Je leest:

Vernieuwd kiezersonderzoek

Vernieuwd kiezersonderzoek

Auteur: | 18 juli 2006

Tot voorkort werd kiezersgedrag onderzocht aan de hand van een verzuilingsmodel. De laatste tijd is dit model verdrongen door een aantal andere perspectieven. Ook de nieuwe modellen zijn niet zonder problemen.

De vraag naar de achtergrond van kiesgedrag en het inzicht in de collectieve uitspraak van het electoraat is nu zeker niet minder belangrijk dan vroeger. Gelukkig hebben kiezersonderzoekers het verslijten van het verzuilingsmodel niet afgewacht. In de zoektocht naar de verklaring van kiesgedrag zijn nieuwe wegen ingeslagen. Andere perspectieven zijn ontwikkeld en op hun bruikbaarheid getest.

Dat liep soms slecht af. Zo kon een sociaal-psychologische benadering met partij-identificatie als centraal begrip al in 1976 worden afgevoerd. De benadering bewees en bewijst in Amerikaans kiezersonderzoek goede diensten, maar bleek zo goed als onbruikbaar in de Nederlandse context. Hier was geen ruimte voor een individuele band met één partij, die sturend maar niet deterministisch zou zijn voor de partijkeuze. De verzuiling, waarin de groep en niet het individu centraal stond, zal hier niet vreemd aan zijn geweest. Hoe dan ook, dit sociaal-psychologische perspectief heeft nooit een voorname rol gespeeld in Nederlands kiezersonderzoek.

Bij de derde hoofdbenadering van verkiezingen en kiesgedrag spelen onderzoekers leentjebuur niet bij sociologen of sociaal-psychologen, maar bij economen. Dan valt prompt de naam van Anthony Downs, die met An Economic Theory of Democracy velen heeft geïnspireerd. Het economische perspectief is ook in Nederland vruchtbaar gebleken en kent op een enkele stam meerdere vitale uitlopers.

Voor Nederland waren het met name Cees van der Eijk en Kees Niemöller, die in hun proefschrift van 1983 probeerden het idee van de rationele kiezer, die een keuze zou maken na afweging van kosten en baten, uit te werken. Zij deden dat op basis van ideologische noties – links en rechts – en het idee dat ideologische afstanden tussen kiezers en partijen konden worden gebruikt als aanwijzing voor het nut dat kiezers verwachten. Uitgaande van rationeel kiesgedrag, waarbij individuele nuts-maximalisatie centraal staat, was dan het idee dat een kleinere afstand tussen kiezer en partij meer nut betekende, en aldus een grotere waarschijnlijkheid van een keuze voor die partij.

Dit uitgangspunt zal, zeker in een tijd waarin vaak sprake is van ‘calculerende burgers’, eenvoudig en erg aannemelijk klinken, maar de uitwerking en toetsing ervan was en blijft niet zonder problemen. Op de studie van Van der Eijk en Niemöller kwam dan ook de nodige kritiek, maar ach, dat is het lot van vernieuwend onderzoek. Belangrijker was dat de studie aanleiding gaf tot allerlei nader onderzoek en blijvende invloed heeft op het Nederlandse kiezersonderzoek. En hoewel dat kiezersonderzoek gekenmerkt wordt door een veelheid aan theoretische en conceptuele invalshoeken, is, zoals in vele andere landen, het idee van een rationele kiezer er moeilijk nog uit weg te denken. Als ik zo dadelijk spreek over strategische kiezers, heb ook ik het over kiezers die zich rationeel en instrumenteel proberen te gedragen.

Bij een economisch perspectief op kiesgedrag gaat het om het idee dat burgers een rationele afweging maken tussen de diverse opties, dat wil zeggen de keuze met het oog op te realiseren nut laten afhangen van een calculatie van kosten en baten. De benadering bevat het selectiemechanisme van kiezers. Dat is iets anders dan economisch stemmen in enge zin, waarbij de vraag centraal staat of, hoe en in welke mate het strijdpunt of issue ‘economie’ invloed heeft. Economisch stemmen in deze betekenis draait om de vraag hoe de kiezer reageert op economische ontwikkelingen en verwachtingen, en hoe deze reacties zich vertalen in voorkeuren en kiesgedrag.

‘Eerst het zuur en dan het zoet’ is een actuele, zij het simplistische verwerking van achterliggende noties van deze vorm van economisch stemgedrag. Balkenende lijkt in het bijzonder een aanhanger van V.O. Key Jr, die meende dat kiezers misschien niet in staat waren om alle programma’s te beoordelen om op die basis te stemmen, maar dat zij wel succesvol beleid zouden belonen en falend beleid straffen. Voor die intuïtie is empirische steun, maar het gaat bepaald niet om een electorale wetmatigheid. Vraag er de PvdA maar naar, die er in de aanloop van de verkiezingen van 2002 op rekende dat het door Wim Kok aangevoerde kabinet de vruchten van geslaagd economisch beleid zou plukken. Dat liep anders – en aan kiezersonderzoekers de vraag en ook de taak om dat uit te leggen: It is not always the economy, stupid!

Dit artikel is een publicatie van NEMO Kennislink.
© NEMO Kennislink, sommige rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 juli 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.