Je leest:

Waarom gaat bewegen samen met gezondheid?

Waarom gaat bewegen samen met gezondheid?

Bewegen draaide ooit om drie V’s: voeding, voortplanting en veiligheid. Wie duizenden jaren geleden wilde eten moest dat eten zelf gaan bejagen of verzamelen. Wie niet gegeten wilde worden moest bij tijd en wijle de benen kunnen nemen en voor een aardige date kon je niet terugvallen op internet.

De wetten van de economie golden destijds ook al. Bewegen om te eten was alleen zinvol als jagen of zoeken van eten meer energie opleverde dan het kostte. Dat betekent dat individuen die zuinig met beschikbare energie omsprongen een grotere kans om te overleven hadden dan zij die al bewegend te veel vetten en koolhydraten verkwistten.

Anderzijds was er de noodzaak om voedsel efficiënt te kunnen opslaan. En dan niet in een koelkast, maar als onderhuids vet in het eigen lichaam. Daarmee waren dus ook individuen die efficiënt energie konden opslaan in vetweefsel evolutionair gezien in het voordeel. Tot overmaat van ramp voor de moderne mens, waren onze voorouders ook in het voordeel als ze zich niet al te duk maakten. ‘Liever lui dan moe’ komt in die zin niet uit de lucht vallen. Zo ontstond een mens die geneigd was stil te zitten, efficiënt voeding verteerde en opsloeg, en heel zuinig met energie om wist te gaan als er toch bewogen moest worden.

Zelfs het uitlaten van de hond weten sommigen nog zonder inspanning voor elkaar te krijgen.
Imageselect

Nu bewegen geen noodzaak meer is keert die evolutie zich tegen ons. Het gevolg is dat veel van onze tijdgenoten kampen met een verstoorde energiebalans: we eten meer dan we gebruiken. Dat gaat een tijdje goed, de overtollige energie wordt als vet opgeslagen in de depots die de evolutie daarvoor heeft bedacht. Het gaat mis op het moment dat die depots vol raken, en vet wordt opgeslagen op plaatsen die daar niet geschikt voor zijn. De lever en de bloedbaan zijn wat dat betreft beruchte plaatsen. Hart- en vaataandoeningen, diabetes mellitus type II, obesitas en verscheidene vormen van kanker kunnen een gevolg zijn van vetopslag op de verkeerde plaatsen.

De veel gehoorde slogan ‘use it or lose it’ is ook door Moeder Natuur bedacht. Energie moet zo efficiënt mogelijk worden gebruikt, dus structuren en organen die je niet gebruikt kun je beter zo klein mogelijk houden. Hoe groter een spier is, des te meer energie kost het onderhoud. Wat je niet gebruikt, wordt door het lijf dus ‘opgeruimd’. Wie veel stilzit krijgt kleinere en slappere spieren en brozere botten.

Voldoende bewegen is dus van belang voor een goede energiebalans, om te voorkomen dat je vetdepots overvol raken en om te zorgen dat je lijf goed blijft functioneren en zichzelf niet gaat opruimen.

Een vette (links) versus een gezonde lever (rechts); de ‘rokerslong’ van de toekomst?
Shutterstock (l) Wikimedia Commons®

Het bewijs

Er zijn beroemde studies die verbanden tussen gezondheid en bewegen laten zien. In de jaren vijftig werd in Groot-Brittannië een studie uitgevoerd onder buschauffeurs en conducteurs. De opzet was simpel: voor 31.000 werknemers van het Londense openbaar vervoer werd onderzocht of ze in de twee voorafgaande jaren hart- en vaatproblemen hadden gehad. Het bleek dat de chauffeurs beduidend vaker geconfronteerd werden met hart- en vaatziekten dan de conducteurs. De conducteurs liepen de hele dag door de dubbeldekker, trap op trap af. De chauffeurs zaten hun hele dienst achter het stuur.

Uit een ander onderzoek onder 2.236 schaatsers die in 1956 aan de Elfstedentocht deelnamen, bleek dat 32 jaar later duidelijk minder van hen waren overleden dan je op basis van de statistieken mocht verwachten. De Elfstedentocht bestaat uit een wedstrijdtocht en een deel voor toerrijders. De toerrijders zijn wat minder fanatiek dan de wedstrijdrijders, maar zijn in vergelijking met de gemiddelde Nederlander toch ook goed getraind. Onder de toerrijders bleken in 32 jaar 28% minder mensen overleden te zijn dan je zou verwachten op basis van de gemiddelden, en onder de wedstrijdrijders 10% minder. Een Engels onderzoek onder deelnemers aan de boatrace, de prestigieuze jaarlijkse roeiwedstrijd tussen de universiteiten van Cambridge en Oxford, liet vergelijkbare effecten zien voor de roeiers ten opzichte van de gemiddelde bevolking.

De roeiers van Oxford en Cambridge zijn dankbare ‘proefkonijnen’.
Imageselect

Oorzaak of statistiek

Toch betekent dit niet dat schaatsen, roeien, of kaartjes knippen op een dubbeldeksbus je leven verlengt. Het betrof hier steeds beschrijvend onderzoek. Verbanden werden achteraf gelegd. Misschien kregen de buschauffeurs wel meer hartkwalen door de stress over het gedrag van medeweggebruikers. Of misschien voelden de buschauffeurs vooraf al wel, bewust of onbewust, dat ze minder gezond waren, en kozen ze daarom een beroep dat fysiek minder belastend was. Misschien zijn buschauffeurs en –conducteurs sowieso wel heel verschillende typen mensen. Hetzelfde geldt wellicht voor sporters. Misschien doen gezonde mensen gewoon vaker aan sport?

Op basis van dit soort studies achteraf, mag je dus niet zomaar concluderen dat er een oorzakelijk verband is. Daarvoor moet je zogenoemde interventiestudies uitvoeren. Bij een interventiestudie verdeel je mensen in twee groepen met gelijke eigenschappen: gelijke gezondheid, net zoveel zin om te gaan sporten en evenveel eetlust. Vervolgens laat je de ene groep sporten of bewegen en de andere stilzitten. Als je dán ontdekt dat de sportende groep langer leeft dan de stilzitters, dan mag je concluderen dat sporten je beschermt tegen een vroegtijdige dood. In jargon heet dit een Randomized Controlled Trial, een RCT.

Aan dit soort studies zitten de nodige praktische en ethische bezwaren. Een praktisch bezwaar is dat je wel heel lang moet wachten op je onderzoeksresultaten, zeker als je wilt weten of je langer leeft door te sporten. Een ander praktisch bezwaar zou kunnen zijn dat het moeilijk is om een grote groep mensen een leven lang stil te laten zitten. Behalve dat dit in de praktijk lastig uitvoerbaar is, zou een dergelijk aanpak ook ethisch bezwaarlijk zijn. Je kunt mensen niet doelbewust aan een mogelijk risico blootstellen.

Volgen in de tijd

In plaats van onderzoek achteraf (retrospectief), zoals met de sporters of de buschauffeurs, kun je ook een zogenoemd prospectief cohortonderzoek doen. Daarbij wordt een groep mensen (een cohort) willekeurig geselecteerd, en vervolgens over een hele lange tijd gevolgd, zonder dat hen verder iets in de weg wordt gelegd. Ze mogen in hun dagelijks leven doen en laten wat ze willen. Het enige wat van hen wordt gevraagd is om eens in de zoveel tijd, bijvoorbeeld om de vijf jaar, zich te laten onderzoeken of vragenlijsten in te vullen. Het voordeel van deze aanpak is dat je kunt kijken hoe de leefstijl en daarmee het beweeggedrag over de jaren verandert en hoe op elk van de meetmomenten de gezondheid al dan niet mee verandert. Het probleem blijft ook hier in het woordje ‘mee’ zitten, want ook in deze opzet mag je niet zomaar concluderen dat een causaal verband ten grondslag ligt aan een associatie tussen een bepaalde leefstijl aan het begin van de studie en een gezondheidsuitkomst na 5, 10 of 15 jaar.

Een mooi voorbeeld van een dergelijke aanpak is het Amsterdamse Groei- en Gezondheidsonderzoek, dat in 1976 van start ging met 600 Amsterdamse 13-jarige jongens en meisjes. Van die scholieren werd eens in de vijf jaar een grote hoeveelheid gezondheidsgegevens verzameld. Inmiddels is het eerste cohort al zeven of acht keer onderzocht, wat een schat aan gegevens heeft opgeleverd. Een opvallend resultaat is bijvoorbeeld dat deelnemers die als puber al niet zo fit waren, en die dat op 36-jarige leeftijd nog steeds niet waren, dikker zijn, een ongunstige verdeling van lichaamsvet over hun lijf hebben en slechtere en stijvere bloedvaten hebben. Dit zijn allemaal risicofactoren voor hart-en vaatziekten.

Tweelingen

De Vrije Universiteit in Amsterdam houdt een – inmiddels wereldberoemd – Nederlands Tweelingen Register (NTR) bij. De ouders van tweelingen, en later de ook de tweelingen zelf, krijgen de vraag of ze daarin opgenomen willen worden. Vervolgens krijgen ze met enige regelmaat vragenlijsten toegestuurd over hun gezondheid en hun leven. Dit tweelingenregister is natuurlijk een heel bijzonder cohort. Het gaat om kleine groepjes van twee mensen die genetisch en sociaal meer of minder met elkaar verbonden zijn. Er zitten tweeeiige tweelingen bij, die genetisch net zoveel van elkaar verschillen als ‘gewone’ broers en zussen, en eeneiige, die genetisch identiek zijn. Er zitten tweelingen bij die gescheiden opgroeien, en ook tweelingen die elke dag dezelfde kleren aantrekken, waarbij hun ouders er soms zelfs op letten dat ze niets verschillend doen.

Het NTR heeft onderzoek gedaan naar het sportgedrag onder jongeren. Daaruit bleek dat op jonge leeftijd vooral de sociale omgeving bepaalt of, en zo ja hoeveel je sport. Later spelen genetische factoren een veel belangrijker rol. Dat zijn voor beleidsmakers die mensen proberen aan te zetten tot sporten natuurlijk interessante gegevens. Hoe krijg je bijvoorbeeld mensen aan het bewegen als dat toch vooral door je genen bepaald wordt en minder door je sociale omgeving? Hebben campagnes dan wel zin? Moet je een heel erg dwingende campagne bedenken, of moet je je misschien op andere lichamelijke activiteiten dan sport richten?

Bewegen en diabetes

Ook op het gebied van chronische ziekten en veroudering kent Nederland een aantal, inmiddels vermaarde cohortstudies. Ruim twintig jaar geleden werd, ook door de Vrije Universiteit, in West- Friesland de Hoornstudie gestart onder ruim 2.000 willekeurige Westfriezen tussen de 50 en 75 jaar oud. Het doel van die studie was het vóórkomen van ‘ouderdomssuikerziekte’ (diabetes mellitus type II) in kaart te brengen. Zo is ontdekt dat er net zoveel mensen met type II-diabetes rondlopen die dat nog niet weten, als mensen die al wel gediagnosticeerd zijn. Ook bleek 35% van de mensen met diabetes vaatproblemen te hebben. Vaatproblemen zijn een belangrijke oorzaak van hartproblemen en mensen met diabetes bleken dan ook een lagere levensverwachting te hebben.

In 2006 is een nieuwe Hoornstudie gestart, onder meer met als doel meer inzicht te krijgen in factoren die samenhangen met het ontstaan en voorkómen van type II-diabetes. Bewegen blijkt een belangrijke factor in het voorkómen van deze ziekte. Daarom wordt in een ander cohortonderzoek, de Maastricht Studie, de dagelijkse lichamelijke activiteit expliciet gemeten. In de Maastricht Studie, die in 2010 van start gegaan is, worden 5.000 mensen met type II-diabetes en 5.000 mensen zonder leefstijlgerelateerde chronische aandoening elke vijf jaar gemeten. Ze komen daarvoor naar een onderzoekscentrum waar ze gedurende drie dagdelen ‘binnenste buiten worden gekeerd’. Daarnaast wordt hen ook nog gevraagd om gedurende een week met een aantal metertjes rond te lopen. Een van die metertjes is een activiteitenmonitor die 24/7 registreert of ze zitten, liggen of staan, en hoe actief ze zijn. Sluitend bewijs voor een oorzakelijk verband kunnen dit soort cohortstudies niet leveren, maar door hun grote omvang, hun lange duur en de vele factoren die tegelijkertijd worden gemeten, wordt aan dit soort studies toch een zekere bewijskracht toegekend.

In de Maastrichtstudie worden 10.000 mensen om de vijf jaar onderzocht.
Dr. Hans Savelberg / Universiteit Maastricht

Het hardste bewijs

Het enige echte bewijs voor causale verbanden, de ‘gouden standaard’, blijft een gerandomiseerd en gecontroleerd onderzoek, een RCT. Door middel van RCT’s is onderzocht wat de invloed is van verschillende vormen van bewegen en sport op hart- en longconditie, spierkracht, het zogenoemde lipiden- en lipoproteïne profiel van het bloed, de bloeddruk, de insuline- en glucoseconcentraties in bloedplasma, de gevoeligheid voor insuline, het cognitief functioneren en het lichaamsgewicht.

In een recent Amerikaans onderzoek is onderzocht of één (!) dag niet bewegen al invloed heeft op de insulinegevoeligheid. Insuline is een hormoon dat de bloedsuikerspiegel regelt. Als je lijf niet meer zo gevoelig is voor insuline stijgt de bloedsuikerspiegel. Dat leidt op den duur tot diabetes type II. In dit onderzoek moesten de deelnemers drie protocollen volgen, elk protocol op een andere dag. Op één dag mochten ze gewoon zoveel bewegen als ze normaal deden. Tijdens deze ‘beweegdag’ gebruikten ze ongeveer 3.000 kcal. Dat was ook de hoeveelheid energie die ze via het eten binnen kregen. Tijdens de twee andere dagen moesten ze zoveel mogelijk stil zitten. Hun energiegebruik werd daardoor gereduceerd tot 2.000 kcal. Tijdens één van deze twee ‘zitdagen’ kregen ze hun gewone menu te eten van 3.000 kcal. Op de andere dag werd het menu aangepast zodat energie-inname en -gebruik met elkaar in balans waren. Na elke dag werd de de gevoeligheid van het lijf voor insuline gemeten. Die bleek na de zitdag met afgepaste energie-inname 18% lager dan na de beweegdag. Na de zitdag waarbij normaal werd gegeten was de insulinegevoeligheid zelfs 39% lager dan normaal.

Het verband tussen de mate van fysieke activiteit en het risico op chronische aandoeningen.

Wat dit betekent voor de dagelijkse praktijk en voor de gezondheid op de langere termijn is niet gemakkelijk hard te maken. Daarvoor moeten onderzoekers vaak weer terugvallen op cohortstudies of ‘achteraf-onderzoek’. Om toch aanbevelingen te doen over gezond beweeggedrag, baseren onderzoekers zich meestal op een combinatie van RCT’s, cohortstudies en beschrijvend onderzoek achteraf. Per gezondheidsprobleem wordt de relatie met lichamelijke activiteit op een aantal criteria beoordeeld. Er wordt gekeken naar de kracht en consistentie van het gevonden verband, naar de relatie tussen de dosis (de hoeveelheid beweging) en het (gezondheids)effect, en ook of een relatie biologisch wel logisch is. Voor een aantal belangrijke chronische aandoeningen is op die manier een causale relatie tussen lichamelijke activiteit en gezondheidsproblemen vastgesteld.

Hoeveel bewegen die andere dieren dan?

Nadenken over het belang van voldoende beweging is interessant omdat we het niet voldoende doen, bewegen. Toen mensen nog grotendeels onderdeel waren van de natuur was er weinig aan de hand. Het ging pas mis toen er ook cultuur in ons leven werd geïntroduceerd. Zo bezien kunnen we misschien nog wat leren van de natuur als het gaat om de hoeveelheid en de kwaliteit van onze dagelijks portie beweging.

De wetenschappelijke literatuur lijkt geen rijke bron van informatie over de dagelijkse hoeveelheid beweging van dieren. “Er is in ieder geval een enorme variatie”, stelt bijvoorbeeld professor Serge Daan, emeritus hoogleraar chronobiologie van de Rijksuniversiteit in Groningen. Daan heeft zich zijn hele academische leven bezig gehouden met wat je met een beetje goede wil de ‘tegenhanger’ van beweging zou kunnen noemen: slapen. “Daarmee doe je zowel het bewegen als het slapen tekort”, benadrukt Daan, “maar bij gebrek aan goede overzichten van de hoeveelheid beweging is inzicht in de hoeveelheid slaap in ieder geval een manier om toch een redelijke indruk te krijgen van de activiteit van verschillende diersoorten.”

De hoeveelheid slaap van dieren zoals gemeten in gevangenschap. De tijd dat dieren slapen varieert aanzienlijk, van het ‘dutje’ dat spitsmuizen doen tot de diepe slaap van een luiaard. De mens heeft met een slaaptijd van ongeveer 8 uur een gemiddelde positie.

Theo Pasveer BNO Cartographics

Een overzicht van de hoeveelheid slaap van verschillende zoogdieren vermeldt dat de tuimelaar (een dolfijnensoort) en de spitsmuis minder dan één uur per etmaal slapen. Via de olifant (4 uur), het schaap (6 uur), het konijn (10 uur) en de eekhoorn (14 uur) komt het overzicht uiteindelijk uit bij de luiaard, die maar liefst 20 uur per dag hangt te slapen. “Maar ook daar moet je een kanttekening bij plaatsen”, zegt professor Daan. “Het meeste onderzoek naar de hoeveelheid slaap bij dieren is tot nu toe gedaan bij dieren in gevangenschap, bijvoorbeeld in een dierentuin. Sinds enige tijd zijn er voldoende kleine EEG-apparaatjes beschikbaar, waarmee je daadwerkelijk de hoeveelheid slaap van wilde dieren kunt meten. Daaruit blijkt dat de luiaard in het wild eigenlijk maar 9 uur echt slaapt!”

Logische variatie

Een grote variatie tussen diersoorten in de hoeveelheid slaap en ook in de hoeveelheid beweging lijkt logisch. Roofdieren hebben met een paar goede sprints en één hit soms voldoende voedsel bemachtigd voor meerdere dagen luieren. Een graseter daarentegen moet vele uren per dag grazen en in veel gevallen dan ook nog eens een aantal uren herkauwen voor hij of zij voldoende energie heeft binnengekregen en kan gaan slapen. Zeker voor een schaap in een grazig Hollands weiland – sommige schapen zie je zelfs leunend op hun ‘ellebogen’ grazen! – lijkt de inspanning van het gras eten niet heel groot, maar het dier moet hoe dan ook in beweging blijven om aan zijn kostje te komen.

Kijkend naar onze naaste verwanten, de primaten, lijkt de hoeveelheid inspanning die ze van nature verrichten over het algemeen nogal mee te vallen. Dat wil zeggen: als je naar de apen in de dierentuin kijkt. Orang-oetans lijken het grootste deel van de dag met een kartonnen doos over hun hoofd in een hoekje te zitten. Ook in de bossen van Indonesië kunnen ze – na het binnenhalen van hun dagelijks portie vruchten – in principe rustig aan doen. Met energie gaan immers ook onze naaste verwanten zuinig om.

Na gedane arbeid…

Dreamstime

Niet per se om te eten, ook om de lol

“Maar vergis je niet”, waarschuwt professor Jan van Hooff, emeritus hoogleraar gedragsbiologie van de Universiteit Utrecht. “In onze genen zit ook een gezonde lust tot bewegen gebakken. Ook dat zie je als je naar apen kijkt. En dat houdt echt niet op na de jeugd. Jonge dieren zijn extreem exploratief, maar ook oudere dieren bewegen om het bewegen. Een gibbon die zomaar door de bomen zwaait zal daar ook lol aan beleven.”

Van Hooff denkt dat het niet per se de wegvallende natuurlijke noodzaak tot bewegen is die ons de afgelopen halve eeuw parten speelt. “Het is te simpel om te stellen dat de natuurlijke hoeveelheid beweging niet meer noodzakelijk is, en dat we daarom in de problemen komen. Gedrag, ook beweeggedrag, is een veel complexer fenomeen. Het komt voort uit verschillende soorten behoeften. Wanneer mensen te dik worden zie je die behoeften verschuiven. Ook bij gezonde volwassenen vermindert de behoefte tot bewegen. Bij obese mensen lijkt dit evenwel veel sneller te gaan. Bij dieren en mensen die ouder worden verdwijnt de natuurlijke nieuwsgierigheid, de exploratiedrang en de ‘speelsheid’ sowieso geleidelijk. Maar toch, die lust zit er ook bij volwassen mensen echt nog wel in. Kijk maar naar het genoegen dat mensen aan sport beleven. Van joggers is bekend dat ze zelfs in een weldadig soort roes kunnen belanden.”

Omgekeerd zie je volgens Van Hooff dat dieren in gevangenschap ook kunnen lijden aan de negatieve effecten van obesitas. “Ook die dieren zie je in zo’n geval minder bewegen dan goed voor ze is. Dikke mensen hebben dan nog een alternatief. Als zwaarlijvigheid ons het gezonde bewegen belemmert, kunnen we altijd nog onze behoeften tot ‘speelgedrag’ bevredigen met machines. Zo hoorde ik onlangs een politicus het verhogen van de maximumsnelheid verdedigen met de constatering dat ‘de mens nu eenmaal behoefte heeft aan snelle beweging’. Op een vreemde manier zou je zelfs die behoefte aan beweging natuurlijk kunnen noemen.”

Als bewegen ontaardt in sport

In den beginne schiep de mens de stoomtrein. Nu hoefde hij nooit meer te lopen. De tweede dag schiep hij de hijskraan, de derde de elektrische stoel. Het blik werd de vijfde dag geschapen, een dag na de blikopener, anders heb je er niks aan. ‘Daar zij kruimeldief’, sprak de mens de zesde dag en daar werd kruimeldief. Nu was alle werk de mens door machines uit handen genomen en de mens zag dat het goed was. Toen kwam de zevende dag en schiep de mens de sport. – Uit: Lichamelijke oefening, Midas Dekkers (Contact,2006)

Midas Dekkers (Haarlem, 1946) heeft het niet zo op sport. Ook niet op sporters trouwens, getuige zijn boek Lichamelijke oefening. Sporters zijn mensen die uit vrije wil kinderachtige kleren aantrekken om zich vervolgens ongezond druk te gaan lopen maken, vindt hij. Om van – in zijn ogen – rare trends als nordic walking nog maar te zwijgen. “In mijn jeugd moest ik kolen scheppen voor mijn ouders en gras snijden voor het konijn. Zo waren er de rest van de dag nog de nodige klusjes, waardoor je aan het eind van dag ook echt moe was. Elk dier is gemaakt voor zijn of haar natuurlijke levenswijze. Voor ons is dat onder andere wandelen. Daar zijn we erg goed in. Dat kunnen we dan ook tot in lengte van jaren volhouden en dat is goed voor ons lijf. Maar pas op dat je wandelen niet laat ontaarden in hardlopen!”

Nordic walking is de ontaarding van sport, volgens Midas Dekkers.

Bram van de Biezen / B en U

Lichamelijke oefening laat zich met gemak lezen als een anti-sportboek. Maar dat Dekkers daarmee niets met bewegen heeft is een misvatting die hij snel wil rechtzetten. “Ik zou bijna zeggen: ik ben het met mijn tegenstanders eens dat een half uur per dag bewegen goed voor je is. Dat betekent heus niet dat we het fornuis weer van het gas moeten loskoppelen om weer kolen te gaan scheppen. Ook in deze tijd van technologische hulpmiddelen is het geen probleem om aan het benodigde halve uur beweging per dag te komen. Als je normaal leeft – traplopen, fietsen, dat soort dingen – is dat goed te doen. Maar nee, wat doen de ‘sporters’, die gaan de hele dag stilzitten aan een bureau, rijden vervolgens in een dikke auto naar het sportveld en gaan zich daar in veel te weinig tijd veel te hard lopen inspannen. Dat is vragen om ellende.”

Körperkultur

Volgens Dekkers is de moderne verheerlijking van de sport een ontspoorde uitleg van de Körperkultur uit het begin van de vorige eeuw. “Van oorsprong draaide het in de Körperkultur om de geest: het lichaam als bron van vreugde. Maar nu draait het alleen nog maar om het lijf en om de fysieke prestatie. Iedereen moet een winnaar kunnen worden. Ben je lang en dun, dan moet je uitblinken in hardlopen. Ben je juist kort en dik, dan schijn je in de wieg te zijn gelegd om gewichten te heffen. Niemand mag meer tot de massa rond het gemiddelde horen. Iedereen wil zo veel mogelijk aan de rechterkant van de zogenoemde Gausskromme terechtkomen. Maar dat kan natuurlijk helemaal niet. De massa hoort gewoon in het midden te blijven. Niet overdrijven dus.”

Blessures

Met zijn bekende, recalcitrante stijl kreeg Dekkers met Lichamelijke oefening natuurlijk de nodige sporters op de kast. ‘Per saldo waren de voordelen van sport toch evident’, vonden zij. “Nou, ik heb er tijdens het schrijven van mijn boek vijf jaar naar gezocht, maar netto geen positief resultaat gevonden. Het enige wat je met sport bereikt is anderhalf miljoen blessures per jaar. Moet je nagaan wat dat kost, voor de gezondheidszorg, of voor je baas! Nee, als je wilt sporten, dan moet je dat vooral doen. Misschien moet je het eerst ook even aan je baas vragen. Maar je moet het vooral alleen doen omdat je het leuk vindt. Niet overdrijven dus. Sport is bepaald geen panacee voor al je kwalen. Gewoon een half uur wandelen kan ook.”

Na enig aandringen geeft Dekkers toe zelf ook vrij recent een blessure te hebben gehad, al wil hij het zeker geen sportblessure noemen. “Vorige winter ben ik op weg naar de kroeg uitgegleden en heb ik mijn arm gebroken. Als het nou nog op de weg terug was geweest…”. Zelfs bescheiden bewegen op zijn Dekkers’ kent blijkbaar risico’s.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 juni 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.