wereld.

Kiezen of delen

Veel talen kunnen verschillende strategieën combineren om ruimtelijke betekenis uit te drukken. Het Nederlands gebruikt bijvoorbeeld werkwoorden om nog specifieker te zijn over de ruimtelijke relatie tussen Figure en Ground. Als een sticker op tafel ligt kan hij makkelijk verschuiven; maar als een sticker op tafel zit, zit hij vastgeplakt. Andere talen, zoals het Yélî Dnye in Papoea-Nieuw-Guinea, hebben hier juist weer verschillende voorzetsels voor. Talen die ruimtelijke naamval gebruiken, hebben daarnaast ook vaak nog een voorzetselsysteem. Het Fins bijvoorbeeld, kan in plaats van de naamvalsconstructie zoals in (3) hierboven ook een voorzetselconstructie gebruiken (eigenlijk een _achterzetsel_constructie). Achter de Ground komt een voorzetsel te staan dat de ruimtelijke relatie uitdrukt. De ground zelf krijgt de genitieve naamval (GEN) om aan te geven dat het bij het voorzetsel hoort:

(4)   Marco   on   korsu-n           päällä        Marco   is    dug.out-GEN  op       ’Marco staat boven op de dug-out’

In het Nederlands gebruiken we ook niet alleen voorzetsels om de ruimtelijke relatie tussen twee objecten weer te geven. Ook het werkwoord bepaalt hoe een zin begrepen wordt. Het plakband ligt op de tafel betekent iets anders dan het plakband zit op de tafel.

Maar waarom zouden talen dat doen? Waarom twee constructies gebruiken als het ook met één kan?

De twee strategieën hebben elk hun eigen voor- en nadelen. Het voordeel van de naamvalsconstructie is dat hij efficiënt is: er hoeven minder morfemen gebruikt te worden. Een morfeem is een talige eenheid met betekenis, een bouwblok. Het woord achternichten bijvoorbeeld bestaat uit drie morfemen: het voorzetsel achter, het zelfstandig naamwoord nicht, en het meervoudsmorfeem -en. Hoe minder morfemen je hoeft te gebruiken, hoe minder moeite je hoeft te doen bij het spreken. In een voorzetselconstructie gebruik je altijd één morfeem meer dan in een naamvalsconstructie (vergelijk voorbeeld (4) maar met (3)). Het nadeel van de naamvalsconstructie is echter dat je niet altijd precies duidelijk kunt maken wat de ruimtelijke relatie is. Als je echt specifiek wilt zijn, moet je wel een voorzetsel gebruiken. Dit is natuurlijk meteen weer het voordeel van de voorzetselconstructie.

Sommige talen vinden de nadelen van een strategie zo zwaar wegen, dat ze deze strategie helemaal nooit gebruiken. Deze talen hebben of alleen maar voorzetsels, of alleen maar naamvallen. Andere talen kiezen per situatie welke strategie het handigste is. Wanneer we het over de relatie tussen een voetbalcoach en een dug-out hebben, is het eigenlijk altijd wel zo dat de coach in de dug-out zit, of er in de buurt staat. Dit zal het Fins dan ook met de goedkope naamvalsconstructie uitdrukken. Wanneer de coach heel verrassend boven op de dug-out staat, gebruikt het Fins juist de voorzetselconstructie.

Kunnen talen wel kiezen?

Talen kiezen natuurlijk niet echt voor bepaalde constructies. In de loop van de tijd veranderen woorden en constructies. Veranderingen die gemakkelijk geleerd kunnen worden door de volgende generatie of die eenvoudig te gebruiken zijn, worden vaker gebruikt dan veranderingen die moeilijk geleerd kunnen worden of eigenlijk niet handig zijn. Als iets steeds minder gebruikt wordt, verdwijnt het uiteindelijk uit de taal.

Het Nederlands doet eigenlijk iets heel erg vergelijkbaars. In de gekke situatie gebruiken we liever bovenop in plaats van op. We hebben deze specifiekere (maar duurdere) vorm tot onze beschikking, die indien nodig gebruikt kan worden om een onverwachte betekenis over te brengen.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 17 juni 2008
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.