Je leest:

Virtual reality in de sociale wetenschappen

Virtual reality in de sociale wetenschappen

Auteurs: en | 14 april 2007

Virtual reality wordt vaak geassocieerd met computerspelletjes. Door de unieke eigenschappen is het echter ook voor onderzoeksdoeleinden goed te gebruiken. Omdat virtual reality een driedimensionale ruimte creëert, is het nabootsen van elke gewenste situatie mogelijk. En proefpersonen kunnen zich bewegen zonder dat er gevaar ontstaat. Een uitkomst voor onderzoekers die sociale experimenten opzetten.

Bushalteproef

Eind 2005 is in Nijmegen het Radboud Immersive Virtual Environment Research (RIVER) lab in gebruik genomen. Het is een van de weinige laboratoria die speciaal is opgezet voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Daniël Wigboldus, hoogleraar sociale psychologie aan de Radboud Universiteit, gebruikt het lab voor onderzoek naar fobieën, zoals hoogtevrees en angst voor spinnen, en naar etnische vooroordelen – ook wel virtuele stereotypen genoemd. Wigboldus illustreert dit verschijnsel met de bushalteproef. ‘Stel dat u bij een bushalte staat, en er staat ook een jongeman met een Marokkaans uiterlijk. Hij vraagt u hoe laat het is. U kijkt op uw horloge, en moet naar hem toe bewegen om het hem te vertellen. De onderzoekers meten vervolgens hoeveel afstand de proefpersoon tot de geprojecteerde man houdt.’

Volgens Wigboldus wordt het gedrag van mensen bewust en onbewust beïnvloed door negatieve stereotypering van buitenlanders in de media. Veel mensen denken dat deze verslaggeving geen invloed heeft op hun eigen mening, maar met behulp van virtual reality kan de Nijmeegse hoogleraar het tegendeel aantonen.

Avatars

Het zou onethisch zijn om deze bushaltesituatie in het echt na te bootsen met acteurs. Bovendien is het erg lastig om personen te vinden die voldoen aan de benodigde uiterlijke kenmerken. Virtual reality maakt het mogelijk om avatars, ofwel projecties, te ontwerpen die de gewenste kleur haar, ogen of huid hebben.

Michael Kox maakt van deze nieuwe techniek gebruik bij zijn afstudeeronderzoek naar het effect van informatie op stereotypes, in het kader van de researchmaster psychologie aan de Radboud Universiteit. In zijn onderzoek krijgen de proefpersonen een foto te zien van een jongeman met een Nederlands of een Marokkaans uiterlijk: Peter of Fouad. Gelijktijdig wordt er informatie over de jongeman gegeven via een geluidsband, bijvoorbeeld: ‘Hij schaamt zich nergens voor, en heeft met niemand medelijden’.

Zo onderzoekt Kox of proefpersonen die een verhaal horen met minder menselijke emoties over de geprojecteerde persoon, vervolgens meer fysieke afstand tot hem houden. Wanneer mensen geen positieve emoties bij een ander herkennen, zullen ze eerder negatief of agressief gedrag vertonen naar deze persoon. Dit soort mechanismen komt bijvoorbeeld voor in het leger. Doordat een soldaat voortdurend met een beeld van de vijand als ‘anders’ en slecht wordt geconfronteerd, kan hij geweld moreel rechtvaardigen.

In het experiment van Michael Kox waarin het effect van informatie op stereotypes wordt onderzocht, wanen de proefpersonen zich in een metrostation. Hoe onmenselijker het beeld van de ander op het perron, hoe groter de fysieke afstand die proefpersonen vervolgens innemen. Foto: Thomas Sly

Trui

In het tweede experiment krijgt de proefpersoon de Head Mounted Display op zijn hoofd, waarmee hij de virtual reality kan zien. De proefpersoon waant zich in een metrostation en ziet borden met vertrekstaten en perrons. Ook hoort hij metro’s rijden. Wanneer de proefpersoon zich omdraait, verschijnt er een projectie van Peter of Fouad. De proefpersoon krijgt de opdracht om naar de man toe te lopen en goed te kijken naar het woord op de voorkant en het cijfer op de achterkant van zijn trui. Daarvoor moet hij om de man heen lopen en dicht bij hem komen.

In vergelijking met de controlegroep, die vooraf geen verhaal had gehoord over Peter of Fouad, blijkt dat de fysieke afstand tot de geprojecteerde man voor beide groepen groter wordt, wanneer de menselijke eigenschappen en emoties van Peter of Fouad op de geluidsband waren tegen gesproken. Dus hoe onmenselijker het beeld van de ander, hoe groter de fysieke afstand die proefpersonen vervolgens innemen. Het verschil is echter het grootst bij de Arabische projectie.

Maar, wat zeggen deze resultaten? Het lijkt alsof je bij dit soort experimenten moet oppassen voor het intrappen van open deuren. Het is ook nog niet duidelijk hoe het zit met de validiteit van virtuele experimenten, want we weten niet of mensen buiten het lab hetzelfde gedrag vertonen. Zoals alle nieuwe technieken leidt virtual reality niet alleen tot nieuwe mogelijkheden, maar ook tot nieuwe vragen.

Ellen Webbink is socioloog en promovendus kinderarbeid en scholing in ontwikkelingslanden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Sue-Yen Tjong Tjin Tai is hoofdredacteur van Facta.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Facta (Tijdschrift voor Maatschappijwetenschappen).
© Facta (Tijdschrift voor Maatschappijwetenschappen), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 14 april 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.