Je leest:

Vooroordelen versterken taalachterstand

Vooroordelen versterken taalachterstand

Kinderen die een taalachterstand hebben op het moment dat ze leren lezen en schrijven, behalen op latere leeftijd slechtere resultaten bij het lezen. Judith Stoep deed een promotieonderzoek naar de beginnende geletterdheid van zo’n 900 kinderen van 4 tot 6 jaar uit heel Nederland. De ontwikkeling van de taalvaardigheid en beginnende geletterdheid blijkt mede beïnvloed door de inschatting die leerkrachten maken van de ouderlijke betrokkenheid bij school.

Ongeveer een kwart van de kinderen in Nederland begint aan het basisonderwijs met een taalachterstand die nadelig is voor hun latere leesvaardigheid. Een achterstand die op jonge leeftijd te verkleinen is door hun taalvaardigheid en ‘beginnende geletterdheid’ te stimuleren: alles wat kinderen weten over geschreven taal voordat ze in groep 3 leren lezen en schrijven. Judith Stoep onderzocht hoe dat het beste kan, thuis en in de klas. Ze ontdekte dat leerkrachten zich daarbij nogal eens laten leiden door vooroordelen over de ouders van deze kinderen. Stoep promoveert vrijdag 14 maart aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Kinderen die een taalachterstand hebben op het moment dat ze leren lezen en schrijven, behalen op latere leeftijd slechtere resultaten bij het lezen. Dat is al langer bekend, vertelt taalwetenschapper Judith Stoep. ‘Het technisch lezen, dus: kunnen spellen, woorddelen kunnen onderscheiden en zo, krijgen de meeste kinderen wel goed onder de knie. Maar begrijpend lezen, een tekst goed kunnen doorgronden, blijft altijd wat moeilijker voor deze kinderen dan voor leeftijdsgenootjes die zonder taalachterstand aan hun schoolloopbaan begonnen.’

Het probleem werkt dus lang door. Stoep: ‘Alles wat je kunt doen om die achterstand al vroeg te verkleinen, en kinderen een betere kans te geven een goede lezer te worden, is dus van groot belang. Om te weten hoe je de beginnende geletterdheid bij jonge kinderen kunt stimuleren, moet je wel eerst weten hoe die zich ontwikkelt bij kinderen uit verschillende sociale groepen. Dat was in Nederland nog niet goed in kaart gebracht.’

Belangrijk kinderspel: ‘Kinderen die al enigszins vertrouwd zijn met wat lezen en schrijven is voordat ze het op school onderwezen wordt, leren gemakkelijker lezen, zo blijkt uit diverse onderzoeken.’

Kinderspel

Wat is beginnende geletterdheid eigenlijk? Stoep: ‘Het klinkt schoolser dan het is. Het gaat over kennis die kinderen opdoen via voorlezen, liedjes zingen, samen boodschappenlijstjes maken, rijmpjes verzinnen. Over een kind kennis laten maken met geschreven taal, met boeken, met woordjes, met letters. Duidelijk maken dat je de dingen die je zegt ook zelf kunt opschrijven.’ Kinderspel, dus? Maar wel belangrijk kinderspel: ‘Kinderen die al enigszins vertrouwd zijn met wat lezen en schrijven is voordat ze het op school onderwezen wordt, leren gemakkelijker lezen, zo blijkt uit diverse onderzoeken.’

Stereotiepe ideeën

Met die beginnende geletterdheid is het heel verschillend gesteld, constateert Stoep in haar promotieonderzoek. Ze betrok zo’n 900 kinderen van 4 tot 6 jaar uit heel Nederland: autochtone kinderen met hoger opgeleide ouders, autochtone kinderen met lager opgeleide ouders en allochtone kinderen. Die laatste groep komt in groep 1 (de voormalige kleuterschool) binnen met de grootste taalachterstand, terwijl de autochtone kinderen met lager opgeleide ouders een minder grote achterstand hebben ten opzichte van de autochtone kinderen met hoger opgeleide ouders. ‘Allochtone kinderen maken wel de grootste inhaalslag: eind groep 2 doen ze het stukken beter. Maar ze blijven als groep achter bij de andere twee groepen.’

Op zoek naar mogelijke oorzaken en oplossingen kwam Stoep tot een opvallende bevinding. ‘De ontwikkeling van de taalvaardigheid en beginnende geletterdheid wordt mede beïnvloed door de inschatting die leerkrachten maken van de ouderlijke betrokkenheid bij school.’

Hoe dat werkt? Zo: ‘De aandacht voor lezen en schrijven wordt afgestemd op waar het kind volgens de leerkracht aan toe is. En die inschatting wordt vooral gebaseerd op de verwachtingen over de betrokkenheid van de ouders, constateer ik. De ideeën die leerkrachten hierover hebben, zijn vrij algemeen en stereotiep: ze denken nogal eens dat allochtone ouders weinig met taal en lezen bezig zijn met hun kinderen en dat het ook geen zin heeft om hen bij het stimuleren van de beginnende geletterdheid van hun kind te betrekken. Dus doen ze dat niet, of in ieder geval stukken minder dan bij hoger opgeleide ouders, van wie leerkrachten soms onterecht verwachten dat ze thuis veel voorlezen, educatieve spelletjes doen, en op die manier kinderen op een speelse manier voorbereiden op het leesonderwijs dat in groep 3 formeel begint.’

Aanbevelingen

Leerkrachten, maar ook peuterleidsters, zouden zich op z’n minst moeten afvragen of hun ideeën over de wijze waarop ouders hun kinderen ondersteunen in taal en beginnende geletterdheid wel kloppen, vindt Stoep. ‘Zo moeilijk is dat niet: in de methode Taallijn VVE , waarvan ik een van de auteurs ben, stellen we bijvoorbeeld voor om een gezinsportfolio heen en weer te laten gaan tussen school en thuis. Een klapper waarin zowel de leerkracht als de ouders informatie stoppen over de ervaringen van een kind rondom een bepaald thema. Zowel ouders als leerkrachten krijgen op die manier een realistischer idee over de kennis en ervaringen van het kind, zodat ze het kind beter kunnen stimuleren in zijn of haar ontwikkeling.’

Interactief voorlezen… daar leren ze heel veel van.

Daarnaast constateert Stoep in haar onderzoek dat sommige manieren om beginnende geletterdheid te stimuleren beter werken dan andere. ‘Interactief voorlezen, waarbij je liefst een boekje kiest waar een kind zich wat bij kan voorstellen, bijvoorbeeld omdat het aansluit bij iets wat het die dag gedaan heeft, en waarbij je ook om de tekst heen praat en vragen stelt, af en toe een woordje aanwijst misschien… daar leren ze heel veel van.’

Dat zal er thuis misschien niet altijd van komen. Op peuterspeelzalen en in de eerste twee jaar van het basisonderwijs hoort er daarom wat Stoep betreft meer tijd voor ingeruimd te worden. ‘Het is toe te juichen dat staatssecretaris Dijksma onlangs 70 miljoen extra heeft uitgetrokken om taalachterstand bij zogenaamde risicokinderen te verminderen.’

Dit geld is met name bedoeld voor Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE). ‘Vooral peuterleidsters hebben in hun opleiding nog te weinig over het belang van beginnende geletterdheid geleerd. Er wordt nu met bijscholing een inhaalslag gemaakt, maar daarmee zijn we er niet. Peuterleidsters hebben bijvoorbeeld nauwelijks tijd om hun werk voor te bereiden, met ouders te overleggen en de ontwikkeling van de kinderen vast te leggen; daar zou ook meer ruimte voor moeten komen. Alleen op die manier kunnen ze écht aan de slag met beginnende geletterdheid en optimale kansen voor alle kinderen, ook die uit risicogroepen.’

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Radboud Universiteit Nijmegen.
© Radboud Universiteit Nijmegen, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 25 februari 2008

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.