Je leest:

Voortplanting in het recht

Voortplanting in het recht

Auteur: | 26 september 2017
Shutterstock

De ontwikkelingen in de voortplantingsgeneeskunde van de afgelopen decennia stellen politiek en recht voor continue uitdagingen. Waar het recht zich op het gebied van voortplanting lange tijd bijna ‘alleen maar’ bezig hoefde te houden met vraagstukken rond abortus, zijn daar nu veel meer praktische vragen bijgekomen.

De ontwikkelingen in de voortplantingsgeneeskunde van de afgelopen decennia stellen politiek en recht voor continue uitdagingen. Waar het recht zich op het gebied van voortplanting lange tijd bijna ‘alleen maar’ bezig hoefde te houden met vraagstukken rond abortus, zijn daar nu veel meer praktische vragen bijgekomen. Zo werd het door de opkomst van bijvoorbeeld de in-vitro-fertilisatie ook nodig om een Embryowet op te stellen.

Een van de fundamentele juridische beginselen die onder de wetgeving rond voortplanting en voortplantingsgeneeskunde liggen is de vrijheid om je voort te planten. Die vrijheid is evenwel lang niet altijd vanzelfsprekend geweest. Tot in de tweede helft van de vorige eeuw was het ook in westerse landen zoals de Verenigde Staten zelfs niet ongewoon om mensen gedwongen te steriliseren wanneer zij als ‘zwakzinnig’ werden bestempeld. De recente (2016) poging van de Rotterdamse wethouder De Jonge (CDA) om dit gebruik in verkapte vorm (verplichte anticonceptie voor ‘kwetsbare vrouwen’) opnieuw in te voeren, riep in de juridische wereld en daarbuiten veel verzet op.

Vrijheid of recht op voortplanting

De vrijheid om je voort te planten houdt niet automatisch een recht op voortplanting in. Dat zou namelijk betekenen dat ‘de samenleving’, of meer specifiek: fertiliteitsartsen of gynaecologen te allen tijde mee zouden moeten werken aan behandelingen om een eventuele verminderde vruchtbaarheid te behandelen. Die plicht bestaat niet. In 2010 heeft de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie zelfs een richtlijn opgesteld met ‘morele contra-indicaties bij vruchtbaarheidsbehandelingen’. Ter bescherming van een potentieel kind kunnen artsen besluiten om niet mee te werken aan een vruchtbaarheidsbehandeling wanneer zij gerede twijfel hebben aan de capaciteiten van ouders om dat kind een veilige omgeving te bieden. Het recht staat artsen niet in de weg bij zo’n beslissing.

Het belang van het toekomstige kind betreft ook kunnen weten van wie het afstamt. Sinds ‘de donorwet’ van 2004 (voluit: de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting) heeft ieder kind het recht om te weten wie zijn of haar biologische ouders zijn. Iemand heeft dus weliswaar een behoorlijke vrijheid om in de privésfeer met zijn zaad- of eicellen te doen wat hij of zij wil, maar als geslachtscellen door bijvoorbeeld een ziekenhuis worden gebruikt voor kunstmatige bevruchting, hoort daar tegenwoordig ook bij dat je persoonsgegevens, samen met medische en sociale informatie worden vastgelegd en worden bewaard door een speciaal daartoe in het leven geroepen stichting.

Progressieve rechtsbescherming

Een ander fundamenteel beginsel is dat van de bescherming van ongeboren leven. Ten aanzien van de bescherming van het ongeboren kind kent het recht een zogeheten progressieve rechtsbescherming. Dat begint al wanneer buiten het moederlichaam een embryo tot stand is gebracht; de Embryowet bevat strikte regels over wat daarmee mag worden gedaan en onder welke voorwaarden.

Een volgend belangrijk moment in de bescherming van een ongeboren kind is de innesteling van een foetus in de baarmoeder, rond een dag of tien na de bevruchting. Tot dat moment is een vrouw nog vrij om met bijvoorbeeld een morning-afterpil de zwangerschap af te breken. Na de innesteling gelden de wettelijke regels rond abortus. Vanaf dat moment wordt in het recht ook pas gesproken van zwangerschap. In het Burgerlijk Wetboek is ook vastgelegd dat het ongeboren kind vanaf dat moment bepaalde rechten heeft, bijvoorbeeld op een erfenis wanneer die vrij zou vallen terwijl het kind nog niet geboren is.

De zwangerschapsduur van 24 weken is met name belangrijk in de abortuswetgeving. Vanaf dat moment is een kind in principe zelfstandig levensvatbaar, en is abortus alleen nog onder uitzonderlijke omstandigheden toegestaan.

De hoogste graad van wettelijke bescherming geniet het kind pas na de feitelijke geboorte. Het kind zelf is niet wezenlijk veranderd tussen het moment vlak voor en vlak na de geboorte, anders dan dat de navelstreng naar de moeder is onderbroken. Toch houdt het recht dat moment aan om een kind voor het eerst als volwaardig mens te zien.

Het knippen van de navelstreng is een juridische waterscheiding: pas dan wordt een kind een ‘volwaardig individu’.
iStockphoto
Ook een ongeboren kind heeft recht op een erfenis.

Wetenschap dicteert recht

De voortschrijdende wetenschap bepaalt op verschillende manieren hoe het recht naar de voortplanting kijkt. Zo heeft de toegenomen kennis over de schade die roken of alcoholgebruik kan toebrengen aan het ongeboren kind mogelijke consequenties voor het recht. Het is verboden om de vrucht opzettelijk schade toe te brengen, maar dat heeft nog niet geleid tot een wettelijk verbod op overmatig middelengebruik tijdens de zwangerschap. Dat heeft veel te maken met het beginsel van zelfbeschikking dat een belangrijk principe is in ons recht. Ook volgens artikel 8 in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kan daarop slechts in bijzondere omstandigheden een inbreuk worden gemaakt.

Daar komt nog bij dat gedragsrestricties bij zwangerschap niet zonder een zware inbreuk op de privacy te handhaven zouden zijn. Toch zoeken sommige rechters daar wel de grenzen van de wet op, bijvoorbeeld in gevallen van ernstig verslaafde moeders. Dan kunnen zij kiezen voor bijvoorbeeld een beroep op de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen ter bescherming van het ongeboren kind.

Het recht wordt vrijwel continu levend gehouden door bijvoorbeeld de ontwikkelingen op het gebied van embryo-onderzoek. Vooralsnog is de wetgever uiterst terughoudend in het toestaan van het tot stand brengen van embryo’s zuiver en alleen voor onderzoeksdoeleinden. Dat onderzoek is nu alleen nog mogelijk wanneer het zogeheten restembryo’s betreft, die overblijven na een vruchtbaarheidsbehandeling, en dan alleen tot een leeftijd van veertien dagen.

Ook de ontwikkelingen in de diagnostiek houden het recht in ontwikkeling. Nu al is het mogelijk om op enkele belangrijke aandoeningen te testen vóór een embryo wordt teruggeplaatst. Het ligt in de rede dat die mogelijkheden alleen maar zullen toenemen. Ook de mogelijkheid tot ingrijpen op het embryo (kiembaanmodificatie) ligt volgens een recent rapport van de Gezondheidsraad en de Commissie Genetische Modificatie (COGEM) onherroepelijk in het verschiet.

Tot slot is het de vraag wat er in de toekomst zal gebeuren met de wettelijke grens van 24 weken voor een legale abortus. Die grens is gebaseerd op de levensvatbaarheid van de vrucht buiten het lichaam. Door de voortschrijdende techniek is het nu ook al mogelijk om kinderen na een kortere zwangerschapsduur in leven te houden. Op enig moment kan het recht consequenties verbinden aan al deze wetenschappelijke ontwikkelingen.

Lees het volgende artikel van ‘Van slaapkamer naar laboratorium’

Voortplantingsgeneeskunde: Stromingen in de ethiek

Suzanne van den Eynden
Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, en hoort bij het thema Ziekten voorkomen op Biotechnologie.nl.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 26 september 2017

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.