Je leest:

Waarin verschillen talen?

Waarin verschillen talen?

Auteur: | 10 december 2010

De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) heeft een Vidi-subsidie toegekend aan taalwetenschapper dr. Marjo van Koppen van het Utrecht Institute of Linguistics OTS. Met deze beurs gaat zij de komende vijf jaar een onderzoek leiden naar hoe talen van elkaar verschillen.

Talen verschillen, maar minder dan je misschien zou denken. Het Limburgs bijvoorbeeld, lijkt in sommige opzichten veel op het Arabisch. Marjo van Koppen gaat de komende jaren onderzoeken op welke punten talen verschillen. Maar vooral of die verschilpunten hetzelfde zijn voor nauw verwante talen -zoals Drents en Limburgs of Middelnederlands en hedendaags Nederlands- en niet-verwante talen zoals het Nederlands en het Swahili.

Marjo van Koppen

Variatie in het Nederlands

Van Koppen is universitair docent Nederlandse taalkunde bij het departement Nederlandse taal en cultuur in Utrecht. Haar onderwijs en onderzoek richtten zich tot nu toe op de variatie in de zinsbouw van het Nederlands. Tijdens haar promotieonderzoek werkte ze mee aan de totstandkoming van de Syntactische Atlas van de Nederlandse Dialecten. Haar proefschrift ging over voegwoordvervoeging, een verschijnsel waarbij het voegwoord een uitgang krijgt die bepaald is door het onderwerp. Behalve de werkwoordsvorm in de zin, verandert hier ook het voegwoord mee. Zoals in het Rotterdams, waar je kunt zeggen: datte me toffe jonges zijn (“dat we toffe jongens zijn”). Het voegwoord ‘dat’ krijgt hier een uitgang op –e. Dit is slechts een van de verschijnselen die laat zien hoe gevarieerd de zinsbouw van het Nederlands alleen al is.

Universele Grammatica

In haar Vidi-project zal ze ook andere talen betrekken dan het Nederlands, zoals het Afrikaans en het Negerhollands. Want, zo legt Van Koppen uit, in sommige opzichten lijken talen en dialecten helemaal niet zoveel te verschillen als je misschien zou verwachten.

“In het Italiaans bijvoorbeeld, kun je het onderwerp weglaten in de opeenvolging ‘hij praat’: (lui) parla. Maar hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het Fries. Daar kun je zeggen (do) moatst Pyt helpe: jij moet Piet helpen. Op een dieper niveau van de grammatica zijn er dus minder verschillen dan we op het eerste gezicht denken.” Volgens van Koppen is dit te verklaren met de theorie van de Universele Grammatica. Deze stelt dat de grammaticale principes die ten grondslag liggen aan het taalvermogen volledig vastliggen en aangeboren zijn.

Van Koppen: “Wanneer een taallerend kind weet of een parameter aan of uit staat, kan het een correcte zin maken in zijn moedertaal.”

Parameters

Naast grammaticale principes bestaan er parameters die zorgen voor de verschillen tussen talen. De instelling van een parameter kun je vergelijken met een schakelaar met diverse keuzes. Het bovengenoemde voorbeeld is zo’n parameter, beter bekend als pro-drop. Deze parameter geeft aan of een onderwerp aanwezig moet zijn (zoals in het Nederlands) of niet (zoals in het Italiaans of het Fries).

Van Koppen: “Wanneer een taallerend kind weet of deze parameter aan of uit staat, kan het een correcte zin maken in zijn moedertaal.” Van Koppen is dan ook bijzonder geïnteresseerd in kindertaalverwerving. Maar onderzoek naar kindertaal is voor haar voorlopig nog een brug te ver, meldt de onderzoekster.

Bronnenonderzoek

Wat gaat er wel gebeuren? Twee AiO’s zullen de komende jaren onderzoek gaan doen naar de variatie in de Nederlandse dialecten door de eeuwen heen. “Vanaf 1200 zijn er bronnen beschikbaar. Helaas niet altijd even verfijnd, maar goed genoeg om bepaalde zinsconstructies te onderzoeken. De hedendaagse dialectvariatie is veel vollediger beschreven in de Syntactische Atlas van de Nederlandse dialecten.” Van Koppen zelf zal zich vooral verdiepen in de vergelijking van het Nederlands en niet-gerelateerde talen. “Maar daarvoor trek ik niet met een rugzakje het Amazonegebied in. Ik zal gebruikmaken van goed beschreven talen en oordelen van moedertaalsprekers.”

Drie soorten variatie

Wat Van Koppens project uniek maakt is de combinatie van drie verschillende onderzoeksterreinen. De eerste is de microvariatie: variatie die er bestaat tussen gerelateerde dialecten, zoals het Limburgs en het Gronings, of gerelateerde talen, zoals het Nederlands en het Duits.

De tweede is de macrovariatie: variatie tussen niet-gerelateerde talen zoals het Nederlands en het Japans. De derde component ten slotte is de diachrone variatie: de variatie tussen verschillende fases van het Nederlands, zoals het Middelnederlands en het Modern Nederlands. Van Koppen wil onderzoeken of de mate van variatie gelijk is op al deze niveaus. “Mijn verwachting is dat de parameters hetzelfde zijn, maar het zou natuurlijk interessanter zijn als dat niet zo is.”

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 december 2010

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.