Je leest:

Voortplantingsgeneeskunde: Stromingen in de ethiek

Voortplantingsgeneeskunde: Stromingen in de ethiek

Auteur: | 26 september 2017
Shutterstock

Bevruchting, zwangerschap en de gezondheid van de baby zijn niet langer per definitie biologisch, maar steeds vaker biotechnologisch bepaald. Onvruchtbaarheid hoeft geen kinderloos bestaan te betekenen en een ernstige aandoening bij het kind kan in het allervroegste stadium worden opgespoord.

De schat aan mogelijkheden die deze ontwikkelingen ons bieden, roept al tientallen jaren de nodige vragen op. Wie komen er waarom in aanmerking voor IVF en ICSI en wie gaat dat betalen? Welke zaken vinden we zodanig ongewenst dat er voor of tijdens de zwangerschap op gescreend mag worden, met een eventuele abortus tot gevolg? Hoe ver mogen we eigenlijk gaan met het ingrijpen op en selecteren van toekomstige mensen? Welke gevolgen hebben die ingrepen voor mensen die niet geselecteerd zijn?

Deze vragen zijn onder te verdelen in ethische, politieke en juridische kwesties. Juridische vragen gaan over de wettelijke toelaatbaarheid. Politieke vragen gaan over keuzes, bijvoorbeeld voor bepaalde wetgeving of verdeling van middelen. Ethiek draait om de vraag wat ‘goed’ handelen betekent. Om hier die ethische kwesties te kunnen bespreken, is het nodig enkele stromingen binnen de ethiek te beschrijven.

Ethische vraagstukken binnen de voortplantingsgeneeskunde onderzoeken of de betrokken technieken passen bij wat we onder de ‘juiste’ manier van leven beschouwen, en adresseren verschillende niveaus: de vroegste voorstadia van de mens (het embryo), het kind, de ouders en de samenleving als geheel. Het ingewikkelde aan ethische vragen is dat er geen eenduidige antwoorden op bestaan. Ethische vragen zijn niet wetgevend, maar richtinggevend bij het vormen van onze opvattingen over wat ‘juist’ is. En wát we dan precies als ‘goed’ en ‘fout’ beschouwen, hangt weer af van de ethische denkrichting van waaruit we een onderwerp benaderen: de deontologie of plichtethiek, de deugdethiek of het consequentialisme.

Plichtethiek

‘Gij zult niet doden’ is misschien wel het bekendste voorbeeld van een zogenoemde deontologische leefregel. Deontologie betekent letterlijk plichtethiek. Binnen deze stroming wordt de vraag wat het juiste handelen is, beoordeeld op basis van morele gedragsregels zoals ‘niet doden’ of ‘niet stelen’.

Binnen de plichtethiek worden gedragingen en handelingen zelf onderworpen aan morele oordelen. Grondlegger van de plichtethiek is verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804), voor wie moreel handelen neerkwam op het naleven van het zogeheten categorisch imperatief. Dit imperatief bestaat uit twee leefregels: we dienen zo te handelen dat het principe achter onze handelingen als algemene wet te wensen is; en mensen moeten altijd een doel op zich zijn, nooit een middel tot het bereiken van een doel.

Deze leefregels hebben nogal wat implicaties. Volgens de strikte naleving is een leugentje om bestwil moreel gezien dan namelijk nooit toegestaan, zelfs niet om iemand te beschermen: we kunnen immers niet willen dat ‘liegen’ een algemene wet wordt. Ook religieuze leefregels zoals de Tien Geboden zijn voorbeelden van een deontologische ethische benadering.

Een voorbeeld van een deontologische benadering binnen de voortplantingsgeneeskunde is het volledig afkeuren van selectieve abortus na prenatale diagnostiek vanwege het feit dat daarbij een levend wezen wordt gedood.

Kunnen sprinters als Usain Bolt in de toekomst ‘op bestelling’ worden geleverd?
Shutterstock

Deugdethiek

Wijsheid, moed, rechtvaardigheid en matigheid. Het zijn de vier kardinale deugden volgens grondlegger van de deugdethiek, Aristoteles (384-322). Het ontwikkelen en beschermen van deze en andere deugden was volgens Aristoteles onontbeerlijk voor menselijk geluk. Het is om die reden ‘natuurlijk’ voor de mens en dient daarom als morele leidraad.

Deugdethische benaderingen kijken vooral of mensen vanwege de juiste redenen handelen en of hun karakter wel deugt. Een handeling is moreel ‘juist’ als iemand handelt op basis van de juiste motieven en op basis van de juiste deugden of levenshouding. Het aanbieden van je zitplaats in de trein aan een ouder iemand wordt moreel onjuist als dit gedaan wordt om de verkeerde redenen: niet om de oudere in kwestie te helpen, maar om zelf geprezen te worden vanwege je goedhartigheid.

Het gaat dus niet om natuurlijk gedrag in de primaire zin, zoals iemand eens flink uitschelden als je boos bent, maar om deugden die als ‘goed’ zijn beoordeeld omdat ze bijdragen aan het menselijk geluk. Gierigheid doet dat niet, net zoals verkwisting; het midden tussen die twee, vrijgevigheid, is wél een deugd.

Een deugdethische benadering van de voortplantingsgeneeskunde vraagt zich bijvoorbeeld af wat dergelijke technieken betekenen voor de menselijke natuur en het menselijk karakter. Volgens de Amerikaanse filosoof Michael Sandel gaan aanpassingen aan de mens die niet medisch noodzakelijk zijn, ten koste van enkele wezenlijke menselijke deugden zoals nederigheid voor wat ons gegeven wordt en onderlinge solidariteit: wanneer handicaps ‘voorkómen’ kunnen worden, willen we dan als samenleving nog wel zorg dragen voor mensen die wél een beperking hebben?

Een deugdethicus vraagt zich ook af wat ‘natuurlijk’ menselijk functioneren is, en welke technieken bijdragen aan het herstel ervan. Het onderscheid tussen genezing en verbetering, een heikel punt binnen de bio-ethiek, speelt daarbij een belangrijke rol.

De deugdethiek laat tot slot ook medische professionals nadenken over de vraag of zij aan een bepaalde behandeling willen meewerken. Kunnen zij het aan zichzelf verantwoorden om een ingreep te doen, los van de wens van de cliënt of de juridische toelaatbaarheid? Kunnen zij zichzelf nog in de spiegel kijken?

Consequentialisme

Bij consequentialisme of gevolgethiek hangt de vraag wat het juiste handelen is af van de gevolgen van die handelingen, waarbij niet-schaden van personen de ondergrens is. De bekendste consequentialistische stroming is het utilisme van grondleggers Jeremy Bentham (1784-1823) en John Stuart Mill (1806-1873). Een utilist trekt de nadelen af van de voordelen en kijkt wat er onder de streep overblijft: als het netto resultaat betekent dat de meeste mensen geluk zullen ervaren, is de betreffende handeling nastrevenswaardig.

Menselijk leven kan wel degelijk een instrumentele waarde hebben, als dit als netto resultaat meer geluk oplevert voor de meeste mensen. Volgens de Britse consequentialistische bio-ethicus John Harris zijn we bijvoorbeeld moreel verplicht om alles in het werk te stellen mensen ‘beter’ te maken dan hoe de evolutie ons heeft gecreëerd. Verbeteringen zijn volgens hem immers per definitie ‘goed’: de mens wordt er (als consequentie) beter, gezonder, slimmer of sneller van. Kunnen we via een veilige ingreep ervoor zorgen dat mensen intelligenter worden of harder kunnen lopen? Niets mis mee, vindt Harris. Kijk maar eens wat het ons allemaal oplevert.

Lees het volgende artikel van ‘Van slaapkamer naar laboratorium’

Waardigheid en keuzevrijheid

Suzanne van den Eynden
Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, en hoort bij het thema Ziekten voorkomen op Biotechnologie.nl.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 september 2017

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.