Je leest:

Vervreemding en natte zusters, het falende islamdebat

Vervreemding en natte zusters, het falende islamdebat

Auteur: | 12 september 2006

‘Fundamentalisme’ en ‘terrorisme’ worden vaak genoemd als gevaren inherent aan de islam. Hoewel veel moslims het gevoel hebben dat zij in Nederland niet welkom zijn, komt puriteins islamistisch denken echter nauwelijks voor.

Activisme van moslims wordt ook wel ‘islamisme’ genoemd. Er kunnen allerlei vormen van islamisme worden onderscheiden. Zo zijn er in het buitenland islamitische politieke partijen die qua ideologische grondslag en activiteiten vergelijkbaar zijn met de gevestigde christelijke partijen in Nederland: religieus betrokken, strevend naar politieke macht binnen de wetten van de natiestaat, met sociaal-economische participatie vaak hoog op de agenda. Het leek er lang op dat de Arabisch Europese Liga (AEL) de eerste politiek islamistische partij (Moslim Democratische Partij) in Nederland zou leveren. Maar Dyab Abou Jahjah c.s. trok-ken zich medio november 2005 terug, omdat ze verwachtten dat ze te weinig electorale steun zouden krijgen. Wel komen er, in relatief zéér geringe mate, twee andere vormen van islamisme in Nederland voor: salafisme en jihadisme.

Salafistisch

Salafisten leggen zich niet primair toe op politieke participatie, maar op de islamitische bekeringsmissie ( al-dawa) die traditioneel in moskeeën door imams en islamitische geleerden wordt uitgevoerd. In Nederland bestaat een klein aantal moskeeën met een salafistisch karakter. Het is niet precies vastgesteld hoeveel moslims deze salafistische moskeeën regelmatig bezoeken, maar het gaat waarschijnlijk om een groep van enkele honderden. Daarbij zij opgemerkt dat moskeeën niet de enige bron van salafisme zijn. Het internet lijkt in Nederland een belangrijkere rol te spelen in de verbreiding van salafistische ideeën.

Het salafisme bestaat uit back to basics-principes, refererend aan de tijd van de profeet Mohammed (zesde en zevende eeuw na Christus). Deze principes zijn gebaseerd op een letterlijke interpretatie van de koran en overlevering en het geloof in de ‘eenheid Gods’ ( tawhid). Tawhid staat op gespannen voet met (Westerse) moderniteit, zoals menselijk gemaakte wetten. Dit wordt shirk genoemd, een ander gelijkstellen aan Allah in zaken die slechts Hem toebehoren. Wie zich door shirk laat leiden, wordt als een ‘ongelovige’ ( kafir) beschouwd. Zo speelt excommunicatie ( al-takfir) ook een belangrijke rol in de salafistische ideologie.

In het licht van deze opvattingen zijn de enkele gepeperde statements te begrijpen waarover Nederland de afgelopen jaren is gevallen. Bekend is De weg van de moslim, een boekje dat verspreid werd in de salafistische moskee El-Tawheed (Amsterdam) met een wel heel expliciete instructie voor omgang met homoseksuelen: uit het raam van het hoogste gebouw in de stad gooien, en wel met het hoofd naar beneden. Naast uitspraken over ‘de goede zeden’, hebben uitspraken en preken soms betrekking op actuele politiek. Een mooi voorbeeld volgt uit ‘De Keuze voor Verlies’ (11 november 2005) van sjeik Fawaz Jneid van As-Soennah (Den Haag), een andere bekende moskee met een salafistische grondslag: ‘[Wat] ons werkelijk verbaast is de manier waarop Hirsi Ali gebruik weet te maken van […] ongenuanceerde en van hondsdolheid getuigende uitspraken om ons lessen in democratie, vrijheid van meningsuiting en wederzijds respect te komen geven. […] Hirsi Ali is […] een moeilijke en doodlopende weg ingeslagen. […] Binnenkort, als zij door de wind van “veranderende tijden” buiten de muren van de Tweede Kamer wordt weggeblazen en zij zichzelf ziet wegzinken in de poel der vergetelheid, zal zij pas haar echte waarde ontdekken.’

‘Leeuwen’

Bovenstaande statements getuigen overduidelijk van een sterke vijandigheid richting homoseksuelen en Hirsi Ali. Debet aan zulke vijandigheid is zonder meer het fundamentalistische en isolationistische karakter van de salafistische ideologie. Dat maakt de salafistische mindset problematisch. Wat de salafistische leer níet doet, is geweld prediken. Wat heet: salafisme keurt gewelddadig jihadisme ondubbelzinnig af. Het potentiële probleem van salafisme lijkt zodoende te liggen op het gebied van ‘integratie’, niet op het gebied van ‘terrorisme’. Toch gaat er wel een indirect geweldsgevaar uit van salafisme. Isolatonistisch en anti-Westers denken kan immers als voedingsbodem dienen voor het ontstaan van militante vormen van islamisme: jihadisme. Jihadistische islamisten zien zichzelf als de soldaten ( al-mujahideen) van de wereldwijde moslimgemeenschap. Hun gewapende strijd ( al-jihad) richt zich ideologisch tegen wat zij zien als ‘de vijanden van de islam’, zoals Westerse landen en regimes in het Midden-Oosten.

Het logo van de Leeuwen van Tawheed.

Het is moeilijk te zeggen hoe jihadisme zich heeft gemanifesteerd in Nederland. Een adequate analyse gaat immers uit van de feiten, maar er zijn nauwelijks feiten voorhanden. Dat heeft niet alleen te maken met het ondergrondse karakter van jihadistische activiteiten, maar vooral met het feit dat zich nog maar één geval van actief jihadisme heeft voorgedaan: de moord op Van Gogh. Daarnaast ging er een mogelijk gevaar uit van enkele anderen die in verband werden gebracht met Mohammed B. Justitie duidde allen aan met de verzamelnaam ‘Hofstadgroep’. Enkelen van hen noemden zichzelf ‘Polder Mujahideen’ of ‘Leeuwen van Tawheed’.

De feiten die over hen bekend zijn, vormen de enige bron tot kennis over jihadisme in Nederland. De AIVD noemt weliswaar het mysterieuze totaal aantal terroristen van ‘enkele honderden’, maar buiten (en wellicht ook binnen) Justitie weet niemand daar veel vanaf. Het aantal is bovendien niet gebaseerd op een telling, maar vloeit voort uit een educated guess van de geheime dienst. De schatting betreft tenslotte niet zozeer clear and present dangers, maar veeleer mógelijke gevaren. Geen gevaar mag worden gebagatelliseerd, maar overschatting van de verbreiding van jihadisme in Nederland ligt dus nadrukkelijk op de loer.

Wat is er van de feiten wèl bekend? Van Mohammed B. weten we dat hij zijn eigen ideologie bijeen heeft ‘geknipt en geplakt’. Via het internet ontwikkelde Mohammed B. interesse voor een allegaartje van islamistische denkers. Hij vertaalde allerlei teksten uit het Engels naar het Nederlands. Hij verspreidde deze onder de andere Leeuwen om ze te onderwijzen over wat hij en Hirsi Ali ‘de ware islam’ noemen. Ook schreef hij verschillende open brieven. Naast de brief aan Hirsi Ali die Mohammed B. op het lichaam van Van Gogh stak, richtte hij zich onder meer tot ‘de seculiere moslim (= kafir)’ Ahmed Aboutaleb, ‘het Nederlandse volk’, ‘de islamitische jeugd’ en ‘die smerige poot Wilders’.

Hilarisch

De ideologie die Mohammed B. uiteindelijk ontwikkelde baseerde hij primair op de eerdergenoemde notie van tawhid. Mohammed B.‘s kritiek is allesomvattend. Zo neemt hij door takfir afstand van vrijwel alle moslims in Nederland, ook de salafisten. Naar aanleiding van de aanhoudende kritiek op moskeeën in Nederland, schreef hij aan minister Remkes: ’Dat de moskeeën ook oproepen tot de jihad is een grove leugen! Waarom? Omdat deze moskeeën de islam hebben verkocht en de waarheid achter hun ruggen hebben verborgen.’ […] ‘Zich terugtrekken van de ongelovigen betekent: hen haten, hen vijandschap tonen […] en hen bestrijden. Als daarentegen een persoon […] trouw is aan de verplichtingen […] en de mensen oproept tot het goede en het slechte verbiedt, […] maar hij voelt geen haat tegen de vijanden van de islam, dan is hij ongelovig geworden.’

Mohammed B. wist dat het gebruik van fysiek geweld buiten het ‘huis van de islam’ ( dar al-islam: een geografisch gebied dat gecontroleerd wordt door moslims en waar de sharia wordt toegepast) niet toegestaan wordt door de heersende sharia-interpretaties. Vanaf maart 2004 zocht Mohammed B. dan ook naar ideologische rechtvaardiging om toch geweld toe te kunnen passen. De geweldsrechtvaardiging die Mohammed B. uiteindelijk ontwikkelde, lijkt in essentie erg op die van al-Qaida: ‘Het volk kiest haar regering en haar regering voert oorlog tegen de islam; daarom hebben we het recht om het volk aan te vallen.’

Hoewel zulke teksten onheilspellend klinken, is het inmiddels duidelijk dat de Leeuwen hooguit een stel amateurterroristen waren. Zo was het ideologisch raamwerk dat Mohammed B. in elkaar flanste nogal hapsnap en waren de andere Leeuwen ook niet bepaald erudiet. Hilarisch is hoe Mohammed B. in één van zijn documenten het Engelse woord ‘wet nurse’ (vroedvrouw) letterlijk naar het Nederlands vertaalde in ‘natte zuster’. Daarnaast stelde de groep organisatorisch en facilitair niet veel voor. Niemand had bijvoorbeeld serieuze organisatorische of financiële connecties met het Afghaanse centrum van al-Qaida, voor zover dat bestaat. Hoewel Mohammed B. en ‘de Syriër’ een leidende rol hadden, was er geen duidelijke hiërarchie binnen de groep. De Leeuwen hadden wel de beschikking over een aantal wapens: Noureddin El F. werd bijvoorbeeld gearresteerd met een doorgeladen machinepistool bij zich en Jason W. gooide een handgranaat naar het arrestatieteam dat op bezoek kwam in het Laakkwartier in Den Haag. Veel meer wapentuig was echter niet voorhanden.

Identiteit

Nu rijst de vraag waarom moslims zich aangetrokken kunnen voelen tot salafisme of jihadisme. Een moeilijke vraag, onder meer omdat de profielen binnen beide groepen uiteenlopen (er zijn bijvoorbeeld verschillen in opleidingsniveau, etniciteit en leeftijd) en omdat er 101 manieren zijn waarop iemand kan radicaliseren. Het is echter mogelijk om de meest typische radicaliseringstendensen in kaart te brengen door de ontwikkeling van sociaal identiteitsbesef van jonge moslims te volgen en problematische factoren daarin te traceren. In algemene zin gaat het daarbij om invloeden op hoe personen zichzelf en de wereld zien: Wie ben ik? Waar hoor ik bij? en Hoe moet ik mij dientengevolge gedragen?

In de problematische ontwikkeling van sociaal identiteitsbesef van jonge moslims en de radicaliseringsprocessen die daarmee kunnen samenhangen, speelt vervreemding een essentiële rol. Als we ons concentreren op binnenlandse ontwikkelingen, dan moeten we constateren dat vervreemding en andere negatieve factoren het hevigst worden ervaren onder tweede generatie Marokkanen. Hoewel ‘de terroristische dreiging’ ook van buitenlandse jihadisten of van niet-Marokkanen kan uitgaan, is het daarom nuttig om in te gaan op de omstandigheden binnen deze groep.

De vervreemding binnen deze groep voltrekt zich vaak ten opzichte van de ‘eigen’ (Marokkaanse) cultuur en/of religiositeit. Daaraan ligt een veelheid aan factoren ten grondslag: tweede generatie Marokkanen zullen aanvankelijk weinig affiniteit met Marokko hebben, omdat ze in Nederland zijn geboren en getogen; in Marokko worden de Amazigh (vaak ‘Berbers’ genoemd, het merendeel van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland) nog altijd gediscrimineerd; en in moskeeën worden geen aantrekkelijke activiteiten voor de jeugd georganiseerd. Evenmin als thuis worden er onderwerpen behandeld die jonge moslims aanspreken.

Zielzoekend

Het merendeel van de jonge Marokkanen voelt zich echter evenmin echt geaccepteerd in Nederland. Ondanks de bovengenoemde vervreemding van Marokko en wat daarbij komt kijken, blijven zij zich toch ‘moslim’ en ‘Marokkaan’ voelen. Dat identiteitsbesef wordt bijna nooit zomaar losgelaten, ook al omdat zij daartoe worden ‘veroordeeld’: u hoort niet bij ‘ons’, u hoort bij de ‘kutmarokkanen’ of bij ‘de vijfde colonne van geitenneukers’.

Discriminatie is, inderdaad, een belangrijke oorzaak van het gevoel er niet bij te horen. Op de arbeidsmarkt en in publieke aangelegenheden worden Nederlandse Marokkanen en andere moslims geweerd of anders behandeld. Ook het politieke klimaat is uiterst vijandig. Neem Rita Verdonk. In naam is zij de baas van het integratiebeleid, in de praktijk wordt zij door vermoedelijk bijna álle moslims in het land gezien als de minister van uitzetting en anti-islambeleid. Een derde en aanverwante oorzaak waar een vervreemdende werking van uitgaat is het publieke islamdebat. Dol als ‘we’ zijn op debat, is inmiddels vrijwel elk facet van ‘de islam’, als religie, ‘cultuur’ of ‘beschaving’, wel geproblematiseerd.

Als gevolg van de vervreemding van zowel autochtoon Nederland als van de Marokkaanse identiteit, ontstaat een zekere mate van ‘zielzoekend gedrag’. In elk geval bepaalt de afstand tot, zoniet vijandschap tegenover, datgene waarvan men vervreemd is in belangrijke mate iemands zelf- en wereldbeeld. Op deze manier kan het redelijk wijdverbreide idee dat autochtone Nederlanders moslims haten uiteindelijk sterk overdreven vormen aannemen in de perceptie van jonge moslims.

Waar zielzoekerij uiteindelijk in uitmondt, hangt in sterke mate af van de referentiekaders voor ideeën en gedrag die van directe invloed zijn op een persoon. Zo kunnen percepties islamistisch worden. Een persoon die het internet opgaat of eens een salafistische moskee bezoekt, komt in aanraking met salafistische ideeën. Zodoende kan iemand ook in contact treden met jihadistische ideeën en – mits genoeg getraumatiseerd – zich er ook naar gaan gedragen.

Gebrek

Er zijn heel wat andere problemen die een rol kunnen spelen in radicaliseringstendensen: geen werk, laag inkomen, slechte opleiding, somber toekomstperspectief, sociale isolatie, en slechte vertegenwoordiging in politiek en media. Vervreemdingsprocessen vormen echter wel de spil van radicaliseringstendensen in Nederland. In het licht van vervreemdingsproblemen kan vaak de mogelijk radicaliserende rol van andere problemen worden begrepen. Het vervreemdingsprobleem is fundamenteel: zonder vervreemding vàn Nederland geen radicalisme tègen Nederland.

De ervaringen van jonge moslims steken zo bezien schril af tegen het simplistische geluid van Hirsi Ali en consorten, namelijk dat ‘de islam’ een bedreiging vormt voor ‘het Westen’. De aanhangers van deze gedachtegang wijzen op wereldwijd voorkomende ‘moslimterreur’, gooien dat op één hoop met andere bestaande of gegeneraliseerde problemen binnen moslimgemeenschappen (bijvoorbeeld de positie van de vrouw of ‘hinderlijk’ gedrag van jonge moslims in de grote steden), en brengen dit alles vervolgens onder de noemer van ‘de islam’, de bron van het Slechte. Meer dan dat behelst de Hirsi Aliaanse analyse eigenlijk niet. Gehuld in grote verhalen en generalisaties (‘de verlichting’, ‘de democratie’, ‘de beschaving’, ‘het Westen’, ‘de islam’, enzovoorts), worden man en paard nooit benoemd in het verlichtingsdiscours. Geobsedeerd als dit discours is door cultuur en vooral religie negeert het politieke, sociale en economische factoren. Waarom een persoon, groep of nog andere entiteit in een bepaalde situatie iets voelt, denkt, doet of ambieert, blijft daarom buiten beeld en onbegrepen.

Zo is er weinig oog voor de essenties van radicaliseringsprocessen in Nederland, namelijk dat het niet zozeer een teveel aan ‘de andere cultuur en religie’ is dat radicaliseringsproblemen in de basis verklaart, maar juist een gebrek daaraan; dat zo’n identiteitscrisis via zielzoekend gedrag kan leiden tot een situatie waarin ‘het moslim zijn’ weer een centrale rol inneemt in iemands zelf- en wereldbeeld; en, misschien wel het meest tragische van de nieuwe islamofobe tendensen, dat deze born-agains zich sterk kunnen afzetten tegen autochtoon Nederland, juist wegens het moslimonvriendelijke politieke en maatschappelijke klimaat.

Dit artikel is een publicatie van ZemZem.
© ZemZem, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 12 september 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.