Je leest:

Vier vriezers vol tanden

Vier vriezers vol tanden

Prof.dr. Peter de Knijff staat aan het begin van een heel nieuw onderzoeksterrein: de archeo-epidemiologie. De afgelopen vier jaar zijn ruim 600 skeletten uit de periode 1200-1850 opgegraven in het centrum van Eindhoven. Binnenkort komen de tanden en kiezen daarvan in vier vriezers naar het laboratorium van De Knijff. Daar wordt het DNA van dat materiaal bestudeerd en vergeleken met dat van hedendaagse inwoners van Eindhoven. Centrale vraag: kwamen bepaalde genetische risicofactoren voor ziektes zoals diabetes en hart- en vaatziekten toen ook al voor?

Risicovol onderzoek

De Knijff: ‘Dit is waanzinnig spannend onderzoek. Het kan ook helemaal mislukken als er weinig uitkomt, maar het kan ook veel opleveren. Dit is echte wetenschap. Van bijna al het onderzoek dat ik heb gedaan, kon ik wel redelijk inschatten wat het zou opleveren, maar van dit onderzoek dus helemaal niet. Ik ben een groot voorstander van investeren in risicovol onderzoek zonder enige garantie.’

Ik ben een groot voorstander van investeren in risicovol onderzoek zonder enige garantie’.

Skeletten

De oudste skeletten zijn afkomstig van mensen die daar rond 1200 zijn begraven, de meest recente dateren van ca. 1850. De archeologen kunnen vrij precies vaststellen welk skelet uit welke periode komt. De Knijff en zijn medewerkers gaan in de komende vier jaar proberen genetische overeenkomsten en verschillen te vinden tussen mensen die daar begraven liggen en de mensen die nu in Eindhoven wonen.

Een onderkaak met tandmateriaal, opgegraven in het stadscentrum van Eindhoven.

Genetische risicofactoren

Bij de Erasmus Universiteit Rotterdam wordt momenteel onderzoek gedaan naar het voorkomen van genetische risicofactoren, onder andere voor diabetes, in het DNA van Eindhovenaren. Hun DNA gaat De Knijff vergelijken met het DNA van de skeletten. Hij wil uitzoeken of diezelfde genetische risciofacoren een paar honderd jaar geleden ook al voorkwamen bij de Eindhovense bevolking. En zo ja, met welke frequentie. En is er ook een ontwikkeling in de tijd tussen 1200 een 1850 waarneembaar?

DNA-vriendelijk graven

De Knijff: ‘Dit is totaal nieuw. We zijn de eerste in de wereld die over zo’n groot aantal goedbewaarde skeletten uit een lange periode kunnen beschikken. Eind juli is de opgraving afgerond. Het skeletmateriaal is dan helemaal steriel opgegraven en volledig DNA-vriendelijk veiliggesteld. Er is direct een tent overheen gegaan en de gravers hadden steriele pakken en handschoenen aan. Dat moet, anders raakt het DNA-materiaal van de skeletten besmet met modern materiaal en dat is natuurlijk funest voor het onderzoek. De opgegraving is ingemeten met GPS-coördinaten. Ieder gevonden bot wordt uiteindelijk ingetekend in een driedimensionaal computermodel.’

Verkokerde onderzoeksubsidiëring

Wie betaalt het onderzoek? ’We hebben er van minister Maria van der Hoeven een half miljoen voor gekregen. Zij vond het zeer innovatief en multidisciplinair en was het met ons eens dat het het risico waard was.

Achter de schermen is ook geprobeerd om langs meer reguliere kanalen fondsen te verwerven, maar steeds kregen we nul op het rekest. Het was te multidisciplinair en te risicovol. Dan kun je subsidies wel vergeten. Dit is symptomatisch voor de verkokering van de onderzoekssubsidiëring in Nederland. Het is dodelijk voor de creativiteit in het onderzoek.’

Tegen de stroom in

Er is geen enkele garantie dat de samenleving iets opschiet met dit onderzoeksproject; het is fundamenteel onderzoek. Maar zo begon De Knijff tien jaar geleden, samen met twee collega’s uit het voormalige Oost-Duitsland, ook aan zijn succesvolle onderzoek naar het ontwikkelen van DNA-kenmerken op het Y-chromosoom. Op dit moment gebruikt ieder forensisch laboratorium waar ook ter wereld de door hen ontwikkelde methode. De Knijff: ‘Daarmee zijn we toen erg tegen de stroom ingezwommen. Het is een schoolvoorbeeld van gewoon eigenwijs zijn en met eigen middelen doen waar je in gelooft. Want niemand van de collega’s en subsidieverstrekkers zag er toen enig heil in. Eigenwijsheid is een hele goede eigenschap voor een onderzoeker.’

Het grote chromosoom is een X-chromosoom, het kleine een Y-chromosoom. Alleen mannen hebben het Y-chromosoom in hun genen.

Y-chromosoom

Het Y-chromosoomonderzoek wordt in heel veel verkrachtingszaken gebruikt om mannelijke verdachten uit te sluiten. De Knijff legt uit: ‘De DNA-monsters die na een verkrachtingszaak worden veiliggesteld, bestaan natuurlijk voor het merendeel uit het vrouwelijk DNA. Er is meestal maar een héél klein beetje materiaal van de mannelijke dader. Dit kun je er met geen enkele andere DNA-methode dan de onze uitvissen. Althans niet bij de huidige stand van de wetenschap. Het Y-chromosoom is gewoon het enige wat er is. En dat heeft sinds 1998 al in heel veel verkrachtingszaken voor een belangrijke doorbraak gezorgd.’

Zie ook:

Het gaat áltijd om de interpretatie

Men vraagt De Knijff om advies in alle grote Nederlandse strafzaken waarbij DNA-bewijs een rol speelt. De Knijff: ‘Veel voorpaginanieuws is hier op het lab geweest. En bij dit soort zaken vind ik het essentieel dat je verder kijkt dan het technische rapport dat je over zo’n zaak schrijft. Dat je nadenkt over de vraag wat het rapporteren van een match tussen het DNA van een bepaalde verdachte en het DNA in het daderspoor nu eigenlijk betekent. Dan kun je wel gaan afwachten tot allerlei rechtsfilosofen en ethici die vraag gaan beantwoorden, maar je kunt het als geneticus ook zelf doen. En ik vind ook dat je dat moet doen. Het gaat áltijd om de interpretatie, en daar moet je heel rustig over nadenken.’

Onvoldoende afstand

Doet het Openbaar Ministerie dat wel genoeg, rustig nadenken over de interpretatie? De Knijff: ‘Niet echt. Het is voor het Openbaar Ministerie heel moeilijk om afstand te nemen van een zaak. Het zou gewoon een zuiver wetenschappelijk discussie moeten zijn, maar zo’n discussie wordt zelden voor een rechtbank gehouden, want dat snappen de mensen niet.’ Maar zó moeilijk is het toch niet om uit te leggen dat het bloed op de blouse van een slachtoffer wel afkomstig kan zijn van een bepaalde verdachte, maar dat daarmee nog niet bewezen is dat hij ook de dader is? Zo’n Ernest Louwes kan bij wijze van spreken wel in zijn vinger gesneden hebben, toch? De Knijff: ‘Klopt, maar de mensen binnen het justitieapparaat zijn natuurlijk ook belast met heel veel andere kennis, over de verdachte of over de omstandigheden. En zij zijn misschien niet altijd in staat om voldoende afstand te nemen van datgene wat hun visie vertroebelt.’

Cynisch over interpretatie DNA

Maar dan klopt er toch iets niet in de manier waarop onze rechtsstaat georganiseerd is? De Knijff: ‘Precies, en dat is dus een van de uitdagingen. Als een rechter merkt dat hij het niet goed doorgrondt, dan hoort hij door te vragen en deskundigen te raadplegen, net zo lang tot hij het wel snapt. Dat stadium bereik je in een Nederlandse rechtszaak misschien maar in één op de honderd zaken. Wagenaar is heel cynisch over verhoortechnieken. Ik ben net zo cynisch als het gaat om de interpretatie van DNA. Je hebt een heel andere inrichting van het rechtssysteem en een heel andere justitie nodig om dit probleem te ondervangen.’

Forensisch DNA-onderzoek:

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 21 juni 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.