Je leest:

Waar komen voetbaltermen vandaan?

Waar komen voetbaltermen vandaan?

Auteur:

Voetbaltermen ontstaan op dezelfde manier als normale woorden: ze worden overgenomen uit een andere taal, spontaan bedacht of soms ondergaan bestaande woorden een betekenisverandering. De verschillende woordvormingen in het voetbaljargon komen hier ter sprake.

Hoe komen mensen aan nieuwe, eigen woorden? Ten eerste uit een andere taal. In de voetbaltaal is er natuurlijk veel geleend uit het Engels; Engeland is tenslotte de bakermat van het voetbalspel. Dus kennen we woorden als corner, penalty, en goal. Een kenmerk van leenwoorden is dat ze over het algemeen aangepast worden aan het systeem van de ‘ontvangende’ taal, in dit geval dus het Nederlands. In de voetbaltaal gebeurt precies hetzelfde. Veel Engelse woorden zijn ook letterlijk vertaald in een Nederlands equivalent: voetbal voor football is het zuiverste voorbeeld.

In principe kunnen er ook nieuwe, tot dan toe nog niet bestaande woorden worden bedacht als jargon. De voetbaltaal heeft dat soort woorden eigenlijk niet of nauwelijks. Waar stiften vandaan komt is wel duister. Volgens de Grote Van Dale betekent het ‘neuken’ – in de volkstaal, dat wel – en je kunt er je tegenstander mee verneuken, maar dit lijkt toch niet de bron van stiften tijdens het voetballen: de bal vanaf de grond met een boogballetje, van veel effect voorzien, over een tegenstander trappen, zodat die bal als het ware vlak achter hem valt. Misschien dat stiftballetje ook voorafging aan stiften, en dat het iets te maken heeft met het woord ‘stift’, dat we ook in ‘viltstift’ terugzien: de bal wordt als het ware met een stift geraakt, zodat hij veel effect meekrijgt.

Het derde type jargonwoord is de metonymia: de stijlfiguur waarbij in plaats van het bedoelde iets anders genoemd wordt, op grond van een bepaalde relatie tussen die twee. Een voorbeeld uit het dagelijks leven is ‘glas’ in ‘Lust jij nog een glas?’ waarbij uiteraard wordt gevraagd of de aangesprokene nog iets wil drinken. Het opvallendste woord in deze categorie is misschien wel bal in de betekenis van ‘trap’ of ‘schot’. Met ‘een mooie bal’ wordt ook niet gedoeld op het uiterlijk van het speeltuig, de knikker, het leder of voorheen het bruine monster, maar op de kwaliteit van het schot. Spelers kunnen ook een diepe bal of een lange bal geven: een medespeler wordt met een lange trap in de lengte van het veld aangespeeld, met bij diepe bal de toevoeging dat die medespeler vrij moet lopen, diep moet gaan. Bank in de betekenis van reserves (die dus op de reservebank zitten) hoort ook in deze categorie. ‘We hebben een bank die past bij dit elftal,’ zegt de trainer.

Verkorting leidt tot de volgende soort. Het strafschopgebied wordt ook wel het zestienmetergebied of de zestienmeter of nog korter de zestien genoemd.

Verkorting leidt tot de volgende soort. Het strafschopgebied wordt ook wel het zestienmetergebied of de zestienmeter of nog korter de zestien genoemd. Uit en thuis worden ook vaak als verkorting gebruikt. ‘Tegen wie speelt NEC vandaag?’ ‘Utrecht uit’: NEC speelt dan een uitwedstrijd tegen FC Utrecht. Eén echte afkorting heeft betrekking op een onuitroeibaar, noodzakelijk kwaad in de voetbalwereld: de bobo, wat heet te staan voor ‘bondsbons’, een soms door gebrek aan gewicht omhooggevallen bestuurder. Een andere bron voor bobo is het Sranan Tongo waarin het ‘sufferd’ betekent. Naar verluid is Ruud Gullit de eerste geweest die dit woord voor KNVB-bestuurders gebruikte. Al snel bleek de term geschikt om meer exemplaren van deze soort mee aan te duiden. Maarten de Vos meldt in zijn van ijdelheid bijna kromgetrokken boekje ‘Tussen de benen’ een geheel andere afkorting die in de Amsterdamse Midden meer gebruikt schijnt te worden: zetveetje, wat staat voor ‘zakkie vijgen’, een matige achterhoedespeler.

Verreweg de meeste voetbalwoorden zijn samenstellingen op basis van bestaande woorden, vaak min of meer ‘vrije vertalingen’ van het Engelse voorbeeld. Hier volgen enkele van dit soort samenstellingen: buitenspel (een regel te ingewikkeld om hier uit te leggen), kopbal, doelverdediger, doelgebied, zijlijn, scheenbeschermer. Sommige woorden zijn zeer productief. Naast verdedigen worden ook gebruikt de samenstellingen meeverdedigen en terugverdedigen (betekenen beide: het meehelpen verdedigen door aanvallers of soms ook middenvelders) en uitverdedigen, wat eigenlijk niets met verdedigen te maken heeft; het slaat op het naar voren brengen van de bal vanuit de verdediging.

Vaak krijgen gewone woorden er een figuurlijke betekenis bij; dat is de zesde categorie voetbalwoorden. De tegenstander vastzetten, is een voorbeeld. Natuurlijk wordt die tegenstander niet letterlijk vastgezet; de tegenpartij wordt teruggedrongen op de eigen helft. Sommige voetballers (zoals voorheen de beruchte Camacho van Real Madrid) krijgen de bijnaam scheermes, vanwege hun onbedwingbare neiging de tegenstander onderuit te schoppen, de benen onder hem weg te maaien of te scheren. Een betrekkelijk recent voetbalwoord is opzoeken in ‘de achterlijn opzoeken’ wat natuurlijk niets te maken heeft met het letterlijke ‘opzoeken’; sommige buitenspelers zoeken de achterlijn op, dat wil zeggen, ze proberen met de bal door te gaan tot de achterlijn om vanaf daar voor te zetten.

Verreweg de meeste voetbalwoorden zijn samenstellingen op basis van bestaande woorden, vaak min of meer ‘vrije vertalingen’ van het Engelse voorbeeld: kopbal voor het Engelse header.

Het volgende type is dat van de woorden die een nieuwe extra betekenis hebben gekregen, in het verlengde van de gebruikelijke betekenis. Neem bijvoorbeeld het werkwoord kaatsen. Volgens het woordenboek betekent dat ‘het kaatsspel spelen’ of ‘terugstuiten’ (in de zin ‘deze bal kaatst goed’). Maar in het voetbaljargon is een kaatsende spits niet een spits die het kaatsspel speelt of zelf terugstuit, maar die de bal láát terugstuiten.

Iemand wegsturen heeft in het voetbal geen negatieve betekenis. Als Wouters Brian Roy ‘wegstuurt’, dan geeft hij een pass waarop Roy in de diepte kan sprinten. Een getructe speler is geen speler die in de maling genomen is, maar iemand die zelf ‘trucs’, technische hoogstandjes, verradelijke schijnbewegingen uitvoert.

Het woord verdedigen heeft er aan het eind van de jaren tachtig ook een opvallende betekenis bijgekregen in zinnetjes als ‘De Kock verdedigt Clayton’. In het normale alledaagse taalgebruik betekent ‘verdedigen’ hier zo veel als ‘helpen’ of ‘steunen tegenover derden’. Maar bij het voetbal is er in dit geval geen sprake van helpen of steunen. Als De Kock Clayton verdedigt, heeft hij juist een tegenovergestelde bedoeling: hij wil Clayton de bal ontnemen, zorgen dat Clayton geen bal krijgt, bij voorkeur Clayton uit de westrijd spelen.

Promovendus slaat in de voetbalwereld op ‘de club die aan het eind van het vorig seizoen gepromoveerd is naar een hogere klasse’, terwijl in het ‘gewone’ Nederlands de promovendus degene is die gaat promoveren. En laatste voorbeeld: buitenlander heeft in de voetbaltaal de ‘gewone’ betekenis (Romario is één van de buitenlanders van PSV), maar ook een opvallende eigen betekenis: Nederlanders die in het buitenland spelen en deel uit maken van de selectie voor het Nederlands elftal. Zo is Barcelona-vedette Ronald Koeman één van de buitenlanders in Oranje.

Romario is één van de buitenlanders van PSV.

Merkwaardig is, dat het woord voetballen zelf, nota bene het woord waar alles om draait, ook een bijbetekenis heeft gekregen, namelijk ‘echt iets technisch, iets moois met de bal doen, niet zomaar wild trappen, maar subtiel spelen’; voetballen is ‘het betere voetballen’ geworden in zinnetjes als ‘Ik vind dat ik nog te weinig aan voetballen toe kom’ (van een speler die net terug is na een blessure) of ‘We zoeken een voetballende spits’. Oh, is de wat melige reactie, dus niet een korfballende spits. Soms wordt voetballen gereduceerd tot ballen: ‘Als je goed in de wedstrijd zit,’ zegt een speler die het vooral van zijn doorzettingsvermogen en werklust moet hebben, ‘dan ga je tegen beter weten in lopen ballen.’

De achtste categorie is die van woorden die een specifiekere betekenis krijgen, zoals vesting of veste voor ‘doel’ of zone voor een verschillende delen van het veld. Er zijn overigens geen vaste zones. Het begrip wordt bijna alleen gebruikt in zoneverdediging en ‘in de zone spelen’. In het hoofdstukje over tactiek komt dit begrip nog terug.

Tenslotte ‘volgt’ de voetbaltaal vaak vernieuwingen in het gewone taalgebruik. Een woord als controleren betekende vroeger alleen ‘toezicht houden’ of ‘nagaan of iets klopt’, maar is – waarschijnlijk onder invloed van het Engels – ook ‘beheersen’ gaan betekenen. In deze zin wordt het ook in het voetbal gebruikt. ’M’n belangrijkste taak is het om te controleren,’ zegt de middenvelder, die zeker niet met een kniptang op het veld verschijnt. ‘De doelman, weinig gecontroleerd bezig, verrichtte zijn eerste sterke daad,’ schrijft de journalist, en in hetzelfde stukje staat: ‘PSV-coach Hiddink toonde zich gecontroleerd na afloop.’ Als zo’n woord als controleren eenmaal een nieuwe betekenis heeft gekregen, blijkt men er in het voetbaljargon alle kanten mee uit te kunnen. Of anders gezegd: men is er nauwelijks gecontroleerd mee bezig.

‘PSV-coach Hiddink toonde zich gecontroleerd na afloop.’

Ook als de oorsprong van het voetbaljargon duidelijk is, weten we nog niet hoe de verschillende woorden op een gegeven moment algemeen bekend worden of geworden zijn. Ooit moet één persoon, vermoedelijk een trainer, het voor het eerst gehad hebben over het vastzetten van de tegenstander, maar het lijkt onmogelijk om de schepper van de meeste termen te achterhalen. En dan is het nog de vraag hoe zo’n nieuw woord wordt verspreid. Wie nemen het over, en waarom? Hoe snel gaat het proces? Vragen waar nauwelijks antwoorden op te geven zijn. Eén ding is wel duidelijk: de media, en vooral de televisie spelen een belangrijke rol.

Televisieverslaggevers zijn degenen die een nieuw woord kunnen maken en breken, zij zijn de spraakmakers van de voetbalwereld. Enkele jaren geleden werd het woord postbode nog wel eens gebruikt voor een middenveldspeler die de bal veel van de achterhoede naar de voorhoede transporteerde, zo’n voetballer als Willy van der Kerkhoff. Postbode heeft echter nooit algemeen ingang gevonden; er worden blijkbaar geen ballen meer ‘besteld’ op het voetbalveld. Waarschijnlijk is het woord te spaarzaam gebruikt door Mart Smeets en de zijnen.

Voetbaltaal is doorgedrongen tot in de Tweede Kamer.

Ter afsluiting nemen we even plaats op de publieke tribune van de Tweede Kamer. Tijdens een debat over het openbaar vervoer zijn daar de volgende frases te horen:

• het gaat er niet om het wegvervoer buitenspel te zetten • de minister heeft een kans voor open doel gemist • de geachte afgevaardigde wenst op simpele wijze te scoren • de kamer dacht dat zij de minister had teruggefloten • dan voelt mijn fractie zich verplicht de minister de gele kaart te laten zien • wij geloven dat de minister op balbezit probeert te spelen, maar er lijkt eerder sprake te zijn van paniekvoetbal.

Het is duidelijk: het jargon van een bepaalde groep kan zich verbreiden over de hele taalgemeenschap of in het algemeen een wijdere toepassing krijgen. Juist ook omdat woorden worden overgenomen door ‘buitenstaanders’ en de leden van de voetbalstam zich willen blijven onderscheiden, worden er steeds nieuwe woorden en uitdrukkingen bedacht. Voetbaltaal is geen statisch gegeven, maar verandert voortdurend. Net als het leven zelf.

Dit artikel is een hoofdstuk uit het boekje Voetbaltaal van René Appel dat in 1990 verscheen. Klik hier voor de volledige tekst.

zie ook:

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 mei 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE