Je leest:

Vreemdelingen maken de taal simpel

Vreemdelingen maken de taal simpel

Auteurs: en | 11 mei 2007

Zal het Nederlands veranderen onder invloed van nieuwkomers? Waarschijnlijk wel, blijkt uit onderzoek naar de manier waarop uiteenlopende talen in de loop van de tijd veranderd zijn. Samenlevingen die openstaan voor vreemdelingen ontwikkelen een ‘eenvoudiger’ taal dan gesloten samenlevingen.

Alsof de tijden al niet somber genoeg zijn, kopte de Volkskrant een paar weken geleden onheilspellend: “Hun hebben de taal verkwanseld”. In het artikel vertelden taalkundigen dat onze taal onder invloed van nieuwe, allochtone sprekers aan het veranderen is. Die nieuwe sprekers van het Nederlands zeggen bijvoorbeeld naast ‘een mooie stoel’ en ‘een mooie tafel’ ook ‘een mooie tafelkleed’. Volgens de onderzoekers zouden dat soort vereenvoudigingen over vijftien jaar gemeengoed zijn. En wat veel lezers helemaal de stuipen op het lijf joeg: ze leken dat nog toe te juichen ook.

Het artikel leverde veel ingezonden brieven op van mensen die zich afvroegen waarom de overheid en het onderwijs niet tegen de door de deskundigen geschetste versimpeling optreden. Maar in het gekrakeel werden sommige vragen niet gesteld: Kan een taal eigenlijk wel simpeler worden? Is de ene taal makkelijker (te leren) dan de andere? En, als een taal simpeler wordt, worden de sprekers van die taal zelf dan ook simpeler?

Misschien kwamen die vragen niet aan de orde omdat de antwoorden zo voor de hand lijken te liggen. Is het Russisch met al zijn naamvallen, uitzonderingen en geslachten niet veel moeilijker dan het Frans? Is het Chinees met zijn ondoorzichtige karakters niet lastiger dan het Italiaans, waar elke letter staat voor precies één klank? Maar als je er even over nadenkt, liggen de zaken niet zo eenvoudig.

Het Russisch heeft wel veel naamvallen, maar daartegenover staat dat de woordvolgorde veel vrijer is dan in het Frans. Bovendien: wat voor de een moeilijk is, is voor de ander makkelijk: voor Chinezen is het bijna onmogelijk om het Nederlandse lijst en rijst te onderscheiden, maar voor Fransen, die in hun eigen taal ook verschil maken tussen l en r, is dat geen probleem.

Taboes

Wetenschappers zijn lange tijd huiverig geweest om de ene taal complexer te noemen dan de andere. Dat heeft te maken met moeilijkheden als de zojuist genoemde: je weet niet waar je moet beginnen en het is moeilijk om een objectieve maat voor complexiteit te bedenken. Daarnaast zijn er ook historische gevoeligheden. In de negentiende eeuw stelden geleerden soms nog wel van dit soort vragen, en beantwoordden ze die ook onbekommerd.

Ze gingen er daarbij dan vaak van uit dat Europese talen complexer waren dan de talen van ‘primitieve volkeren’ omdat de Europese cultuur nu eenmaal rijker en subtieler was. Soms betoogden ze juist dat de Europese talen simpeler waren, omdat het denken van de Europeaan nu eenmaal zo helder en precies is. In de twintigste eeuw stapte men af van de gedachte dat de westerse cultuur beter is dan alle andere. In één moeite door nam men dan ook maar aan dat ook alle talen precies even complex zouden zijn.

Zes jaar geleden werkten wij aan de Universiteit van Amsterdam. Net als onze collega Pieter Muysken vonden we dat de vraag het ondanks alle taboes verdiende om serieus te worden genomen. We begonnen daarom een onderzoek naar wat complexiteit in taal zou kunnen zijn en hoe eventuele verschillen in complexiteit zouden kunnen worden geduid.

Meetlat

Hoe pakje zo’n ingewikkelde vraag aan? We besloten niet naar de hele taal te kijken, maar alleen naar de werkwoordsuitgangen (- t en – en in het Nederlands: loopt, lopen), omdat er al veel bekend was over de manier waarop mensen die uitgangen leren en over hoe werkwoorden zich in een reeks van talen in de loop van de tijd ontwikkeld hadden. Verder besloten we ons te beperken tot de vraag: wanneer is een taal complex voor een relatieve buitenstaander die de taal op latere leeftijd moet leren?

Werkwoordsuitgangen kunnen meer of minder informatie dragen. De uitgang – ten in wij werkten betekent in ieder geval ‘verleden tijd’ en ‘meervoud’. In sommige talen is een werkwoordsuitgang voor een mannelijk onderwerp ( Peter slaapt) anders dan voor een vrouwelijk onderwerp ( Petra slaapt). De vuistregel is nu: hoe meer informatie een werkwoordsuitgang moet uitdrukken, des te complexer is de taal. Ook als uitgangen ondoorzichtig zijn, omdat ze tegelijkertijd verschillende soorten informatie weergeven, noemden we ze complex. In de uitgang – t in het Nederlands wordt bijvoorbeeld wel heel veel informatie (onder meer derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd) samengebald in één enkele medeklinker.

Zo hadden we alles bij elkaar een precieze meetlat om te kunnen bepalen hoe complex werkwoordsuitgangen van een bepaalde taal waren. We legden deze meetlat langs een groep historisch nauw verwante talen. Zo vergeleken we het Noors met het IJslands, omdat we weten dat deze talen enkele honderden jaren geleden nog één taal waren. Op dezelfde manier vergeleken we het klassiek Arabisch, de taal van de koran, met die van moderne Arabische samenlevingen, en bekeken we taalgroepen uit Latijns-Amerika (Quechua) en Afrika (Swahili).

Een soort paspoort

De verschillen in complexiteit tussen verwante talen blijken gedeeltelijk gerelateerd te kunnen worden aan de geschiedenis van hun taalgemeenschappen. Dat het Noors veel minder werkwoordsvervoeging heeft dan het IJslands is verklaarbaar doordat IJsland eeuwenlang heel geïsoleerd was terwijl Noorwegen al minstens sinds de Hanzetijd, dus sinds de Middeleeuwen, intensieve handelscontacten onderhield met grote delen van Europa.

Het opmerkelijke conservatisme in het IJslands, maar ook dat in bijvoorbeeld het Arabisch zoals dat in geïsoleerde delen van Saudi- Arabië wordt gesproken, kunnen we toeschrijven aan een gebrek aan contacten met buitenstaanders, aan de geïsoleerde ligging van de taalgemeenschappen, en aan de grote waarde die men in beide gebieden aan de eigen taal toekent.

In alle door ons onderzochte taalgroepen bleek de hoeveelheid buitenstaanders die gebruikmaakten van een taal, in aantoonbaar verband te staan met de mate van vereenvoudiging van werkwoordsvormen. Daarnaast bleek de houding die de sprekers tegenover hun taal innamen van belang te zijn, en ook de wil om de taal te veranderen. Wanneer mensen hun taal zien als iets wat een verbinding legt tussen heden en verleden, als een paspoort dat bewijst datje erbij hoort, zullen ze eerder neigen naar behoud van hun taal zoals hij was en is, ook al betekent dat het behoud van moeilijke en zinloze elementen.

Omgekeerd, wanneer sprekers hun taal vooral beschouwen als een praktisch gebruiksmiddel voor iedereen, en minder als een middel om een groepsidentiteit mee te creëren, zullen ze een pragmatischere houding aannemen en hun taalgebruik aanpassen aan de nieuwe situatie.

Wat betekent dit alles nu voor een mooie tafelkleed in het Nederlands? Het gaat hier weliswaar niet om een werkwoordsuitgang, maar heel waarschijnlijk onderhouden uitgangen van bijvoeglijke naamwoorden, zoals de – e in mooie, een soortgelijke relatie met de structuur van de maatschappij. Als er meer buitenstaanders een taal gaan gebruiken, zal het systeem van verbuigingen vereenvoudigen, en dat is precies wat er in het rijtje een mooie stoel, een mooie tafel, een mooie tafelkleedis gebeurd: alle vormen zijn hetzelfde.

illustratie: Hein de Kort

Sommige mensen vrezen dat vereenvoudigingen in de taal direct verband houden met verlies van cultuur. Die vrees is ongegrond, tenzij je meent dat Noren minder of cultureel armer zijn dan IJslanders omdat ze geen verschil maken tussen de tweede en derde persoon meervoud van werkwoordsvormen, of dat Marokkanen minder zijn dan de bedoeïenen uit de tijd van de profeet Mohammed omdat de eersten naast het enkelvoud en het meervoud geen ‘tweevoud’ meer gebruiken.

Gaan de Nederlanders onder invloed van de nieuwkomers ooit allemaal ‘een mooie tafelkleed’ zeggen? Het hangt er maar van af: wanneer er steeds nieuwe groepen mensen komen die dit soort dingen blijven zeggen, en wanneer de andere mensen niet al te veel waarde hechten aan de tradities van hun taal, klinkt een mooi tafelkleed over honderd jaar waarschijnlijk bespottelijk ouderwets.

Maar als de samenleving zich afkeert van de nieuwkomers, en ze letterlijk inspraak in de taal onthoudt, zal het Nederlands de huidige, ietwat eigenaardige manier om met bijvoeglijke naamwoorden om te gaan, nog lang behouden. Of we dat ene _e_’tje wel of niet behouden, heeft van alles te maken met de manier waarop we onze maatschappij inrichten.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 11 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.