Je leest:

Vooroordeel wordt uitdaging

Vooroordeel wordt uitdaging

Auteur: | 21 december 2006

Het is een denkfout van veel beleidsmakers om te veronderstellen dat de sociale identiteit van minderheidsgroepen schadelijk is voor de maatschappij als geheel. Dr. Colette van Laar van de Universiteit Leiden stelt dat het uitdragen van de sociale identiteit op de werkvloer juist moet worden aangemoedigd. Onderzoek geeft aan dat goed is de sociale identiteit van mensen te erkennen en ze de ruimte te geven die uit te dragen. Daardoor motiveer je ze om op bijvoorbeeld de werkvloer de uitdaging aan te gaan.

“Organisaties en beleidsmakers zouden menselijke diversiteit meer moeten accepteren en waarderen.” Dr. Colette van Laar, werkzaam bij de sectie sociale en organisatiepsychologie van de Universiteit Leiden, kijkt niet vanaf de zijlijn toe nu het debat over de positie van minderheidsgroepen binnen de Nederlandse samenleving een hoge vlucht heeft genomen.

Maatschappelijke betrokkenheid is de sleutel tot het werk van de psychologe. Met haar onderzoek naar de invloed van lage sociale status en stigma op motivatie en prestatie profileert Van Laar zich als een wetenschapper die midden in de maatschappij staat. “Als onderzoeker vind ik het belangrijk om wetenschappelijk verantwoorde uitspraken te kunnen doen over belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen.” Het is een geluid dat weerklank vindt. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) kende haar eerder dit jaar een VIDI-subsidie toe om haar empirische onderzoek naar de psychologische gevolgen van stigmatisering een extra impuls te geven.

Vidi-winnaar Colette van Laar: “Het is een denkfout van veel beleidsmakers om te veronderstellen dat de sociale identiteit van minderheidsgroepen schadelijk is voor de maatschappij als geheel.”

In westerse maatschappijen is de participatie van etnische minderheden in onderwijs en betaald werk de afgelopen decennia aanzienlijk gestegen. Toch blijven ze ondervertegenwoordigd in bepaalde beroepsgroepen. Bovendien wijst onderzoek uit dat hun functioneren niet altijd optimaal is. Waar veel onderzoekers de achterstand van etnische minderheden toeschrijven aan taalachterstand of culturele factoren, richten Van Laar en haar collega’s zich op sociaal-psychologische processen. Wat is het effect van stigmatisering op de motivatie van mensen? En wat is de uitwerking op relaties tussen groepen? Het zijn psychologische vragen die Van Laar ziet als een verruiming van het traditionele minderhedenonderzoek. “Wij nemen de mens achter het stigma in ogenschouw. Uitgangspunt daarbij is dat gestigmatiseerde groepen niet uit passieve slachtoffers bestaan, maar uit individuen die gemotiveerd zijn om doelen na te streven die voor hen belangrijk zijn.”

Positieve stimulans

Niet iedereen ervaart vooroordelen op dezelfde manier, betoogt Van Laar. “Veel mensen ervaren een stigma als een bedreiging en laten zich leiden door de angst om te falen. Er zijn echter ook mensen die een stigma juist beschouwen als een stimulans om beter te gaan presteren. In ons onderzoek richten we ons op de vraag hoe we een gevoel van bedreiging kunnen ombuigen naar de positieve tegenhanger daarvan: een gevoel van uitdaging.” Van Laar verwacht dat een focus op uitdaging leidt tot een verhoogde motivatie, betere prestaties, vruchtbaarder contact met de dominante groep en een hogere bereidheid om zich in te zetten voor positieverbetering van de eigen groep.

Een mooi ideaalbeeld, maar hoe bewerkstellig je binnen een organisatie dat minderheidsgroepen zich op een positieve manier uitgedaagd voelen? Van Laar: “Het is belangrijk dat je iemands sociale identiteit erkent. Geef mensen de ruimte om hun identiteit uit te dragen. Het dragen van een hoofddoekje hoeft vaak bijvoorbeeld niet strijdig te zijn met de doelstellingen van de organisatie. Alleen in bepaalde situaties, zoals in de rechtszaal, kan het problemen opleveren. Maar dat zijn uitzonderingen. Mensen in de gelegenheid stellen hun sociale identiteit te uiten sorteert meestal een positief effect. Onderzoek wijst uit dat het de motivatie van werknemers vergroot, ook buiten de domeinen waaraan zij hun identiteit ontlenen.”

Niet iedereen ervaart vooroordelen op dezelfde manier. Sommige mensen zien een stigma als bedreiging, anderen als uitdaging. Door iemands sociale identiteit te erkennen en mensen de ruimte te geven die uit te dragen, motiveer je ze om op bijvoorbeeld de werkvloer de uitdaging aan te gaan.

Met dit positieve uitgangspunt keert Van Laar zich nadrukkelijk tegen de angst die in haar ogen uit het huidige minderhedenbeleid spreekt. Het uitdragen van de eigen cultuur hoeft de integratie van minderheden in de samenleving niet per definitie in de weg te staan, meent de onderzoekster. “Het is een denkfout van veel beleidsmakers om te veronderstellen dat de sociale identiteit van minderheidsgroepen schadelijk is voor de maatschappij als geheel. Juist wanneer deze mensen zich erkend voelen in hun identiteit, zullen zij zich sterker bereid tonen om te participeren in de samenleving.”

Pioneerswerk in het veld en het laboratorium

Hoe komt Van Laar tot haar conclusies? Zowel laboratoriumexperimenten als veldonderzoek behoren tot haar instrumentarium. Ook maakt zij gebruik van fysiologische metingen aan het menselijk lichaam. De meerwaarde van deze innovatieve methoden illustreert Van Laar aan de hand van een eenvoudig voorbeeld. “Als mensen ontkennen dat zij zich bedreigd voelen, wijzen metingen aan bloeddruk en andere cardiovasculaire indices vaak uit dat zij wel degelijk bedreiging ervaren.” In het laboratorium wordt daarnaast onderzocht of elektrische hersengolven meer inzicht kunnen verschaffen in de fysiologische effecten van sociale bedreiging. “Echt pionierswerk”, aldus Van Laar.

In het laboratorium wordt onderzocht of elektrische hersengolven meer inzicht kunnen verschaffen in de fysiologische effecten van sociale bedreiging.

Maatschappelijk debat

Van Laar is blij dat haar werk de laatste jaren aan maatschappelijke relevantie heeft gewonnen. ‘De noodzaak om wetenschappelijk onderzoek te verrichten naar de gevolgen van stigmatisering wordt steeds groter nu minderheden in het middelpunt van het maatschappelijke debat staan.’ Van Laar, in 1998 gepromoveerd aan de Universiteit van Californië en van 2001 tot 2002 Visiting Scholar bij de Russell Sage Foundation in New York, vertelt dat er ook in Amerikaanse onderzoekskringen steeds meer interesse begint te ontstaan voor de wijze waarop Nederlanders omgaan met het integratievraagstuk. “Toen ik in 1999 terugkeerde in Nederland was ik even bang dat ik in een weinig uitdagend onderzoeksveld was beland. De laatste jaren is daar gelukkig volop verandering in gekomen.”

Van Laar ziet haar VIDI-subsidie als een mooie kans om meer kennis te verwerven over de manier waarop minderheidsgroepen met stigmatisering omgaan. Uiteindelijk zijn ook beleidsmakers daarmee gediend. Het huidige beleid van de Universiteit Leiden beschouwt zij in dat opzicht als veelbelovend. “De positieve aandacht voor diversiteit juich ik zonder meer toe.” Wel plaatst zij daarbij een kritische kanttekening: “Uiteindelijk zal deze visie op de werkvloer moeten worden uitgedragen, en niet alleen in beleidskringen. De medewerkers op de verschillende afdelingen moeten er vaak nog van overtuigd worden dat minderheden iets wezenlijks aan de organisatie toevoegen.”

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 december 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.