Je leest:

Vuur en leven op de savannen

Vuur en leven op de savannen

Auteur: | 1 juni 2001

Flinke vlammen, zwartgeblakerde grond en dekens van rook in Afrika zien er indrukwekkend en soms angstaanjagend uit. Het meeste vuur blijkt door mensen te zijn aangestoken: een fikse beheersmaatregel voor groener gras.

De savannen van Afrika staan bekend om hun hoge dichtheid en diversiteit aan diersoorten. Bekende beelden van uitgestrekte vlakten met duizenden gnoes en zebra’s, badende olifanten bij een waterpoel of een groep leeuwen met hun prooi lokken jaarlijks tienduizenden Nederlanders die van dit natuurschoon komen genieten.

Eenmaal in Afrika maken zij ook kennis met een ander kenmerkend en wijdverspreid, maar veel minder bekend verschijnsel van de Afrikaanse savannen: vuur. De meeste vakantiegangers zien dekens van rook die over de savannen liggen of resten van vroegere branden, zoals zwartgeblakerde gebieden en verkoolde boomtakken. Het is helemaal een belevenis om een savannebrand zelf mee te maken en een razend vuur met enkele tientallen kilometers per uur met de wind mee door het landschap te zien vliegen, grote hoeveelheden rook uitstotend; of om een laag, langzaam tegen de wind in kachelend vuurtje meanderend door de vegetatie te zien kruipen.

Mijnheer vuur

Al eeuwen lang gebruiken de nomadische herders vuur om hun weidegronden te beheren. Portugese ontdekkingsreizigers die in de 15e eeuw rond Afrika voeren, gaven het continent de naam terra dos fumos (vuurcontinent) toen zij rookpluimen uit de binnenlanden zagen opstijgen. Maar terwijl het gebruik van vuur vroeger aan strenge regels was gebonden, worden de savannen tegenwoordig willekeurig en vaak aangestoken: jaarlijks brandt zo’n veertig procent af. Dat leek me veel te veel van het goede.

Om een idee te krijgen van de betekenis en de gevaren van het branden voor de veehouders en de natuurbeheerders in Afrika, streek ik in 1993 neer in Tarangire Nationaal Park in Tanzania. Daar heb ik zelf experimentele branden gesticht – binnen ruime brandgangen zodat de zaak niet uit de hand kon lopen. Het leverde me de bijnaam Bwana Moto op, Meneer Vuur in Ki-Swahili.

Ik wilde weten wat voor effect vuur precies heeft op de vegetatie. Tijdens het branden mat ik de temperatuur van het vuur alsook de luchtvochtigheid en de windsnelheid, twee factoren die een grote invloed hebben op de hitte van het vuur en de snelheid waarmee het zich verspreidt. Als het vuur eenmaal was gedoofd, analyseerde ik asmonsters op minerale samenstelling. Met tussenpozen van ongeveer een maand nam ik vervolgens monsters van de vegetatie en de bodem (gebrand en niet-gebrand). De vegetatie liet ik onderzoeken op minerale samenstelling en verteerbaarheid; bodemmonsters liet ik analyseren op hoeveelheid wortels, minerale samenstelling en vochtgehalte.

Vurige wetenschap

De relaties tussen de vele planten- en diersoorten die in een levensgemeenschap (ecosysteem) leven zijn talrijk en ingewikkeld, en soms onverwacht. Eten en gegeten worden is er maar één onderdeel van. Dieren beconcurreren elkaar, en een ziekteverwekker die de ene soort teistert, geeft de concurrent daarvan juist een kans. Plaaginsecten kunnen een plant aantasten en zo ook de grazers treffen. Vossen in de duinen belagen de konijnen met als gevolg veel meer struiken. Ook niet-levende elementen – water, voedingsstoffen – spelen in dit spel mee.

Ecologen proberen al tellend en metend die vele relaties te ontrafelen. Een van de ecosystemen die ze bestuderen is de Afrikaanse savanne, grasland waarin verspreid bomen en struiken groeien. Daar is ook vuur een factor van ecologische betekenis. Oorspronkelijk was het een louter natuurlijke factor, maar tegenwoordig wordt meer dan negentig procent van de branden door mensen aangestoken. Wat is het effect daarvan op de vegetatie en op de dieren? Is het verstandig om zoveel brand te stichten? Wanneer kan het wel, wanneer niet?

Vuur en vlam. Savannebrand heeft meerdere gedaanten: een langzaam kruipend vuurtje…

…of een hoog vuur…

…dat in enkele minuten is uitgeraasd.

Explosie

Vuur komt op aarde veel voor: jaarlijks brandt een oppervlak af dat 250 tot 400 keer zo groot is als Nederland. De savannen nemen een groot gedeelte voor hun rekening. Dat komt niet alleen doordat savannen vijftien procent van het aardoppervlak bestrijken, maar ook omdat droog gras goed brandt. Het klimaat werkt mee. Er zijn namelijk duidelijk afgegrensde natte perioden, waarin het gras goed groeit, gevolgd door droge perioden, waarin het zeer ontvlambaar wordt.

In Afrika komt vuur vaker voor dan elders, omdat het vaker onweert dan op andere continenten; bliksem fungeert als ontstekingsbron. Het vuurcontinent onderscheidt zich echter vooral door de lange traditie van het gebruik van vuur door de mens. Dat begon al 1,5 miljoen jaar geleden, toen de mens het vuur leerde benutten, transporteren en koesteren. Men gebruikte het om zich te warmen en te beschermen tegen wilde dieren, om bijennesten uit te roken en honing te verzamelen, om voedsel te bereiden, om de jacht te vergemakkelijken en om wapens te maken. De invloed van door mensen veroorzaakt vuur was aanvankelijk klein, omdat de bevolkingsdichtheid laag was.

Een explosie in het vuurgebruik was er vijfduizend jaar geleden, toen nomadische herdersvolken vanuit het noorden de Afrikaanse savannen betraden; zij gingen vuur gebruiken om er hun weidegronden mee te beheren. Die toepassing is steeds meer toegenomen en mede hierdoor wordt nu meer dan negentig procent van het vuur in Afrika door de mens aangestoken.

In West-Europa is de houding van de mens ten opzichte van vuur heel anders. In historische tijden kwam vuur hier ook veel voor, maar frequentie en omvang namen af met de verstedelijking en de ontginning van natuurlijke gebieden voor landbouw en bosbouw. In het gecultiveerde landschap vormde vuur een bedreiging voor alles wat men had opgebouwd. Europeanen begonnen vuur als een niet-natuurlijk, destructief verschijnsel te beschouwen.

Kale bodem

De nomadische veehouders in Afrika hadden meerdere redenen om vuur als beheersmaatregel te hanteren. Ten eerste was aanvankelijk de bevolkingsdichtheid laag en de veestapel klein; het grazende vee kon de jaarlijkse productie aan plantaardig materiaal niet aan. Het gevaar bestond dat de weidegronden verruigden en dat er struiken verschenen. Door de vegetatie te branden hield men de graasgronden kort. Aangezien er veel gras stond, waren de vuren heet en juist dan krijgen bomen en struiken er een flinke klap van.

Ten tweede had men al vrij vroeg in de gaten dat dieren een voorkeur hebben voor gras dat opkomt in het groeiseizoen na branden en hier ook beter op gedijen. Na brand groeit er namelijk jong, groen en makkelijk verteerbaar gras terwijl op niet-gebrande grond dood en slecht verteerbaar gras overheerst. Jong gras heeft na een brand bovendien een hogere biomassa per volume-eenheid, zodat de dieren meer voedsel per hap binnen krijgen. Tevens heeft het hogere concentraties aan voedingsstoffen en mineralen als stikstof, fosfaat, kalium, calcium en magnesium.

Er waren nog bijkomende voordelen. Door de vegetatie met vuur open te houden had de herder beter zicht op mogelijke roofdieren die zich tussen struiken en bomen kunnen verschuilen. Vuur is ook een goed middel om allerlei ziekten en parasieten zoals teken uit de weidegebieden te verwijderen.

Uit mijn onderzoek bleek echter dat de toename in de concentratie van voedingsstoffen aan het einde van het groeiseizoen bijna is verdwenen. Het branden kan nadelen hebben voor de hoeveelheid voedsel, afhankelijk van de neerslag. In natte jaren is de hoeveelheid voedsel na het branden binnen enkele maanden even groot als op niet-gebrande grond, maar in jaren van droogte blijft de productie van gras op gebrande grond ver achter en ziet men overal dode graspollen en kale bodem. Dat komt doordat de bodem eerder uitdroogt als de vegetatie is verdwenen. De meerjarige grassoorten, die voor de grazende dieren het belangrijkst zijn, sterven dan af.

In de Afrikaanse savannen volgen natte en droge jaren elkaar op onvoorspelbare wijze op. Vroeger was dat niet zo erg. Had men de vegetatie verbrand en kwamen de planten vanwege de droogte niet terug, dan trokken de nomadische veehouders naar nattere gebieden waar nog wel voedsel te vinden was. Maar tegenwoordig ligt dat heel anders.

Spelen met vuur

De Afrikaanse savannen hebben in de afgelopen eeuw grote veranderingen ondergaan. Medische programma’s en voedselhulp zorgden voor een enorme bevolkingsaanwas. Met de bevolking groeiden het landbouwareaal en de veestapel. Tevens breidden commerciële landbouwactiviteiten zich uit en die namen grote savannegebieden in beslag.

Het gevolg is dat de natuurlijke savannegebieden, waar zowel het vee van de nomadische volken als het wild van afhankelijk zijn, steeds kleiner zijn geworden. Veel van de overgebleven gebieden liggen in de drogere gebieden, omdat de landbouw de gunstiger gebieden heeft geannexeerd. De begrazingsdruk is zo sterk toegenomen dat er schade optreedt: verlies van vegetatiebedekking en erosie.

Bovendien kunnen de nomadische veehouders tegenwoordig de nadelige gevolgen van vuur in perioden van droogte (achterblijvende grasgroei) niet meer zo eenvoudig ontlopen, want veel natuurlijke begrazingsgebieden worden nu voor andere doeleinden gebruikt en daar kunnen ze niet meer heen. Herders spelen dus ook figuurlijk met vuur. Branden als beheersmaatregel is niet meer nodig, omdat de vele grazende dieren zelf de vegetatie kort houden. Het vuur verbrandt zeer grote hoeveelheden gras dat weliswaar van lagere kwaliteit is, maar dat van belang kan zijn om de dieren door een droogte te helpen.

Men zou dus verwachten dat de nomadische veehouders veel voorzichtiger met deze krachtige en ingrijpende beheersmaatregel zijn gaan omspringen. Het tegendeel is echter waar: het gebruik van vuur is sterk toegenomen. Jaarlijks gaat zo’n twee miljard ton aan bovengrondse vegetatie in rook op (wereldwijd is dat bijna negen miljard ton), waarvan een groot deel voedsel voor grazende dieren had kunnen zijn. En terwijl vroeger het gebruik van vuur aan strenge en adequate regels was gebonden, branden de veehouders tegenwoordig graslanden naar willekeur af.

Vroeger mocht men alleen branden in het juiste seizoen en onder de juiste klimatologische omstandigheden. De vegetatie moest een bepaalde hoogte hebben en er moest voldoende materiaal staan om een vuur te krijgen dat heet genoeg was om de boombedekking te kunnen reduceren. Branden aan het begin van de droge tijd was taboe, want dan zat er nog veel vocht in de vegetatie dat de temperatuur van het vuur drukte. Bovendien is het gras aan het begin van de droge tijd net begonnen de voedingsstoffen naar de wortels te transporteren als voorraad voor het volgende seizoen. Met brand verdwijnen de nog niet opgeslagen reservestoffen. Als er na de brand nog wat water in de bodem zit, kan het afstervingsproces ombuigen en het gras nieuw blad gaan zetten. Voor de grazende dieren is dat prettig, maar voor het gras is die ontijdige uitloop van nieuw groen en vraat desastreus omdat dan ook de laatste voedingsstoffen verloren gaan. De planten raken uitgeput.

Toch wordt er tegenwoordig vaak aan het begin van de droge tijd gebrand, juist om voedzame hergroei te verkrijgen voor het vee. Wat is er gebeurd dat er zo onvoorzichtig met vuur wordt omgegaan?

Averechts

De Westerse kolonisatoren zijn voor een deel schuldig. Omdat zij vuur als een destructief verschijnsel zagen, keken ze met minachting naar het traditioneel vuurgebruik en verboden ze het branden in de weidegronden. De traditionele kennis, die mondeling werd overgeleverd, ging verloren. Bovendien overtraden mensen het verbod en gingen over tot willekeurige brandstichting. Ingenieuze ontstekingsmechanismen werden toegepast, zoals smeulende mest in een notendop, waarbij de brandstichter niet kon worden achterhaald.

De bevolkingsaanwas en sociaal-economische veranderingen leidden er toe dat grote aantallen mensen uit andere streken naar de savannen immigreerden om er een bestaan op te bouwen. Zij weten dat vuur de voedselkwaliteit voor het vee kan bevorderen, maar hebben nauwelijks inzicht in brandbeheer en steken de vegetatie vaak lukraak in brand. Stropers en veedieven gebruiken vuur om hun sporen te wissen terwijl herdersjongetjes, gewapend met lucifers of aanstekers die overal te krijgen zijn, vaak met vuur spelen of bewust de vegetatie in brand steken om een beter zicht te krijgen in dichte vegetatie, waar roofdieren en slangen kunnen schuilen.

Het vele vuur werkt inmiddels averechts. Door de zware begrazingsdruk en de frequente branden is er minder brandbaar materiaal, zodat de vuren minder intens zijn. Dat is zeker zo wanneer aan het begin van de droge tijd wordt gebrand. Het mildere vuur veroorzaakt minder schade aan bomen. Brand aan het begin van de droge tijd kan zelfs gunstig zijn voor bomen, omdat het, in combinatie met begrazing, de grassen doodt die met de bomen concurreren om water en voedingsstoffen. Verstruiking van de savannen is tegenwoordig dan ook een groot probleem.

Goedkoop

Luidt de conclusie nu dat vuur niet meer geschikt is als beheersmaatregel en dat het beperkt of misschien zelfs verboden moet worden? In eerste instantie zou het antwoord ‘ja’ zijn. Toch ben ik niet voor een verbod. In verschillende gebieden geldt dat al, maar dat leidt, zoals gezegd, juist eerder tot brandstichting. En wie zou de naleving moeten controleren in deze zeer weidse, uitgestrekte gebieden waar de lokale autoriteiten zo weinig middelen tot hun beschikking hebben? In gebieden waar het gebod wordt nageleefd, krijgen bovendien niet-eetbare en verouderde planten de overhand.

De discussie moet dan ook niet zozeer gaan over wel of niet branden, maar over het vuurregime: seizoen en frequentie van branden, tijdstip van de dag waarop wordt gebrand en of men met de wind mee of tegen de wind in brandt. Zowel abiotische factoren (neerslag, bodem) als biotische factoren (type vegetatie, begrazingsdruk) moeten in beschouwing worden genomen, want zij bepalen voor een groot deel de effecten die het vuur op het ecosysteem heeft. Door het vuurregime aan te passen kan men verschillende doelen bereiken. Wil men bijvoorbeeld verstruiking tegengaan, dan moet men aan het einde van de droge tijd met de wind mee branden op een dag met veel wind en een lage luchtvochtigheid. De brand is dan zeer intens en zal bomen en struiken flink aantasten. De grassen hebben er weinig last van, omdat ze in rust zijn en hun groeipunten diep in de pol zitten; die wordt nauwelijks verhit omdat het vuur snel is uitgeraasd.

De Afrikaanse savannen zijn een ideaal leefgebied voor zowel vee als wilde dieren. Een groot gedeelte van de bevolking is in meer of mindere mate afhankelijk van het vee. Het wildtoerisme is een grote bron van inkomsten voor de lokale en centrale overheid; de plaatselijke bevolking pikt een graantje mee via werkgelegenheid en de verkoop van toeristische artikelen. Goed beheer van de savannegebieden is dan ook van cruciaal belang, zowel voor de lokale economie als voor het voortbestaan van het bijzondere natuurschoon.

Westerse beheerstechnieken zijn vaak te duur. Vuur is goedkoop en bruikbaar voor verschillende beheersdoelen. Ik vind dan ook dat vuur nog steeds een geschikt beheersmiddel is, onder de voorwaarde dat de juiste brandregimes worden nageleefd. De oude kennis over brandbeheer moet weer worden ingezet en waar nodig opnieuw opgebouwd.

Bedreigd wild

Het Afrikaanse wild is sterk achteruit gegaan door grootschalige wildjacht, die begon gedurende het koloniale tijdperk, de introductie van exotische ziekten en een afname van het leefgebied. Het wild is tegenwoordig aangewezen op beschermde natuurgebieden. Deze gebieden zijn in veel gevallen echter niet afdoende voor het voortbestaan van de populaties en de dieren zijn ook afhankelijk van gebieden buiten de parken, gebieden dus waar nomadische herdersvolken zich ophouden. Ze hebben zo, net als het vee, te lijden onder een foutief vuurgebruik.

Brandstapel. Een olifant die aan miltvuur is gestorven wordt met kalk bestrooid, met takken toegedekt en verbrand om verspreiding van de ziekte te voorkomen.

Ook de beschermde natuurgebieden kampen met het probleem van de branden. Vaak branden parkbeheerders aan het begin van de droge tijd de grenzen van het park af. Tevens gebruiken ze vuur in de parken om het zicht voor de toeristen te verbeteren of om dieren die aan een zeer besmettelijke ziekte, zoals miltvuur, zijn doodgegaan, te vernietigen en verdere besmetting tegen te gaan. Ze werpen een grote berg hout op het dier, gooien er diesel over en steken het geheel in brand.

Helaas gaat ook hier vaak het brandbeheer in rook op, door gebrek aan middelen of door gebrek aan kennis van het juiste brandregime. Branden lopen vaak uit de hand zodat grote delen van een park afbranden.

Dit artikel is een publicatie van Natuurwetenschap & Techniek.
© Natuurwetenschap & Techniek, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 juni 2001

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.