Je leest:

VMBO: doem of doen?

VMBO: doem of doen?

Auteur: | 17 april 2007

Als het gaat over het vmbo vliegen de doemscenario’s je om de oren. Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Door te investeren in computers, gebouwen en begeleiding kunnen zelfs gettoscholen uit het slop gehaald worden. En docenten zijn toch meestal bevlogen professionals die vernieuwend met hun vak bezig zijn.

Over het vmbo hoor je niet veel goeds. In de vier grote steden valt een kwart van de vmbo’ers uit voordat ze hun diploma halen. Agressie komt op het vmbo procentueel het meest voor. In de media overheerst het beeld dat het negatieve gedrag van een kleine groep leerlingen het leven op school domineert. Lesgeven is eigenlijk niet te doen, en wie wel iets wil leren, krijgt daar de kans niet voor. Een schrikbeeld voor veel ouders met jonge kinderen.

Jeugdwerk-expert drs. Redbad Veenbaas van het Jeugdinstituut VU is niet verbaasd over de problemen. “Met name aan de onderkant van de maatschappij komen steeds meer probleemjongeren. Daarom is het logisch dat er in het vmbo meer uitval en agressie voorkomen dan elders in het voortgezet onderwijs.”

Socioloog Veenbaas is een van de coördinatoren van het Jeugdinstituut VU van de Faculteit der Psychologie en Pedagogiek. Dat instituut wordt niet afgerekend op het aantal wetenschappelijke publicaties, maar op de praktijkresultaten die het boekt voor opdrachtgevers – meestal gemeenten. Het instituut zet bijvoorbeeld projecten op voor schoolverlaters, organiseert sportprogramma’s voor risicojeugd en neemt initiatieven om de werkgelegenheid voor de jeugd te bevorderen. Daarnaast verspreidt het instituut de kennis die jeugdwerkers opdoen, om te voorkomen dat zij allemaal apart het wiel moeten uitvinden. Zo staan deze wetenschappers met het ene been in de boekenkast en het andere in de praktijk.

Een vmbo ( Foto: Kees Rutten)

Een van de methoden die jeugdwerkers in Deventer hebben ontwikkeld, lijkt veelbelovend voor het vmbo. Op de vmbo-vestigingen van het Etty Hillesum Lyceum in Deventer hebben jeugdwerkers en maatschappelijk werkers een vaste plek gekregen. Ze organiseren laagdrempelige inloopactiviteiten voor iedereen. Daarmee bouwen ze een band op met de leerlingen. Dat maakt het makkelijker om probleemoplossende trainingen aan te bieden voor wie dat nodig heeft. Ook zoeken ze soms contact met het gezin van jongeren en hebben ze nauw contact met de docenten.

Gettoscholen

“Jongeren zijn veel op school, dus dat is dé plek om ze te ontmoeten en begeleiden”, zegt Veenbaas. “De band die de hulpverleners met de leerlingen opbouwen, ondervangt ook het probleem dat de grote scholen te anoniem zijn. Docenten kunnen moeilijk een band opbouwen, voor de jeugdwerkers is dat juist hoofdzaak.” Meer binding is namelijk precies wat de leerlingen nodig hebben, zeker wanneer hun ouders hun niet de benodigde begeleiding en motivatie kunnen geven. Veenbaas verwacht dat de Deventer methode de komende tien, twintig jaar op veel meer plaatsen wordt ingevoerd.

Maar wat als u in Amsterdam woont, uw kind nú in groep acht zit en de dichtstbijzijnde vmbo-school een beruchte ‘zwarte school’ is? Emeritus-hoogleraar Onderwijspedagogiek Jan Terwel kan daar geen oplossing voor noemen. Hij roept de overheid wel op tot actie om een oplossing tot stand te brengen. “Investeer in deze gettoscholen! Zorg dat ze de beste gebouwen krijgen, nieuwe computers, goede naschoolse voorzieningen, kleinere klassen en goede docenten die extra betaald krijgen. Uiteindelijk zul je zien dat ook hoogopgeleide en witte ouders hun kinderen op zo’n magneetschool plaatsen.” Magneetscholen zijn volgens Terwel een pragmatische oplossing voor het fundamentelere probleem dat leerlingen aan de onderkant van ons schoolsysteem slechte resultaten behalen.

Door te investeren in ‘gettoscholen’ kun je witte, hoogopgeleide ouders stimuleren hun kinderen toch naar die school te sturen. Nieuwe computers en goedbetaalde docenten halen een school uit het slop.

Socioloog Veenbaas weet daar een oplossing voor: de terugkeer van de vakleerschool. Dat zou voorkomen dat kinderen ‘aan de onderkant’ niet kunnen meekomen, daardoor probleemgedrag gaan vertonen en mogelijk zonder diploma van school gaan. Terwel zou juist het liefst zien dat alle kinderen van vmbo tot vwo gezamenlijk onderwijs volgen tot ze een jaar of zestien zijn. “We hebben onderzoek gedaan naar manieren om heel verschillende kinderen binnen één school les te geven, en met succes. Niveauverschillen kun je binnen een klas opvangen door verschillen aan te brengen in opdrachten en toetsen, en door vakken vanaf een bepaalde leeftijd niet meer door alle kinderen samen te laten volgen.” De meerwaarde van het mixen is dat de leerlingen die nu op het vmbo zitten, er beter van presteren. “Hoe hoger de gemiddelde prestatie van een klas, hoe hoger de prestaties van een individu in die klas.”

Daarom begrijpt Terwel dat vooral hoogopgeleide, witte ouders in de huidige schoolstructuur alles op alles zetten om hun kind naar het gymnasium te krijgen: het niveau van de klas stuwt dan de prestatie van het kind op. “Maar de overheid zou voor het algemeen belang moeten opkomen en dus moeten kiezen voor vwo’ers tussen de vmbo’ers.” Om te voorkomen dat dit ten koste zou gaan van de prestaties van de beste leerlingen, moeten scholen voor hen speciale cursussen verzorgen.

Dubbele accubak

Helaas is de oplossing in de vorm van ‘alle leerlingen en alle niveaus in één school’ nog verder weg dan die van de magneetscholen, als de politiek dit gemengde onderwijs al ooit weer gaat overwegen. Toch is er hoop voor wie nog dit jaar een goede vmbo-school zoekt.

Het beeld dat we hebben van het vmbo is te eenzijdig: de meeste leerlingen met gedrags- of leerproblemen zitten immers ergens anders, en de docenten zijn hardwerkende professionals die vernieuwing hoog in het vaandel hebben staan.

Hoogleraar Onderwijskunde Monique Volman, die ook bij het Onderwijscentrum VU werkt, nuanceert het eenzijdige beeld van het vmbo. "Het wordt vaak gezien als één groot, dramatisch blok. Dat klopt niet: de meeste leerlingen met gedrags- of leerproblemen zitten in het ‘leerwegondersteunend onderwijs’ of op praktijkscholen, aparte onderdelen van het vmbo.

Deze praktijkscholen, niet te verwarren met de ambachtsschool van vroeger, zijn inderdaad vaak een gistbak van ingewikkeldheid. Maar ik ben op veel scholen geweest, heb lessen geobserveerd en zag in de andere onderdelen van het vmbo ook veel kinderen die plezier hadden in de lessen. Uit onderzoek is ook gebleken dat de meeste leerlingen tevreden zijn over hun school en de docenten."

Die docenten zijn volgens Volman meestal hardwerkende professionals: “Ze stellen er eer in te laten zien dat het iets uitmaakt wat je doet en dat je niet altijd hoeft te wachten op veranderende structuren. Ze komen zelf met vernieuwingen.” Steeds meer onderwijswetenschappers dragen aan die vernieuwing bij door kritisch met de docenten mee te denken, theoretische inzichten in te brengen, nieuwe aanpakken te beschrijven en hun effecten te evalueren. (Zie kader Stiekem wiskunde leren)

Stiekem wiskunde leren

Martijn van Schaik promoveert bij de afdeling Onderwijspedagogiek op onderzoek naar leren in ‘kennisrijke werkplaatsen’ op het vmbo. “Is het mogelijk wis- en natuurkunde te leren, terwijl je aan het lassen bent”, vraagt hij zich bijvoorbeeld af. Hij ontwikkelt praktijkopdrachten waarmee de scholieren ook theoretische kennis opdoen en test ze op verschillende vmbo-scholen. De leerlingen moeten zelf met de ‘klant’ communiceren en zijn verantwoordelijk voor het eindproduct.

Een van de opdrachten is het bouwen van een decor voor een kinderboekenfestival in de Bijlmer. Leerlingen en docenten werken er samen aan, en ondertussen leren de scholieren de stelling van Pythagoras. Ook liet hij drie leerlingen een tandemdriewieler ontwerpen voor kleuters: daarvoor moesten ze berekenen hoe je zorgt dat de twee kleuters even zwaar trappen. Van Schaik filmt de gebeurtenissen op de werkplaats met drie camera’s om te zien hoe het leren in zijn werk gaan. De meerwaarde van leren in de praktijk is dat meteen duidelijk is waarom de kennis belangrijk is; ook stijgt de motivatie om de theorie te gebruiken. Op de foto: Met drie camera’s legt Martijn van Schaik vast of en hoe leerlingen iets leren van zijn praktijkopdrachten.(Foto: Martijn van Schaik)

In delen van het vmbo is ‘het nieuwe leren’ populair. Volman richt zich liever op een ‘community of learners’, oftewel een leergemeenschap. Net als het nieuwe leren houdt dat in dat leren praktijkgerichter wordt – zodat leerlingen zien dat ze er iets aan hebben – maar wel met voldoende aandacht voor reflectie. Volman noemt een voorbeeld: “Twee jongens moesten een dubbele accubak gaan maken. Ze wilden meteen aan de slag, maar moesten eerst een offerte maken, dus inschatten wat ze nodig hadden, wat het zou gaan kosten en hoeveel tijd ze eraan zouden besteden. Met een nette brief erbij, waarbij taalvaardigheid aan bod komt. Ze hadden moeite met hun samenwerking, en na afloop moesten ze ook nog een verslag schrijven over die samenwerking. Daar hadden ze helemaal geen zin in, maar het is wel leerzaam.”

Dat laatste is belangrijk. Op sommige scholen hoeven leerlingen niets tegen hun zin te doen. Dat is verkeerd, vindt Volman. “Het is de bedoeling dat het onderwijs aansluit op de leerling, maar ook dat hij of zij wordt uitgedaagd.” Ze heeft een concreet advies voor ouders die op zoek zijn naar een goede vmbo-school: “Luister naar het verhaal van de school. Ik zou mijn kind nooit plaatsen op een school die zegt: ‘Het kind mag het hier zelf weten’, maar ook niet op een school die zegt: ‘Wij stomen het kind klaar voor het eindexamen, precies volgens de regels.’ Zoek een school die zegt: ‘Wij kijken wat de kinderen nodig hebben, zowel vanuit henzelf als vanuit de samenleving.’” Het blijft lastig om te herkennen wat nu echt het uitgangspunt van een school is, maar het juiste evenwicht tussen ambitie en zorg voor de leerlingen is waarop ouders volgens Volman moeten letten.

Let bij het kiezen van een vmbo-school op het uitgangspunt van de school. Wil de school vooral leerlingen niets tegen hun zin laten doen, of de scholieren alleen maar klaarstomen voor het examen, dan kun je beter nog wat verder kijken.

Passie voor hun vak

Bij het Onderwijscentrum VU, waar Volman sinds anderhalf jaar werkt, wil ze het vmbo hoger op de agenda zetten. “We verzorgen er de universitaire lerarenopleidingen, die eerstegraadsdocenten afleveren. Zij lopen soms wel stage op het vmbo, maar komen uiteindelijk toch in de bovenbouw van havo en vwo terecht. Terwijl ook vmbo’ers zulke docenten nodig hebben, met passie voor hun vak en met een analytische manier van denken. Die kan heel stimulerend zijn voor deze leerlingen, daarin zouden we moeten investeren.”

Terwel en Volman zijn het erover eens dat het principe van het vmbo niet goed is: je hebt leerlingen van een hoger niveau nodig om de prestaties van de vmbo’ers te verbeteren. Toch zien zij het vmbo als het meest vernieuwende onderdeel van het onderwijs: docenten doen hun uiterste best er iets van te maken en de leerlingen voor te bereiden op hun toekomst. Dat gebeurt niet overal op de juiste manier: soms krijgen de leerlingen te veel vrijheid, soms beperkt een school zich tot de exameneisen. Totdat er een fundamentele oplossing komt voor de problemen op het vmbo, komt het aan op onderscheidend vermogen van ouders om een goede, prettige school voor hun kinderen te vinden.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Gewoon Bijzonder.
© Gewoon Bijzonder, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 17 april 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.