Je leest:

Waarom klinken vragen altijd hoger?

Waarom klinken vragen altijd hoger?

Auteur: | 20 mei 2007

Als je een vraag stelt, klinkt je stem beduidend hoger dan bij een gewone mededeling. Dit verschijnsel komt in zo veel uiteenlopende talen voor dat het wel universeel moet zijn. Waar komt het vandaan? De Amerikaanse taalkundige John Ohala heeft er een fascinerende theorie over.

Wie naar vraaggesprekken op radio of televisie luistert, kan het verschijnsel keer op keer waarnemen. Een interviewer opent een gesprek meestal met enkele mededelingen, bijvoorbeeld: ‘Uw organisatie is al jaren actief in de natuurbescherming. Onlangs hebt u weer een overwinning behaald in de strijd tegen de Betuwelijn.’ Dan volgt een vraag, bijvoorbeeld: ‘Is het moeilijk vrijwilligers voor dit werk te vinden?’ Het opmerkelijke is nu dat zo’n vraag doorgaans duidelijk hoger klinkt dan de rest. Spreek de drie zinnen maar eens hardop uit, en u zult merken dat de vraag het als het ware vanzelf hogerop zoekt. Hoe zit dat precies? Wat hebben vragen en toonhoogte met elkaar te maken?

De toonhoogte wordt bepaald door de snelheid waarmee een spreker zijn stembanden laat trillen. Hoe sneller de trillingen, des te hoger de toon. Uit iemands toonhoogte valt allerlei informatie af te leiden. Om te beginnen het geslacht van de spreker en tot op zekere hoogte ook de leeftijd. Vrouwen spreken gemiddeld een octaaf hoger dan mannen: hun stembanden zijn korter en trillen daardoor sneller. Dat verschil ontwikkelt zich pas na de puberteit, dus als we een relatief hoge stem horen, kan die evengoed van een kind zijn (meisje én jongen) als van een volwassen vrouw. Overigens komen na de middelbare leeftijd de toonhoogtes van mannen en vrouwen weer dichter bij elkaar. De stem van de man wordt dan gemiddeld iets hoger, terwijl die van de vrouw juist wat zakt.

Intonatie

Belangrijker is dat we in onze dagelijkse communicatie ook doorlopend gebruikmaken van toonhoogte, onverschillig of we van nature een hoge of een lage stem hebben. Om te beginnen kunnen we met onze toonhoogte emoties uitdrukken, zoals angst (hoge toon) of neerslachtigheid (lage toon). Daarnaast benutten we toonhoogte om onze spraak een bepaalde intonatie te geven. Stel dat we de zin ‘De poes moet nog voer hebben’ hardop moeten uitspreken. Tien tegen een dat we de woorden poes en voer elk een accent geven. Zo’n accent maken we door op die woorden de toon razendsnel omhoog te laten schieten en weer heel snel te laten dalen. Zo ontstaan ‘toonpieken’ en ‘toondalen’, die samen een ‘zinsmelodie’ vormen. Op papier ziet die melodie eruit als een soort berglandschap, officieel ‘intonatiecontour’ geheten:

Voor de luisteraar bevat zo’n contour nuttige informatie; de accenten geven bijvoorbeeld aan welke onderdelen van de zin als belangrijk moeten worden opgevat. Intonatie wijst dus de weg naar de juiste interpretatie.

Trucs

Zo’n driekwart eeuw geleden viel het taalkundigen voor het eerst op dat het gemiddelde toonniveau in vraagzinnen beduidend hoger ligt dan in mededelingen. Dat bleek op te gaan voor een groot aantal talen die geen familie van elkaar zijn en die op uiteenlopende plaatsen in de wereld worden gesproken. Met andere woorden: overal ter wereld verhogen vraagstellers hun toon, onverschillig of hun moedertaal nu Nederlands, Bengaals, Cherokee of Luganda is.

Hoe gaat dat verhogen nu precies in zijn werk? Wanneer we een groot aantal talen naast elkaar leggen, blijken die allerlei ‘trucjes’ te hebben om de gemiddelde toonhoogte in vragen omhoog te krijgen. Om te beginnen krijgen vragen in veel talen een zogenoemde eindstijging. De toon schiet dan in (de buurt van) de laatste lettergreep abrupt omhoog zonder daarna weer naar beneden te gaan (zie de volgende figuur). Hele generaties schoolmeesters hebben zich ingespannen om hun leerlingen bij het voorlezen netjes die eindstijging te laten produceren.

Opmerkelijker is dat we zowel in talen mét als in talen zonder eindstijging zien dat de complete vraag, van begin tot eind, op een hoger toonniveau wordt uitgesproken. Daardoor steekt de vraag auditief als het ware boven mededelingen uit en dat maakt een luisteraar waarschijnlijk extra alert. Dat heeft weer zijn nut, want de aangesprokene moet natuurlijk wel met een antwoord komen, iets wat niet nodig is na mededelingen. Zo’n verhoogd toonniveau is heel goed te horen in het voorbeeld van het interview aan het begin.

Spaanse vragen

Het Spaans heeft zelfs een apart leesteken om aan te geven dat het toonniveau van de vraag verhoogd moet worden: het omgekeerde vraagteken (¿), dat een plaats krijgt aan het begin van een geschreven vraag. Deze taal kent niet de omdraaiing van onderwerp en persoonsvorm waarmee we van de Nederlandse mededeling ‘Je komt morgen’ de vraag ‘Kom je morgen?’ kunnen maken. Dus kan het geschreven Spaanse Vienes mananazowel een mededeling zijn als een vraag: ‘Je komt morgen / Kom je morgen?’ Wie de zin voorleest, kan alleen maar met de intonatie aangeven welke van de twee is bedoeld. Het speciale leesteken ¿, dat in 1754 door de Koninklijke Spaanse Academie is ingevoerd, komt dan goed van pas. Het maakt de voorlezer duidelijk dat het om een vraag gaat, zodat het toonniveau al vanaf het begin van de zin verhoogd kan worden.

Weer een andere truc om de toon in vragen te verhogen, is het maken van zogeheten hoge toonplateaus. Zo’n plateau ontstaat wanneer een spreker de accentpieken en de eindstijging rechtstreeks met elkaar verbindt. Omdat de toonhoogte tussendoor niet zakt, heeft de intonatiecontour een extra portie hoge toon. Hieronder ziet u een voorbeeld: tussen de accenten op poes en voer en de daaropvolgende eindstijging blijft de toon aanhoudend hoog.

We zien ook dat accentpieken in vragen dikwijls hoger zijn dan in mededelingen. In veel talen is het gebruikelijk dat de toonhoogte in de loop van een mededeling langzaam daalt. Maar in een vraag wordt dat mechanisme als het ware onderdrukt: de toonhoogte blijft hoog en daarmee onderscheidt de vraag zich duidelijk van de mededeling.

Het verschijnsel dat mededelingen lage of dalende tonen hebben, en vragen hoge of stijgende tonen, geldt zelfs voor ‘toontalen’, waar met toonhoogte eigenlijk vooral verschillen in betekenis worden uitgedrukt (zie het kader Toontalen).

Oergeluiden

Taalgebruikers beschikken dus over een heel scala aan middelen om de toonhoogte in vragen omhoog te krijgen. Sommige talen springen daar zuinig mee om en gebruiken er maar een of twee, maar in andere talen worden vlotweg alle middelen tegelijk ingezet. De toonverhoging in vragen is inmiddels al in een paar honderd talen aangetroffen. En er zijn nog geen talen gesignaleerd waar dit verschijnsel ontbreekt, of waar het de omgekeerde richting heeft (dus: vragen hebben gemiddeld een lagere toon dan mededelingen).

Daarom nemen nogal wat taalwetenschappers aan dat de hoge toon in vragen een universeel verschijnsel is, iets wat ieder mens van nature in zich heeft en wat niet gekoppeld is aan de een of andere taal. Een volgende vraag is dan natuurlijk: waar komt dit intrigerende verschijnsel vandaan? Wetenschappers zijn met uiteenlopende verklaringen gekomen, maar de interessantste theorie is ongetwijfeld die van de Amerikaanse klankspecialist John Ohala.

Ohala heeft zijn licht opgestoken bij ethologen, de wetenschappers die onderzoek doen naar diergedrag. Dat leverde opmerkelijke inzichten op. Wanneer rivaliserende exemplaren van eenzelfde diersoort elkaar tegenkomen, produceren ze bepaalde geluiden. Onderzoek bij 28 zoogdiersoorten en 28 vogelsoorten heeft laten zien dat die geluiden opvallend veel op elkaar lijken. Een dier dat zich bij zo’n confrontatie agressief en dominant opstelt, produceert een laag, ruw geluid, terwijl het geluid van een onzeker, onderworpen exemplaar steevast hoogtonig is. Kennelijk gebruiken zulke uiteenlopende diersoorten als neushoorn, kikker en mees hoge en lage toonhoogte om bepaalde signalen te geven.

Toontalen

Van alle talen op de wereld is ruim de helft toontaal. In een toontaal verander je de betekenis van een woord door een andere toon te gebruiken, bijvoorbeeld een glijtoon in plaats van een egale toon. Een bekend voorbeeld is het woord ma in het Mandarijnenchinees. Afhankelijk van de gekozen to(o)n(en) kan ma zulke uiteenlopende betekenissen hebben als ‘moeder’, ‘hennep’, ‘paard’ en ‘schelden’.

Toontalen komen op grote schaal voor in Afrika en Azië, maar ook in ons eigen land wordt, heel bescheiden, gebruikgemaakt van toon om betekenis te onderscheiden. Zo kan in een aantal Limburgse dialecten het woord bein zowel het enkelvoud ‘been’ als het meervoud ‘benen’ aanduiden, afhankelijk van de gebruikte toon. Voor niet-Limburgers is dit subtiele verschil heel moeilijk te horen. Maar misschien verklaart het (ten dele) waarom buitenstaanders het Limburgs zo zangerig vinden klinken.

Lichaamsgrootte

Voor die tweedeling tussen hoogtonige en laagtonige signalen lijkt een goede verklaring te bestaan. In het algemeen geldt binnen dezelfde diersoort dat een groot exemplaar sterker is dan een kleiner uitgevallen soortgenoot. Een grotere lichaamsmassa betekent óók dat de stembanden langer zijn, minder snel trillen en dus een lager geluid voortbrengen.

Bij een vijandige ontmoeting benutten dieren dit natuurlijke gegeven. Een relatief laag geluid geeft dan het signaal ‘Opgepast, ik ben groot en dus sterk, en als we gaan vechten delf jij het onderspit.’ Dit geluidssignaal kan nog worden onderstreept met visuele signalen. Zo kan het dier een hoge rug opzetten, haren en oren omhoog laten staan, de vleugels wijd uitspreiden, enzovoort. Hoe dan ook, de boodschap aan de rivaal is duidelijk intimiderend: ‘Waag het niet met mij te spotten!’

Omgekeerd gaat een kleiner lichaam doorgaans samen met kortere stembanden, die sneller trillen en Het is overigens wel duidelijk dat de Duitse herder hierboven zijn overwicht rechtstreeks ontleent aan zijn lichaamsgrootte. Maar treft hij een vijandige soortgenoot die ongeveer even groot is als hijzelf, dan maken die twee wel degelijk gebruik van geluidshoogte om elkaar te intimideren of om onderworpenheid te tonen.

Nieuwslezers

Toonhoogte speelt in diergedrag dus een belangrijke rol. In dreigsituaties gebruiken mannetjes het als een code waarmee ze elkaar signalen kunnen geven over hun lichaamskracht en hun directe bedoelingen: willen ze het gevecht aangaan of lijkt onderwerping verstandiger?

Ohala introduceert voor dit specifieke gebruik van toonhoogte de term ‘frequentiecode’, naar de trilfrequentie van de stembanden, die dus de toonhoogte bepaalt. Hij is ervan overtuigd dat de frequentiecode ook volop in gebruik is bij de mens. Immers, als sprekers een (relatief) lage of dalende toonhoogte gebruiken, wekken ze de indruk dat ze zelfverzekerd zijn en gezag hebben. Daarentegen komen sprekers die hun toonhoogte (relatief) hoog of stijgend maken over als onzeker, afhankelijk en onderdanig. Het is bekend dat deelnemers aan assertiviteitstrainingen altijd te horen krijgen dat ze hun stem zo laag mogelijk moeten maken om zelfvertrouwen uit te stralen.

Ohala wijst ook op de tendens om nieuwslezers te selecteren die een lage stem hebben, en daarmee gezaghebbender overkomen. Evenzo zal een toneelregisseur niet snel een acteur met een hoge stem kiezen voor de hoofdrol in een koningsdrama. Zelf liet Ohala een aantal (Amerikaanse) luisteraars kiezen tussen telkens twee stukjes kunstmatig verhoogde en verlaagde spraak: welk van de twee klonk het meest dominant? De proefpersonen wezen in overgrote meerderheid de laagtonige fragmenten als de dominantste aan.

Stevig verankerd

De frequentiecode verklaart volgens Ohala ook waarom in zo veel talen vragen naar verhouding meer hoge toon hebben dan mededelingen. We moeten dat als volgt zien. Een vragensteller heeft op het vlak van de informatievoorziening een achterstand: hij is voor bepaalde informatie aangewezen op de luisteraar. In die zin is hij een soort underdog en zijn afhankelijkheid van de luisteraar uit zich in een verhoogde toonhoogte. De aangesprokene daarentegen zit in een comfortabele positie; hij beschikt immers over de gevraagde informatie. Dat maakt hem zelfverzekerd, iets wat doorklinkt in de relatief lage toonhoogte van zijn antwoord.

Het verbazingwekkende gegeven dat hoge en lage toon in zo veel verschillende culturen en talen op precies dezelfde manieren wordt gebruikt, duidt er volgens Ohala op dat de frequentiecode aangeboren is. Het basisgegeven is biologisch: lagere toon hoort bij een groter lichaam, hogere toon bij een kleiner lichaam. In het verlengde daarvan associëren we een lage toon met overwicht, gezag en zelfvertrouwen, en een hoge toon met onderdanigheid, afhankelijkheid en onzekerheid. En daarom gebruiken we een lage of dalende toon als we iets mee te delen hebben, en een hoge of stijgende toon als we iemand iets moeten vragen.

Dit gebruik van hoge tegenover lage toon ligt zo stevig in ons communicatiesysteem verankerd dat taalveranderingen er geen vat op krijgen. En dat terwijl talen doorlopend aan veranderingen onderhevig zijn. Neem het Franse boeuf en het Engelse cow, twee woorden die langgeleden eenzelfde oorsprong hadden, maar nu door een serie klankveranderingen volledig verschillend zijn geworden. Het gebruik van hoge tegenover lage toon daarentegen lijkt door de eeuwen heen zijn ‘oerbetekenis’ te hebben behouden.

Dit artikel is gebaseerd op artikelen van John Ohala uit 1983.1984 en 1994. en op het in 2002 verschenen proefschrift van Judith Haan, Speaking of Questions. An Exploration of Dutch Question Intonation. Het is in 2003 bekroond met de prijs van de LOT (Landelijke Onderzoekschool Taalwetenschap) voor het beste populairwetenschappeiijke taalkundeartikel.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 20 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.