Je leest:

Waar zit de wiskundeknobbel?

Waar zit de wiskundeknobbel?

Auteur: | 1 juni 2004

Zijn wiskundig begaafde hersens anders dan die van anderen – is er een wiskundeknobbel? Recent neuropsychologisch onderzoek laat zien dat bij wiskundig begaafde leerlingen het verkeer tussen linker- en rechterhersenhelft efficiënter is dan bij anderen.

Michael O’Boyle (Universiteit van Melbourne) en Harnam Singh (U.S. Army Research Institute for the Behavioral and Social Sciences) lijken de wiskundeknobbel op het spoor te zijn. Ze onderzochten leerlingen uit de onderbouw met en zonder bijzondere aanleg voor wiskunde en studenten. Door speciale proeven wisten de onderzoekers te bepalen dat de kinderen met talent voor wiskunde een goed samenwerkende linker- en rechterhersenhelft hebben. Bij kinderen met een niet meer dan gemiddeld wiskunde-talent was de mate van samenwerking een stuk minder.

Uit eerder onderzoek is bekend dat de hersenen van wiskundige begaafde kinderen verschillen van die van anderen. Anders dan bij gewone leerlingen blijkt de rechterhersenhelft van wiskundig begaafde leerlingen uitzonderlijk actief bij de verwerking van informatie, zelfs van talige informatie. Verder zijn hersenen van wiskundig begaafde leerlingen in staat hun activiteiten razendsnel te wisselen van links naar rechts en omgekeerd.

Hersenhelften: De linkerhersenhelft is meer gespecialiseerd in rationele taken terwijl de rechterhersenhelft goed is in sociale zaken en “gevoelsaspecten”. De linkerhersenhelft is actief bij zaken als semantiek, taalbegrip en logisch denken; de rechterhersenhelft wordt juist actief bij o.a. context en betekenis van woorden en verwerking van emotionele informatie.

O’Boyle en Singh bekeken in hun onderzoek of wiskundig getalenteerde kinderen anders werkende hersenen hebben. Ze testten de samenwerking van de linker- en rechterhersenhelft door speciale plaatjes aan alleen het linker-, aan alleen het rechteroog of aan allebei de ogen aan te bieden. Elk oog geeft zijn informatie door aan één hersenhelft en zo waren de verschillende hersenhelften apart of tegelijk aan te spreken.

De proefpersonen kregen telkens kort (0,16 s.) een afbeelding te zien die bestond uit twee letters. Elk van die letters was weer opgebouwd uit kleinere letters. (Zie afbeelding.) Daarna werd de ene keer gevraagd of de twee grote letters hetzelfde waren, dan weer of de kleine ‘bouwsteenletters’ hetzelfde waren.

Afbeeldingen uit het experiment. Boven: Elke letter is maar met één oog zichtbaar. Op grote schaal zijn de twee letters hetzelfde – twee H’s. Maar de bouwstenen van de ene letter zijn H’s, van de andere S’en. Onder: de twee letters zijn alleen met het linkeroog zichtbaar. De grote letters komen weer overeen, de bouwstenen niet.In de echte proef werden voor de verschillende letters de H, S, R en E gebruikt. bron: O’Boyle en Singh / American Psychological Association

De resultaten van het onderzoek lieten duidelijk zien, dat proefpersonen met bovengemiddelde wiskundige aanleg beter scoorden als beide hersenhelften werden aangesproken. Bij de testgroepen van leeftijdsgenoten met gemiddelde aanleg voor wiskunde en van studenten was dat juist andersom: die presteerden beter als ze maar één hersenhelft hoefden te gebruiken. Het onderzoek suggereert dat goede wiskundigen beter samenwerkende hersenhelften hebben dan mensen met een normale aanleg voor het vak.

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 juni 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.