Je leest:

Vitaal ge- onder de loep

Vitaal ge- onder de loep

Auteur: | 13 mei 2009

Het voorvoegsel ge- lijkt een vanzelfsprekend onderdeel van onze taal. Toch was het in de middeleeuwen aan het verdwijnen. Onder invloed van de zuidelijke schrijftaal herwon het voorvoegsel zijn plaats in het Nederlands. En volgens promovenda Zsófia Tálasi is het nu vitaler dan ooit.

Het is niet het eerste wat een Nederlander zou noemen als kenmerkend voor zijn moedertaal. Toch is het een bijna uniek element: het voorvoegsel ge-. De Hongaarse Zsófia Tálasi promoveert dinsdag 12 mei op de historische ontwikkeling ervan en de rol in het moderne Nederlands.

Zsófia Tálasi: ‘In het Nederlands was ge- in de middeleeuwen aan het verdwijnen, maar onder invloed van de zuidelijke schrijftaal uit Vlaanderen die een hoog prestige had, is dat proces van verdwijnen stopgezet en zelfs omgekeerd.’

Vitaler dan ooit

Volstrekt uniek voor het Nederlands is het voorvoegsel ge- niet, want in het Duits komt het ook voor. Maar in het Nederlands is het gebruik ervan wel veel uitgebreider. Hoe kan het dat dit element dat in bijna alle Germaanse talen is verdwenen, zo levend is gebleven in het Nederlands, vroeg Tálasi zich af. En niet alleen levend gebleven, maar zelfs vitaler dan ooit is geworden, zoals haar bleek.

Basisschool

Zsófia Tálasi (spreek uit: Sofia Talasji, in het Hongaars staat de ‘z’ voor een ‘s’ om aan te geven dat die scherp moet worden uitgesproken in plaats van als ‘sj’ zoals normaal) kreeg al vroeg interesse in taal, vertelt ze. Op de basisschool aanvankelijk voor het Hongaars en het Russisch, maar al snel verschoof dat naar Duits en Engels toen ze op de middelbare school onderwijs in die talen kreeg. Ze interesseerde zich steeds meer voor de Germaanse talen in het algemeen en daarom besloot ze tot de studies Deens en Nederlands. Na haar afstuderen koos ze nog in Budapest voor het voorvoegsel ge- als onderwerp voor haar promotieonderzoek. Uiteindelijk kwam ze voor de historische taalkunde naar Leiden om hier haar onderzoek te verrichten onder begeleiding van Marijke van der Wal, bijzonder hoogleraar geschiedenis van het Nederlands en Cor van Bree, emeritus-hoogleraar historische taalkunde en taalvariatie.

Accentverschuivingen

Het voorvoegsel ge- bestond al in het Oergermaans, de moedertaal van alle moderne Germaanse talen. ‘Het is uit de Scandinavische talen verdwenen, al voordat die voor het eerst geschreven werden’, vertelt Tálasi. Ook in het Engels komt het niet meer voor. Tálasi denkt dat de reden voor het verdwijnen gezocht moet worden in accentverschuivingen in de laatste fase van het Oergermaans. Maar dat verklaart uiteraard niet waarom het dan in het Nederlands bewaard gebleven is. ‘In het Nederlands was het in de middeleeuwen ook aan het verdwijnen’, zegt ze. ‘Maar onder invloed van de zuidelijke schrijftaal uit Vlaanderen die een hoog prestige had, is dat proces van verdwijnen stopgezet en zelfs omgekeerd.’ Het is een mooi voorbeeld van hoe standaardisatie in taal invloed kan uitoefenen op het proces van taalverandering dat doorgaans als onvermijdelijk gezien wordt.

Titelpagina van Etymologicum Teutonicae Linguae van Cornelis Kiliaan uit 1599. Een van de woordenboeken die Tálasi uitvoerig heeft onderzocht.

Productief

Beginnend in de middeleeuwen heeft het voorvoegsel ge- als onderdeel van het voltooid deelwoord een enorme ontwikkeling doorgemaakt tot het productieve grammaticale procedé dat het nu is. Productief in de taalkunde wil zeggen dat er steeds nieuwe vormen volgens hetzelfde principe gemaakt kunnen worden. Dit staat dan tegenover de versteende vormen die in het verleden ontstaan zijn volgens een principe dat nu niet meer geldt. En dat de vorming van het voltooid deelwoord met behulp van ge- productief is, blijkt wel uit het feit dat nieuwe werkwoorden zich moeiteloos naar dit procedé plooien. Een werkwoord als ‘computeren’ krijgt direct het voltooid deelwoord ‘gecomputerd’. Tálasi: ‘In tegenstelling tot het Duits waar de tegenhangers van bijvoorbeeld ‘gehanteerd’ en ‘gerenoveerd’, ‘hantiert’ en ‘renoviert’ zijn.’

Negatieve associatie

Tálasi heeft vooral naar de historische ontwikkeling van een ander patroon namelijk dat van het type ‘ge- + werkwoordstam’, gekeken. Daartoe behoren enerzijds woorden als ‘gebouw’ en ‘gebak’ en anderzijds ‘geblaf’ en ‘geloop’. Woorden als ‘gebouw’ of ‘gebak’ hebben een neutrale emotionele lading en geven een resultaat van een handeling weer – namelijk van ‘het bouwen’ en ‘het bakken’. Tegelijkertijd zijn er de woorden van het type ‘geblaf’ die een negatieve associatie hebben en die een voortduring van een handeling weergeven.’ Het eerste type is improductief, er worden geen nieuwe woorden meer gevormd volgens dit principe, maar het tweede type is springlevend en productiever dan ooit.

Herinterpretatie

Van ‘computeren’ wordt weer moeiteloos (dat) ‘gecomputer’ (van die kinderen) afgeleid. ‘En dit type afleiding beperkt zich zelfs niet meer tot alleen werkwoordstammen’, zegt Tálasi. ‘Ook voornaamwoorden en voegwoorden lenen zich voor het principe: ‘gejij’, ‘gemaar’, maar zelfs hele woordgroepen of zinnetjes kunnen als basis dienen: ‘ge-in-het-voordeel-van’ en ‘ge-ik kom iets later vandaag’ zijn vormen die zeker mogelijk zijn.’ Ze denkt dat de oorzaak voor de productiviteit van deze vormen te danken is aan het feit dat de associaties niet (meer) neutraal zijn. De negatieve associatie bestond al langer als een van de mogelijke associaties bij de afleiding met ge-, maar in de loop van de tijd is juist deze associatie opnieuw geïnterpreteerd als onderdeel van de betekenis van ge-. Dat gebeurde ook bij de associatie van de voortdurende handeling. Daardoor gingen deze ge-afleidingen zich onderscheiden van andere (neutrale) afleidingen die een handeling weergeven, zoals die op -ing (herdenking) of -atie (sollicitatie).

Titelpagina van Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake van Lambert ten Kate uit 1723. De hierin gevonden observaties en beschrijvingen spelen een belangrijke rol in Tálasi’s proefschrift.

Resultaat

Tálasi heeft langs drie lijnen van onderzoek gewerkt. Ze heeft voor de periode 1200 tot 1900 zowel grammatica’s als woordenboeken op observaties en beschrijvingen van het ‘geblaf’-patroon onderzocht. Ook heeft ze een digitaal tekstcorpus voor die eeuwen samengesteld en de voorbeelden die daarin voorkwamen uitvoerig geanalyseerd. Op grond van die drie heel verschillende bronnen kan ze nu overtuigend laten zien hoe deze ge-afleidingen zich in de geschiedenis van het Nederlands hebben ontwikkeld tot een nog altijd springlevend procedé.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 13 mei 2009

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.