Je leest:

Voorzichtig met graan

Voorzichtig met graan

Brood, pasta en koekjes op basis van tarwemeel zijn voor sommige mensen taboe. Sinds hun kindertijd zijn ze gevoelig voor bepaalde eiwitten die daar in zitten – gluten. Deze ziekte, coeliakie, kan niet genezen en patiënten zijn levenslang aangewezen op een dieet. Dat is lastig, want tarwe-eiwitten zitten in veel producten, bijvoorbeeld in snoep. Misschien is binnenkort wel te voorkomen dat de ziekte zich bij kinderen ontwikkelt, hoopt scheikundige Willemijn Vader. Ze promoveert op 13 maart op een onderzoek naar coeliakie.

Onnodig volgen van glutenvrij dieet schadelijk voor gezondheid

Het volgen van een glutenvrij dieet, zonder dat daar een medische indicatie voor is, zou volgens onderzoekers van de Harvard Medical School juist schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Daarbij gaat het specifiek om mensen die glutenvrij eten om de voedseltrends te volgen en niet om mensen die Coeliakie ofwel een glutenintolerantie hebben. Wat is Coeliakie precies?

Als patiënten met coeliakie producten van tarwe eten, maar ook van gerst en rogge, ontwikkelt zich een chronische ontsteking in de dunne darm. De darmvlokken raken aangetast of verdwijnen zelfs, zodat de voedingsstoffen niet goed meer worden opgenomen. Gevolgen zijn diarree, ondervoeding, vertraagde groei, vermoeidheid en, op latere leeftijd, verminderde vruchtbaarheid, botontkalking en een vergrote kans op bepaalde vormen van kanker. “Gezien de grote hoeveelheid tarwe, gerst en rogge in ‘Bambix groeiontbijt’, kan het eten hiervan juist tot sterk verminderde groei leiden bij kinderen met aanleg voor coeliakie,” luidt dan ook een van de stellingen die Vader bij haar proefschrift voegde.

Niet tolerant genoeg

De aanleg voor coeliakie is erfelijk. De dunne darm heeft een afweersysteem, dat ziekteverwekkers moet vernietigen, maar andere lichaamsvreemde stoffen – voedingsstoffen – ongemoeid moet laten. Afweercellen sporen indringers op aan de hand van eiwitfragmenten (peptiden), die worden getoond door bepaalde moleculen, HLA of MHC genoemd. Ieder persoon heeft een eigen set van die presenterende moleculen geërfd, en die bepaalt welke peptiden getoond kunnen worden. Sommige typen HLA tonen peptiden die afbraakproducten van gluten zijn; de belangrijkste is HLA-DQ2. Het afweersysteem zou tolerant voor deze peptiden moeten zijn. Maar het afweersysteem van jonge kinderen functioneert nog niet goed en reageert er soms toch op. Als een afweerreactie eenmaal is ontstaan, laait die telkens weer op als er gluten in de dunne darm komen.

Drempelwaarde

Vader wilde precies weten welke peptiden bij kinderen problemen veroorzaken. Ze onderzocht waar afweercellen op reageren bij 26 kinderen bij wie de ziekte net was ontstaan. En tot haar verrassing bleken tientallen peptiden uit gluten een afweerreactie uit te kunnen lokken. Of een kind coeliakie krijgt, hangt af van de hoeveelheid van deze schadelijke peptiden die gepresenteerd wordt, veronderstelt Vader. En dat wordt weer grotendeels bepaald door de set HLA-moleculen die het kind heeft. Bij een bepaalde drempelwaarde komt een afweerreactie op gang. Allereerst is dan van belang of een kind het HLA-DQ2 heeft. Dat HLA-type komt bij meer dan 95 procent van de coeliakiepatiënten voor.

Hielprik

Maar lang niet iedereen met HLA-DQ2 ontwikkelt coeliakie. Dat komt, denkt Vader, omdat de hoeveelheid gluten in het dieet niet altijd even groot is. Dat zou betekenen dat coeliakie wellicht te voorkomen is. Ze stelt voor kinderen te screenen op het bezit van HLA-DQ2 door het bloed dat met de hielprik, kort na de geboorte, wordt afgenomen daarop te onderzoeken. Gebruikelijk is dat kinderen met zeven maanden de eerste graanproducten eten. Bij kinderen met aanleg voor coeliakie zouden die granen dan zeer geleidelijk aan het dieet moeten worden toegevoegd. Dan wordt de drempel niet meteen overschreden, is het idee, en heeft het afweersysteem de tijd om tolerant voor gluten te worden.

Veilige tarwe

Vader vergeleek ook eiwitten in haver, dat wel verdragen wordt, met eiwitten in de granen die niet verdragen worden. Er blijken maar kleine verschillen tussen te zijn. Misschien, denkt ze, is het mogelijk om een veilige tarwe te produceren door uit te gaan van het minst toxische ras en eiwitten daarin te wijzigen door genetische modificatie of een enzymatische behandeling. “De kans is groot dat er tussen de 6000 bestaande tarwerassen variëteiten voorkomen die minder schadelijk zijn voor coeliakiepatiënten”, is een tweede stelling. Het proefschrift van Willemijn Vader heet Coeliac disease – across the threshold of tolerance. Ze promoveert bij prof. dr. René de Vries (Immunohematologie).

Dit artikel is een publicatie van Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).
© Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 07 maart 2003

Discussieer mee

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

LEES EN DRAAG BIJ AAN DE DISCUSSIE