Je leest:

Waarom Amerikanen auto’s in Frankrijk kopen en Fransen in de VS

Waarom Amerikanen auto’s in Frankrijk kopen en Fransen in de VS

Auteur: | 23 oktober 2008

“Voor zijn analyse van handelspatronen en de locatie van economische activiteit”, zo luidt de officiële verklaring van het Nobelcomité. De woorden slaan op Paul Krugman, winnaar van de Nobelprijs 2008. Een omstreden Amerikaanse criticus van het economisch bewind in de V.S. van George W. Bush, echter nauwelijks omstreden om zijn waarde voor de economische wetenschap. Zo ontwikkelde hij al op jonge leeftijd een nieuwe handelstheorie die tal van inzichten combineert, waarmee hij het volgende probleem verklaart: waarom importeren en exporteren landen goederen die praktisch gelijk zijn? Een theorie die uiteindelijk de basis vormde voor een nieuwe economische tak: new economic geography.

Boute uitspraken

“De rijken profiteerden het meest van de voorgestelde belastingverlaging en de intellectueel zwakken konden toch een mening hebben zonder dat ze echt iets van de economie af hoefden te weten”. Een boute uitspraak, zeker voor een Nobelprijswinnaar. De nieuwbakken Nobelprijshouder Paul Krugman trekt graag schril van leer; bovenstaande mening betreft het falende economische beleid van oud-president van de V.S. (1981-1989) Ronald Reagan. Huidige beleidsmakers krijgen een fikse draai om de oren als het gaat om de kredietcrisis waar we nu middenin zitten. Sterker nog, hij voorspelde (net als andere vooraanstaande economen overigens) de malaise al in de jaren vooraf…

…Paul Krugman, Nobelprijswinnaar economie 2008, trekt graag schril van leer…

Zo krijgt de huidige president, George W. Bush, reeds in 2004 en 2005 ervan langs voor zijn doorgevoerde belastingverlagingen. Belastingverlagingen dragen –naast andere factoren- bij aan extra vraag naar huizen. Doordat consumenten minder belasting hoeven te betalen hebben ze meer te besteden, óók aan huizen. De vraag neemt zo sterk toe dat ze het aanbod van huizen op dat moment overtreft: overvraag. Dit leidt tot een sterke prijsstijging.

Dit effect wordt nog eens versterkt door de Fed (Federal Reserve) – de centrale bank van de V.S.die het officiële rentetarief vaststelt, en dat wordt uiteindelijk via een omweg doorgerekend aan de klant. Volgens Krugman houdt de Fed de rente stelselmatig te laag. Het lenen van geld is voor consumenten derhalve erg goedkoop, wat de overvraag naar huizen alleen maar versterkt; de huizenprijzen rijzen de pan uit, een zogeheten price bubble ontstaat. Een ‘perfecte’ kans op een algehele financiële crisis, zo was Krugman van mening.

Uitleg van Krugman over de price bubble van huizen (Engelstalig filmpje).

De wandel van handel

Veel kritiek dus. Terecht of onterecht, feit is dat we ons vandaag de dag inderdaad in die crisis bevinden. En dat die crisis, naast andere redenen dan de hierboven genoemde, ook daadwerkelijk mede ontsproten is uit die ongezonde ontwikkelingen op de huizenmarkt. Voor kritiek of uitgekomen voorspellingen ontvang je echter geen Nobelprijs. Wél kun je deze verdienen met het ontwikkelen van krachtige economische theorieën vol relevante inzichten die deels nieuw zijn. Aan de basis van een Nobelprijs nominatie ligt vaak één invloedrijk artikel. In het geval van Krugman is dat het artikel “Increasing returns, monopolistic competition, and international trade”, uitgebracht in 1979. Welke fantastische theorie heeft hij in dit artikel naar voren gebracht?

De onofficiële Nobelprijs.

Sinds 1969 reikt de Zweedse Rijksbank de onofficiële Nobelprijs voor Economie uit. Onofficieel, want eigenlijk heet ze de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor economie. Ze werd ingevoerd ter herdenking van het 300-jarig bestaan van de bank, die de prijs sindsdien jaarlijks uitreikt. Dat ze ook wel Nobelprijs wordt genoemd, komt omdat de prijs tijdens eenzelfde ceremoniële bijeenkomst in Stockholm wordt uitgereikt als de daadwerkelijke Nobelprijzen. Opvallend is dat zo’n zeventig procent van de winnaars van Amerikaanse origine is. Van de twee winnaars in 1969 was er één, en tevens de laatste, Nederlandse winnaar: Jan Tinbergen.

Het betreft de handel tussen landen, vandaar dat we ook wel spreken over een handelstheorie. Al begin 19e eeuw kwam de beroemde Britse econoom David Ricardo met een fundamentele handelstheorie. Hij stelt dat landen zich moeten toeleggen op datgene waar ze goed in zijn, willen ze een optimale welvaart bereiken. Als een land in vergelijking met andere landen efficiënter (tegen lagere kosten) bananen kan produceren legt ze zich hierop toe, terwijl een land dat efficiënter tafels fabriceert zich hierop toe zou moeten leggen.

Grijp je grootste voordeel

In de praktijk zijn er landen die in meer dan één verhandelbaar goed het meest efficiënt zijn. Ze produceren misschien wel zowel bananen als tafels efficiënter dan andere landen. De theorie voegt dan ook toe dat het gaat om het grootste comparatieve voordeel: een land legt zich toe op het product waar je het sterkste voordeel (of het minste nadeel) in hebt. Op deze wijze wordt dezelfde productiviteit bereikt, tegen lagere kosten. En dus is er meer ruimte om andere goederen te produceren en te consumeren: meer welvaart dus, zowel voor het sterke als voor het minder sterke land (zie Tabel 1).

Comparatieve voordelen: een land heeft een comparatief voordeel in de productie van een verhandelbaar goed als het dat goed efficiënter kan produceren dan andere goederen ten opzichte van een ander land. Comparatieve voordelen leiden ertoe dat specialisatie in een product (bananen of tafels in dit geval) de totale productie omhoog stuwt. Door de goederen met elkaar te ruilen zijn de landen ook afzonderlijk beter af dan voorheen.

Het model van Ricardo geldt als ijzersterke basis voor nieuwere handelstheorieën. Vele economen hebben het model opgepoetst met allerhande variaties. Wel laten al deze varianten één onontkoombare vraag open: waarom exporteren en importeren landen goederen die praktisch gelijk zijn? Met andere woorden, waarom kopen Amerikanen auto’s in Frankrijk, maar Fransen ook auto’s in de Verenigde Staten?

Een goed begin is het halve werk

Krugman heeft een krachtige theorie ontwikkeld die deze vraag wél beantwoordt. De basis voor deze theorie ligt in zijn werk uit 1979, toen hij nog maar een ‘broekie’ was van 26; een goede start is het halve werk. Zijn theorie rust op twee peilers. De eerste is de aanwezigheid van toenemende schaalvoordelen. Hiermee wordt bedoeld dat productiekosten dalen naarmate er meer geproduceerd wordt. Dit geeft bedrijven en landen die starten met de productie van een bepaald goed voordat een ander land dat doet, een bepaalde voorsprong. En dit bepaalt in zekere mate weer welk land welk goed produceert en exporteert.

Monopolistische concurrentie. Een marktvorm zoals Krugman die toepast noemen we monopolistische concurrentie. De bedrijven op deze markt beschikken over een bepaalde mate van marktmacht, met andere woorden het vermogen om de prijs boven het marktniveau te zetten dat zou ontstaan wanneer producten geheel identiek zijn. Want inderdaad, op deze markt zijn producten niet geheel identiek. Met andere woorden, een markt met monopolistische concurrentie is heterogeen. Dit is deze markt doordat bedrijven een lichte variatie aanbrengen in hun product ten opzichte van concurrenten, bijvoorbeeld via klantvriendelijkheid of een goede marketing. Op deze manier ontstaat merktrouw. Een tweede aspect dat kenmerkend is voor monopolistische concurrentie is de aanwezigheid van schaalvoordelen. Bij schaalvoordelen kunnen bijvoorbeeld de kosten voor machines, gebouwen of marketing over meer producten gespreid worden als er op grotere schaal geproduceerd wordt. Daardoor kunnen ze hun product goedkoper aan de man brengen. Ook is het moeilijker voor nieuwe bedrijven toe te treden tot deze markt, omdat ze (nog) niet over die schaalvoordelen beschikken. Monopolistische concurrentie houdt het midden tussen een monopolie en volkomen concurrentie. Monopolisten kennen een volledig uniek product, terwijl in geval van volledige concurrentie bedrijven een totaal homogeen product kennen, een product zonder enig verschil (zoals veel alledaagse gebruiksproducten, bijvoorbeeld ‘brood’). Monopoliemacht stuwt de prijs omhoog, volledige concurrentie juist omlaag.

Het gaat dan niet meer alleen om de hoeveelheid arbeid en kapitaal dat in een land aanwezig is, om de voorkeuren van consumenten en om de arbeidsproductiviteit (die hoger ligt bij verdere technologische ontwikkeling). Binnen een industrie kunnen bedrijven uit verschillende landen met elkaar handelen, omdat sommige bedrijven nu eenmaal profiteren van toenemende schaalvoordelen en andere niet; los van welk land ze in gelegen zijn.

Een nieuw vak is geboren

In hetzelfde onderzoek brengt Krugman ook de tweede peiler naar voren: de voorkeur van de consument voor variatie. In Frankrijk kunnen veel Fransen wel een Peugeot willen. Maar er zullen ook Fransen zijn die een Ford willen uit de V.S., ook als de auto’s technisch en uiterlijk nagenoeg dezelfde kwaliteiten kennen. Consumenten hebben behoefte aan diversiteit; niet elke consument wil hetzelfde. De twee peilers samen leiden tot zogenaamde intra-industriële handel: handel binnen een bepaalde industriële tak, bijvoorbeeld auto’s die van Frankrijk naar de V.S. gaan en vice versa.

Maar dat is nog niet alles: in latere werken geeft hij ook antwoord op vragen als ‘welke rol spelen transportkosten?’, ‘welk bedrijf vestigt zich waar en waarom?’. Uiteindelijk brengt dit hem in 1991 tot een samenhangende theorie waarin hij internationale handel en economische geografie samenbrengt. Een nieuw vak, new economic geography, is geboren!

Conclusie

Krugman wint de prijs op een opmerkelijk moment, namelijk middenin de kredietcrisis die hijzelf al voorspelde. Des te opmerkelijker lijkt het, gezien zijn kritiek op beleidsmakers die een rol spelen bij deze kredietcrisis. Zit er dan ook een politieke lading achter zijn uitverkiezing?

Ongeacht het antwoord staat buiten kijf dat het werk van Krugman van grote waarde is voor de economische wetenschap. Met het uitbreiden van zijn nieuwe handelstheorie is hij grondlegger geworden van wat ook wel heet new economic geography. Een nieuw complex terrein waartoe hij de deuren opende, waarin het ruimtelijke aspect van economische activiteit sterker naar voren komt dan voorheen. En dat is nou precies waarom Paul Krugman de Nobelprijs verdient.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 23 oktober 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.