Je leest:

Vervlakt de intonatie?

Vervlakt de intonatie?

Auteur: | 11 mei 2007
Ouderen kunnen jongeren vaak maar moeilijk verstaan. Ze praten te snel, te slordig en vooral te monotoon, zo luidt de klacht. Zou dat wijzen op een verandering? Wordt de Nederlandse zinsmelodie inderdaad steeds vlakker? Twee onderzoeken bieden meer duidelijkheid.

Ik heb twee zoons in de adolescente leeftijdsgroep, zo tussen de 16 en de 20. Toen ik ze nog dagelijks om me heen had (ze zijn inmiddels technisch gesproken volwassen en het huis uit), mocht ik graag luistervinken als ze in gesprek waren met hun vrienden. Dan viel op dat alle jongens, niet alleen de mijne, snel spraken, met weinig stemverheffing, en vooral met weinig melodie. Het leek wel of ze het erom deden. Een Amerikaanse collega, die elk jaar een paar weken bij mij logeert om zijn Nederlands bij te houden, gaf ongevraagd toe dat hij in het algemeen weinig moeite heeft om Nederlanders te verstaan, behalve dan mijn zoons en hun vrienden.

Een paar jaar eerder was ik in een onderzoek beoordelaar van de uitspraak van 120 Nederlanders, in leeftijd variërend van puber tot bejaarde. Mij viel op dat de bejaarden zo veel prettiger waren om naar te luisteren. Niet alleen spraken ze langzamer dan de jongeren, maar vooral maakten ze veel beter gebruik van de mogelijkheden die onze taal biedt om de boodschap met behulp van het stemgebruik te structureren.

Gesproken interpunctie

Een goede spreker maakt onderscheid tussen belangrijke en onbelangrijke woorden. Belangrijke woorden worden langzamer, zorgvuldig, met enige stemverheffing en met een toonstijging of -daling uitgesproken. Onbelangrijke worden gaan sneller, slordiger, zijn minder luid en de melodie blijft vlak. Een goede spreker brengt in zijn stemgebruik een zeker reliëf aan, dat parallel loopt met de informatiewaarde van de woorden en zinsdelen in de tekst.

Een gesproken zin is dus meer dan de som van de opeenvolgende klinkers en medeklinkers. Zinnen hebben ook een melodie, een accentpatroon en een ‘gesproken interpunctie’ – dit laatste gaat met behulp van korte pauzes, en versnellingen en vertragingen van lettergrepen. Taalkundigen noemen al die eigenschappen die niet direct terug te voeren zijn op de individuele eigenschappen van de klinkers en medeklinkers, de ‘prosodie’ – Grieks voor ‘muzikale begeleiding’ ( pros is ‘bij’, oidè ‘zang’; ‘bij de zang’ is dan ‘begeleiding’). Prosodie is nauwelijks zichtbaar in gedrukte tekst, want klemtonen en accenten schrijven we niet. Er zijn veel verschillende manieren om een zin vragend te laten klinken, maar we hebben maar één vraagteken.

Als we de prosodie, en dan vooral de zinsmelodie, van het Nederlands vergelijken met die van de Germaanse talen om ons heen, met name het Engels en het Duits, dan valt op dat het Nederlands veel minder reliëf vertoont. Dat is goed te zien in figuur 1a. Daarin staat een Engelse zin met daarboven zijn melodie getekend. Vergeleken met het Nederlands heeft het Engels met zijn drie toonniveaus een veel groter verschil tussen hoog en laag (een heel octaaf, oftewel twaalf semitonen) en kent het veel meer mogelijkheden tot toonwisseling.

Een vergelijkbare Nederlandse zin staat in figuur 1b. De Nederlandse melodie gebruikt maar twee toonniveaus: laag en hoog. Bovendien is het verschil tussen de lage en de hoge toon maar een half octaaf (zes semitonen). Als we de Nederlandse melodie zouden maken op de Engelse zin, dan zou die zin in Engelse oren ongeïnteresseerd klinken. Als we de Engelse melodie overzetten op de Nederlandse zin, dan wekt die onze lachlust op: die melodie klinkt overdreven, enerverend, en wordt geassocieerd met de manier van praten uit de homoscene.

Figuur 1. Melodie van een Engelse (a) en een Nederlandse (b) zin. Geaccentueerde lettergrepen zijn vet gedrukt.

Geluidsopnamen

Het Nederlands, Duits en Engels komen voort uit een gezamenlijke vooroudertaai. Stel dat de Nederlandse zinsmelodie in vroeger eeuwen net zo levendig en gevarieerd was als die van het Engels en het Duits, zijn wij dan ondertussen bezig onze melodie steeds vlakker te maken? Wanneer die vervlakking dan begonnen zou zijn, is niet vast te stellen, en waarom we vervlakken nog minder. Niettemin is er weleens een verband gesuggereerd tussen de manier van spreken van een volk en de natuurlijke gesteldheid van het terrein waarin het volk woont.

Zo meende de Nijmeegse taalkundige Van Ginneken voor de Tweede Wereldoorlog dat de Zeeuwen hun klinkers met gesloten mond hadden leren uitspreken om zo minder last te hebben van de zuidwesterstormen die in Zeeland huishouden. Hoewel deze ideeën geen genade vinden in de ogen van serieuze taalkundigen, is er een boeiende parallel tussen de vlakheid van het Hollandse landschap tegenover de meer bergachtige gesteldheid van Engeland en Duitsland enerzijds, en de vlakke zinsmelodie van het Nederlands tegenover het levendiger klinkende Engels en Duits anderzijds.

Maar het is zelfs al een hele toer om vast te stellen of er überhaupt sprake is van vervlakking. In het ideale geval onderzoeken we dan het spreekgedrag van een groep Nederlanders vroeger en vergelijken we hun manier van spreken met die van eenzelfde groep Nederlanders van nu. We zoeken dan twee groepen Nederlanders die in alle opzichten vergelijkbaar zijn (zelfde geslacht, zelfde leeftijd, zelfde sociaal- economische klasse en opleidingsniveau, zelfde spraakgenre, etc). Het enige verschil moet zitten in het tijdstip van de geluidsopname.

Honderd jaar tijdsverschil zou natuurlijk prachtig zijn, maar een verschil van één hele generatie (zo’n dertig jaar) vinden onderzoekers ook al voldoende. Het probleem is alleen dat er zelfs geen vergelijkbare geluidsopnamen zijn van een groep Nederlanders van nu en van dertig jaar geleden.

Twee generaties

Maar er is wel ander materiaal dat misschien bruikbaar is. Het gaat om systematische verzamelingen spraakmateriaal van goed gedefinieerde groepen sprekers die allen vergelijkbare stukken spraak produceerden. De oudste van deze verzamelingen stammen uit 1980, of soms zelfs iets eerder. Over een jaar of zeven zouden we nog eens zo’n verzameling kunnen aanleggen, en dan kunnen we de gewenste trendstudie naar taalverandering uitvoeren. Helaas is het daar nu nog te vroeg voor.

Wat ongeduldige taalkundigen bij gebrek aan beter nu al kunnen doen, is een vergelijking maken ‘in schijnbare tijd’. Dat wil zeggen dat we op één punt in de tijd, bijvoorbeeld in 1980, spraakmateriaal nemen van een groep jonge sprekers en van een in alle andere opzichten daaraan gelijke groep sprekers, die minstens één generatie ouder is. De jonge generatie belichaamt dan het Nederlands van de toekomst (waarbij we dan aannemen dat hun spreekstijl niet meer verandert), de oude generatie het Nederlands van nu. Aan de hand van zo’n generatievergelijking op één tijdstip voorspellen taalkundigen graag de toekomst. Ik heb dat laatst ook eens gedaan om te zien of er kans is dat de Nederlandse zinsmelodie inderdaad (verder) aan het vervlakken is.

In 1985 heeft Renée van Bezooijen zich samen met twee andere experts gebogen over die verzameling van rond 1980. Ze maakten een beoordeling van het stemgebruik van jongens en oudere mannen in Amsterdam en in Nijmegen. In tabel 1 staan de luisterscores die iets kunnen zeggen over vervlakking van de stem.

Tabel 1. Gemiddelde luisterscores op zeven beoordelingsschalen uitgesplitst naar stad en leeftijdscategorie; 0 is laag/klein, 7 is hoog/groot.

De verschillen tussen de jonge en de oude mannen zijn in Nijmegen duidelijker dan in Amsterdam. Wat zien we? De beoordelaars menen dat de jongeren sneller spreken (a) en (mede daardoor?) vooral slordiger articuleren (b). Ook is het verschil tussen de luidste en de zachtste klanken © bij jongeren kleiner dan bij de ouderen, evenals de wisselvalligheid in gebruik van zachtere en luidere klanken (d). Maar het meest valt op dat er bij de ouderen een groter verschil is tussen hun hoogste en laagste stemtonen (e), dat ze hun stemtoon meer en vaker veranderen (0, en dat ze dat doen met behulp van een groter repertoire aan melodieën (g).

Sportuitslagen

Er is nog een ander onderzoek dat ons kan helpen bij het beantwoorden van de vraag of het Nederlands vervlakt. Rond 1990 heeft Hans Kraayeveld bandopnamen gemaakt van 25 Nederlandse mannen en evenzoveel vrouwen, in vijf leeftijdsklassen. Het spraakmateriaal varieerde van losse voorgelezen zinnen volgens een vast stramien (bijvoorbeeld sportuitslagen), via voorgelezen nieuwsberichten tot vrije conversatie over favoriete gerechten en reiservaringen van de sprekers.

Het aardige van de sportuitslagzinnen is dat de sprekers die allemaal voorlezen met (ongeveer) dezelfde zinsmelodie: met een stijgende toon op de beklemtoonde lettergrepen van de twee land- of inwonernamen, met een stijgende toon op het eerste en een dalende toon op het laatste cijfer van de uitslag, zoals is aangegeven in onderstaande tekening.

Hoewel de melodie van deze zinnen dus min of meer vastligt, verschilt bij individuele sprekers de grootte van de toonstijgingen en -dalingen. Hoe kleiner de toonstijgingen en -dalingen, des te meer een spreker zijn zinsmelodie vervlakt. De grootte van die toonsprongen kunnen we meten. En meten is weten.

Figuur 2 geeft – apart voor mannen en vrouwen – de grootte van de toonstijging (figuur 2a) op het eerste accent in de sportzinnen en van de toondaling (figuur 2b) op het laatste accent, uitgesplitst per leeftijdscategorie. Mannen en vrouwen ontlopen elkaar hier niet veel, maar wél is duidelijk dat de toonsprongen bij de oudere sprekers (boven de 45 jaar) groter zijn dan bij de jongere groepen (tot 36 jaar).

Figuur 2. Grootte van de toonstijging (in semitonen) op het eerste accent (a. boven) en van de toondaling op het laatste accent (b. onder) in voorgelezen sportuitslagen door mannen en vrouwen in vijf leeftijdscategorieën.

In spontane conversatie gebruiken sprekers zó veel verschillende melodieën dat we geen metingen meer kunnen doen van aparte toonstijgingen en -dalingen op geaccentueerde lettergrepen. Daar werkt een globale statistische maat handiger. Hoe groter die zogenoemde toonhoogtevariatiecoëfficiënt, des te verder en des te vaker wijken de sprekers af van hun gemiddelde toonhoogte. In figuur 3 zien we hoe de toonhoogtevariatie in stukken spontane conversatiespraak groter wordt met het stijgen van de leeftijd van de spreker, zowel bij mannen als bij vrouwen. In figuur 4 gebruik ik dezelfde maat, maar dan nog eens voor de sportuitslagen.

Figuur 3. Toonhoogtevariatie in spontane spraak voor mannen en vrouwen in vijf oplopende leeftijdscategorieën.

Figuur 4. Als figuur 3, maar voor voorgelezen sportuitslagen.

Taalverandering betrapt

Uit de twee onderzoeken blijkt dus dat jonge Nederlandse mannen vlakker spreken dan oudere mannen. Uit het tweede wordt bovendien duidelijk dat het effect van leeftijd ook bij vrouwen overeind blijft: jongere vrouwen spreken vlakker dan oudere vrouwen.

Als we nu waarde hechten aan het idee dat we een taalverandering op heterdaad kunnen betrappen door een jonge en een oude generatie sprekers op één punt in de tijd met elkaar te vergelijken, dan volgt als algemene conclusie dat de Nederlandse zinsmelodie inderdaad aan het vervlakken is.

Overigens mag deze conclusie alleen onder voorbehoud getrokken worden. Definitieve uitspraken kunnen pas gedaan worden aan de hand van een trendstudie, als we in 2010, wanneer we een generatie verder zijn dan 1980, nog eens eenzelfde groep sprekers opnemen, beoordelen en analyseren. Alleen als blijkt dat zowel de jonge als de oude sprekers in 2010 vlakker spreken dan hun leeftijdgenoten in 1980, is er echt sprake geweest van een taalverandering.

Bewerking van een artikel dat verscheen in “Waar gaat het Nederlands naartoe? Panorama van een taal”, samengesteld door Jan Stroop. Amsterdam, Bakker, 2003.

Dit artikel is een publicatie van Genootschap Onze Taal.
© Genootschap Onze Taal, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 11 mei 2007

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.