Je leest:

Verzuiling is een mythe

Verzuiling is een mythe

Auteur: | 14 oktober 2011

Nederland is een bijzonder land: het is gebouwd op zuilen. Protestanten, katholieken, liberalen en socialisten leefden van elkaar afgezonderd in hun eigen levensbeschouwelijke wereld of zuil. Tenminste, zo wordt het vaak voorgesteld. Volgens een recent onderzoek heeft dit echter nooit zo bestaan. Historicus Peter van Dam betoogt dat de verzuiling niets minder is dan een mythe.

Verzuiling is een van de meest misbruikte termen uit het Nederlandse woordenboek. Zo duikt het woord de afgelopen tijd op in de discussie over het omroepbestel. Dat zou achterhaald zijn, omdat het een restant is van de verzuilde maatschappij.

Het huidige omroepbestel bouwt echter voort op de mediawetgeving uit de jaren zestig, het tijdperk waarin juist afgerekend zou zijn met verzuiling. Sinds 1930 hadden vier verenigingen AVRO, KRO, NCRV en VARA simpelweg ieder 20% van de zendtijd toebedeeld gekregen. Nieuwe mediawetgeving uit 1965 legde de basis voor het huidige bestel, waarin omroepverenigingen op basis van ledentallen zendtijd kregen.

Door deze wet traden bijvoorbeeld twee van de nu belangrijkste omroepverenigingen aan, de Tros en de Evangelische Omroep.

Wie het omroepbestel als verzuild aanduidt, gaat het vermoedelijk niet om een adequate analyse van de situatie, maar om polemiek. Verzuiling staat voor ‘ouderwets’; signaleert men nog ergens trekken van het verzuilde verleden, dan heeft men het gelijk aan zijn kant als men die wil aanpakken.

De verzuiling fungeert hier dus als breekijzer. Het is echter maar zeer de vraag of de verzuiling wel zo heeft bestaan als men op grond van dit soort argumenten moet aannemen.

Niet uniek

Volgens het gangbare verhaal was de Nederlandse samenleving sinds het einde van de 19de eeuw tot in de jaren zestig grofweg in vier zuilen op te delen: een katholieke, een protestantse, een socialistische en een algemene zuil, die soms als liberale zuil werd aangeduid.

Iedere ‘zuil’ had zijn eigen politieke partij, vakbond, krant en televisiezender.

Elke zuil was in feite een samenstelsel van kerk, politieke partij, vakbond, krant en vele andere verenigingen van dezelfde levensbeschouwelijke couleur. Binnen zulke zuilen leefden burgers stil en volgzaam, terwijl hun leiders op het hoogste niveau zakelijk met elkaar samenwerkten.

Deze samenwerking zorgde ervoor dat de verdeeldheid niet tot een probleem werd, maar ze hield die verdeeldheid op haar beurt ook in stand.

De term ‘zuilen’ roept het beeld op van een Griekse tempel, waarbij strikt van elkaar gescheiden bevolkingsgroepen, verticaal georganiseerd en ongeveer even breed en hoog, samen een dak dragen, dat de Nederlandse staat of overheid zou moeten symboliseren.

Overheidsambtenaren gebruikten de term zuil vanaf midden jaren dertig om organisaties van verschillende levensbeschouwelijke groepen aan te duiden en te stimuleren. In 1940 moedigde minister van Defensie Adriaan Dijxhoorn de sociaaldemocraten bijvoorbeeld aan zich als ‘vierde zuil’ naast katholieken, protestanten en neutralen in te zetten voor gemobiliseerde soldaten uit eigen kring, door voor hen vrijetijdsactiviteiten te organiseren.

Nederland was echter helemaal niet netjes in vier zuilen in te delen. De ‘zuilen’’ waren allerminst praktisch hetzelfde: de verschillende organisatorische netwerken leken niet op elkaar en de protestanten waren onderling zo sterk verdeeld dat je niet eens kunt spreken van een protestantse zuil.

Verkiezingen in verzuild Nederland

Liberalen en sociaaldemocraten (die vaak ook katholiek of protestants waren) verzetten zich zelfs actief tegen het bestaan van hechte netwerken op basis van levensbeschouwing. Verder vallen allerlei groepen helemaal buiten dit plaatje, zoals joodse, communistische en interkerkelijke organisaties.

Hiermee is niet beweerd dat hecht georganiseerde netwerken op basis van levensbeschouwing in de 20ste eeuw in Nederland geen rol hebben gespeeld. Dat deden ze wel, maar ze waren niet zo oppermachtig als algemeen wordt aangenomen.

Bovendien was hun bestaan geen uniek Nederlands verschijnsel, zoals historicus Ivo Schöffer wel beweerde toen hij verzuiling in 1956 in de Sociologische gids als een ‘specifiek Nederlands probleem’ aanduidde. Historicus Hans Righart beschreef in De katholieke zuil in Europa (1986) bijvoorbeeld de ontwikkeling van katholieke zuilen niet alleen in Nederland, maar ook in België, Zwitserland en Oostenrijk.

Duitsland had hij er gemakkelijk aan toe kunnen voegen. De Belgische socioloog Staf Hellemans heeft er eveneens herhaaldelijk op gewezen dat de manier van organiseren die in Nederland vanaf het einde van de 19de eeuw onder sommige bevolkingsgroepen te zien is, overal in Europa rond die tijd voorkwam.

Hotel Pays-Bas

Ook eerder hebben sociologen al aangetoond dat met het fenomeen verzuiling niet de hele Nederlandse samenleving te vatten was. Opvallend is daarbij echter hun dubbele agenda. Jakob Kruijt en Jacques van Doorn bijvoorbeeld analyseerden vanaf de jaren vijftig in vele publicaties de verzuiling in de hoop er zo snel mogelijk afscheid te kunnen nemen.

Zo vergeleek Van Doorn in een opstel uit 1956 verzuiling met een autoritair systeem. Kruijt had het in een artikel voor Socialisme & Democratie uit 1957 over ‘Hotel Pays-Bas, onder welks dak wij wel samenwonen, maar goed geïsoleerd in afzonderlijke kamers’.

Hij sloot hiermee aan bij een sentiment dat al voor de oorlog werd gehoord: dat de zuilen het Nederlandse volk onnodig verdeeld hielden. Na de oorlog was die analyse regelmatig te horen, bijvoorbeeld bij de eerste minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen Gerard van der Leeuw, die in 1945 schreef: ’Wij hebben van de “zuilen” meer dan genoeg.

Want die mooie zuilen schraagden nauwelijks meer een gezamenlijk dak. Het was een administratieve volkseenheid geworden en eerst de Mof heeft ons geleerd, dat wij een echt volk zijn.’

Stemmen met de oogkleppen op. Verschillende cartoonisten dreven de spot met de ‘verzuilde’ Nederlandse samenleving.

Het polemisch gebruik van de term verzuiling om de noodzaak van vernieuwing te benadrukken, stamt dus al uit deze tijd. Ook toen ging het er niet om een zo juist mogelijke beschrijving van de maatschappij te geven. Mensen die kritisch stonden tegenover netwerken van levensbeschouwelijke organisaties, tekenden een karikatuur van de situatie, om die vervolgens zo scherp mogelijk aan te kunnen vallen.

Voorstanders van zulke netwerken daarentegen pikten hun termen op om er hun eigen eenheid, hechtheid en standvastigheid mee te onderstrepen. Op die manier creëerden Nederlanders vanaf de jaren vijftig een vertekend beeld van hun eigen maatschappij. Voor beide groepen was het duidelijk dat er zuilen waren: voorstanders koesterden ze, critici wilden ervan af.

Pacificatiepolitiek

Met dit overtrokken beeld van de Nederlandse maatschappij en geschiedenis is het niet meer dan logisch dat ook van de ‘ontzuiling’, toen de wereld in de jaren zestig sterk leek te veranderen, een overdreven verwachting bestond. De tot op heden invloedrijkste studie op dit gebied, Arend Lijpharts Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek (1968), is hier een goed voorbeeld van.

In het eerste deel van zijn studie tekent Lijphart de contouren van de verzuilde maatschappij. Centraal staat zijn opvatting dat de in zuilen opgedeelde samenleving bijeen werd gehouden door een specifieke strategie van de politieke elites van die zuilen.

Deze ‘pacificatiepolitiek’ zou in 1917 voor het eerst in de praktijk zijn gebracht, toen na behendig onderhandelen aan de top grondwetswijzigingen de schoolstrijd en de kiesrechtkwestie bezegelden. Dat werd mogelijk door zakelijke samenwerking tussen de elites, die bouwde op pragmatische verdraagzaamheid, geheimhouding van wat besproken werd en een behendig spel van geven en nemen. Vervolgens zouden de elites deze strategie steeds weer als blauwdruk gehanteerd hebben om problemen op te lossen.

De zuilenelites hadden volgens Lijphart op de koop toe genomen dat hun achterban in dit stelsel zo passief mogelijk moest blijven. Terwijl hij zijn boek schreef, meende hij echter een kentering in die situatie te bespeuren. De burgers werden minder volgzaam, politieke conflicten steeds minder makkelijk opgelost. De elites konden niet meer vanzelfsprekend rekenen op kiezers uit eigen kring. De verzuilde orde begon af te brokkelen.

In het spoor van Lijphart constateerden ook andere wetenschappers in de jaren zeventig politisering in de Nederlandse politiek, een afnemend belang van religie door secularisering en een afnemende betekenis van de vroeg zo hechte gemeenschappen als gevolg van individualisering. Zij luidden eind jaren zestig het tijdperk van de ontzuiling in.

Van deze ontzuiling maakten politici, publicisten en wetenschappers zich echter net zo’n overdreven voorstelling als ze voorheen van de verzuiling hadden gefabriceerd. Zij verwachtten een radicale breuk met het verleden zoals zij dat zagen: een samenleving gekenmerkt door verschillende strikt gescheiden groepen, gefundeerd op gehoorzaam stemvee dat loyaal de belangrijke beslissingen aan de hoge heren overliet en zich niet met andersdenkenden bemoeide. Een overzichtelijke, veilige samenleving.

Maar er kwam geen volstrekte en plotselinge algehele ommekeer. Individualisering, secularisering en politisering traden wel op, maar veroorzaakten slechts geleidelijke verschuivingen. Gemeenschappen vielen niet helemaal uiteen, maar werden slechts minder hecht. De keuze voor een politieke partij of een omroep werd minder voorspelbaar, maar toch ook zeker niet willekeurig. Religie verdween niet uit de samenleving, maar ging wel een minder prominente rol spelen in het publieke leven.

Evenmin was het gedaan met de zakelijke politiek. Sterker, in 1984 observeerde Hans Daalder tijdens een college een bekend patroon in het toenmalige Nederland: ‘Het is alsof een aantal van de oude spelregels die Lijphart ooit voor de Nederlandse politiek meende te onderscheiden, terug zijn gekomen, al is het in een ander jasje.’

Verleidelijk

Verzuiling is eigenlijk een mythe, een gangbaar verhaal over onze maatschappij waar we vraagtekens bij zouden moeten plaatsen. Historici doen dat al sinds de jaren tachtig. Ze trokken niet alleen het unieke Nederlandse karakter ervan in twijfel, maar zijn veelal sceptisch geworden over het nut van dit concept om de vroegere maatschappelijke ordening mee te beschrijven.

Dit gebeurde onder andere na een groots opgezet onderzoek in de jaren negentig naar verzuiling op lokaal niveau aan de Universiteit van Amsterdam onder leiding van Hans Blom en Piet de Rooy. Waar Blom voorzichtig waarschuwde dat een zinvolle discussie alleen nog maar kan plaatsvinden wanneer ieder steeds weer opnieuw verduidelijkt wat hij precies met verzuiling bedoelde, wilde De Rooy de term zelfs het liefst helemaal afschaffen.

Dit heeft mensen buiten deze kring van ingewijde experts er echter niet van weerhouden de afgelopen dertig jaar gretig te spreken over verzuiling en ontzuiling om het heden te duiden. Het gevoel voor de complexiteit van de verzuilde samenleving ging daarbij grotendeels verloren. ‘Ontzuiling’ is een nog legere huls.

De term suggereert dat er afscheid van het verzuilde verleden is genomen. Met behulp van ontzuiling maken we duidelijk hoe de maatschappij in onze ogen niet zou moeten zijn, maar niet hoe ze er dan wel uitziet of zou moeten zien.

Door dit samenspel van karikatuur en vaagheid vertroebelt de verzuilingsmythe het publieke debat. Dat er, bijvoorbeeld in het debat over de publieke omroep, toch steeds op wordt teruggegrepen, heeft in de eerste plaats te maken met de behoefte aan een stok om de hond te slaan: wie iets als verzuild bestempelt, maakt het achterhaald en mag het aanvallen.

In de tweede plaats kunnen we het verleidelijk simpele plaatje van de zuilen en het dak moeilijk weerstaan, omdat we het verleden graag overzichtelijk en harmonieus presenteren. Ten derde is de verzuilingsmythe nauw verweven geraakt met beschrijvingen van wat Nederland uniek zou maken.

Ten slotte zijn er nauwelijks beschrijvingen van de Nederlandse geschiedenis in andere termen te vinden. Gelet op de nadelige invloed van de verzuilingsmythe is het hoog tijd dat daar verandering in komt.

Peter van Dam is historicus en is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Onlangs publiceerde hij Staat van verzuiling. Over een Nederlandse mythe (Amsterdam 2011) Wereldbibliotheek, 156 blz., € 15,90.

Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 14 oktober 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.