Je leest:

Voorspellen van dementie stap dichterbij

Voorspellen van dementie stap dichterbij

Auteur: | 27 november 2007

Veel onderzoek naar hoe je kunt voorspellen of iemand dement wordt voordat er echte symptomen zijn, loopt op niets uit. Neuropsycholoog Van der Hiele vond een methode die wel werkt. Door het geheugen te belasten en dan te kijken naar de zogenaamde alfa-activiteit in de hersenen kan ze zien of iemand dement gaat worden of niet.

In Nederland lijden naar schatting ruim 195.000 mensen aan dementie. Dementie wordt meestal veroorzaakt door de ziekte van Alzheimer, soms door de ziekte van Huntington. ‘Alzheimer’ en ‘Huntington’ zijn verschillende ziekten, die gemeen hebben dat er al achteruitgang in de hersenen plaatsvindt voordat de ziekte zich openbaart. Veel onderzoek richtte zich de afgelopen jaren op de vraag hoe je deze ziekten al in dat preklinische stadium kunt herkennen. De resultaten van die onderzoeken vielen tegen. Neuropsycholoog Karin van der Hiele ontdekte een methode die wel vruchtbaar lijkt. 29 november promoveert ze op een onderzoek naar vroege hersenveranderingen bij Alzheimer en Huntington.

Proefpersoon zit achter een computer waarop tien platen worden getoond die hij moet proberen te onthouden. Ondertussen vindt een EEG-registratie plaats van zijn hersenactiviteit.

Dementen hebben trager EEG

Met een elektro-encefalogram (EEG) kunnen veranderingen in de werking van de hersenen zichtbaar gemaakt worden. De patiënt krijgt elektroden op het hoofd, waarmee de elektrische activiteit van hersencellen gemeten wordt en afgebeeld op een computerscherm. Op het scherm zijn de frequenties van hersengolven (aantal golven per seconde) zichtbaar. Eerdere onderzoeken bij demente mensen wezen uit dat zij een trager EEG hebben (zie afbeelding hieronder). Bij mensen in de preklinische fase van dementie, dus voordat de diagnose gesteld is, was nog vrijwel niets te zien op het EEG. Deze bevindingen zijn verkregen bij proefpersonen die rustig in een stoel zaten, al dan niet met gesloten ogen.

Tien seconden EEG opgenomen bij een gezonde oudere (boven) en een patiënt met Alzheimer (onder), die met de ogen dicht in een stoel zaten. Het EEG van de Alzheimerpatiënt is zichtbaar trager.

EEG-meting tijdens geheugenactiviteit

Uit ander onderzoek kwam naar voren dat een EEG er anders uitziet wanneer je mensen een uitdagende taak, bijvoorbeeld een geheugentaak, voorlegt dan wanneer ze in rust zijn. De hersenen moeten ‘harder werken’ als ze iets moeten onthouden, zeker bij mensen die vergeetachtig beginnen te worden, dan als ze in rust zijn. Van der Hiele paste dit inzicht toe in het onderzoek naar beginnende dementie. Ze veronderstelde dat een EEG dat gemaakt werd terwijl het geheugen van patiënten in de preklinische fase werd uitgedaagd (dus voordat bij hen de dementie zichtbaar werd) andere bevindingen zou kunnen opleveren. Ze maakte EEG-registraties van proefpersonen aan wie tien platen getoond werden. Hun werd gevraagd deze platen te onthouden. Het onderzoek werd gedaan bij drie soorten proefpersonen: ouderen zonder geheugenproblemen, ouderen met milde cognitieve stoornissen die (om die reden) een verhoogd risico hebben op de ziekte van Alzheimer, en Alzheimerpatiënten.

Alfa-activiteit

Het EEG van patiënten met milde cognitieve stoornissen tijdens geheugenactivatie toonde een veranderde werking van de hersenen. Hun EEG liet tijdens de geheugentaak minder zogenaamde alfa-activiteit zien dan het EEG van ouderen zonder geheugenproblemen. (Alfa-activiteit treedt op bij een hersengolffrequentie van acht tot twaalf trillingen per seconde. Bij deze frequentie is de persoon in kwestie ontspannen en alert. Alfa-activiteit houdt verband met intelligentie, geheugenfuncties en prestaties.) Het rust-EEG liet geen verschillen zien tussen beide patiëntgroepen. Deze uitkomsten bevestigen Van der Hieles verwachting dat het EEG van patiënten met milde cognitieve stoornissen hersenveranderingen beter weergeeft tijdens geheugenactivatie dan wanneer het geheugen niet belast wordt.

Huntington-gendragers ook trager EEG

Van der Hiele voerde een vergelijkbaar onderzoek uit bij dragers van de ziekte van Huntington, die net als Alzheimer leidt tot een achteruitgang van het denkvermogen en uiteindelijk tot dementie. Ook bij deze ziekte geldt dat voordat de diagnose ‘Huntington’ gesteld wordt, er een preklinische fase is waarbij (onder andere) veranderingen in het geheugen in subtiele mate aanwezig zijn, maar waarbij de ziekte ‘officieel’ nog niet is begonnen. Huntington is een erfelijke aandoening. Sinds 1993 kan de aanwezigheid van de erfelijke eigenschap die de ziekte veroorzaakt met 99% zekerheid worden vastgesteld.

Voordat een ziekte als Huntington of Alzheimer ‘officieel’ begint, zijn er al subtiele veranderingen in het geheugen waar te nemen.

Van der Hiele maakte EEG’s van preklinische dragers van het Huntington-gen en van niet-gendragers tijdens het uitvoeren van de geheugentaak. Ook hieruit kwam naar voren dat de EEG’s van gendragers minder alfareactiviteit vertoonden dan niet-gendragers.

Waardevol instrument voor onderzoek

Het EEG tijdens het uitvoeren van een geheugentaak zou dus een waardevol instrument kunnen zijn voor het bestuderen van de hersenveranderingen die voorafgaan aan Alzheimer en Huntington. Men zou daardoor meer zicht kunnen krijgen op wat er precies gebeurt in de hersenen terwijl de ziekte van Alzheimer zich aan het ontwikkelen is.

Uit eerder onderzoek kwam naar voren dat het rust-EEG van dementiepatiënten een rol kan spelen in de evaluatie van medicijnen die gericht zijn op het remmen van de geestelijke achteruitgang van Alzheimerpatiënten, zoals rivastigmine en galantamine. Misschien is het EEG tijdens geheugenactivatie bij uitstek geschikt om de effecten van dit soort behandelingen te meten. Dat moet nader onderzoek uitwijzen.

Risicoprofiel

Het EEG tijdens geheugenactivatie kan ook worden gebruikt om een ‘risicoprofiel’ op te stellen van mensen met milde cognitieve stoornissen. Hoe groot is de kans dat zij dement zullen worden en hoe snel zal dat proces verlopen? Niet iedereen met milde cognitieve stoornissen wordt namelijk dement, en het proces verloopt ook niet bij iedereen even snel. Dit soort voorspellende informatie kan door artsen gebruikt worden bij het kiezen van de behandeling en begeleiding van patiënten en hun familie.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 27 november 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.