Je leest:

Vergilius: van wonderdoener tot duivelskunstenaar

Vergilius: van wonderdoener tot duivelskunstenaar

Middeleeuwse projecties op een Romeins dichter

Auteur: | 10 juni 2011

De Romeinse dichter Vergilius (70-19 v.Chr.) werd in de Middeleeuwen zeer bewonderd. Niet zozeer om zijn gedichten, maar omdat hij de reputatie had de wijsheid en macht van een magiër te hebben. Een paar eeuwen later was het met zijn populariteit echter gedaan en werd hij juist verguisd en verafschuwd om zijn vermeende magische kunsten. Een omslag die een verandering in het denken over magie verraadt.

Tussen 1500 en 1525 verschenen er uitgaven van de verhalenbundel Virgilius in het Nederlands, Frans en Engels. Het zijn oude en nieuwe verhalen waarin de Romeinse dichter de hoofdrol speelt. De teneur van de bundel is opvallend negatief. Toch is er een ondertoon van waardering, die aansluit bij wat al eeuwen over Vergilius werd geschreven.

Door zijn werk ‘Aeneis’ werd hij gezien als de belangrijkste dichter uit de Oudheid. Ook gold hij als profeet, omdat hij in zijn vierde ‘Ecloga(e)’ (herdersgedicht) de geboorte van een heiland aankondigt en de komst van een Gouden Tijdperk. Dit kon alleen de geboorte van Christus zijn. Bovendien bewees hij met zijn ‘Georgica’ (het landleven) – een bron van kennis op het gebied van de landbouw, medicijnen, astrologie, filosofie en astronomie – dat hij een geleerde was.

Vergilius werd geboren voor de christelijke tijd, maar gold toch als een van nature christelijke ziel. Het positieve beeld van Vergilius blijft de hele Middeleeuwen door bestaan. Het is bijvoorbeeld niet voor niets dat Dante hem in zijn Goddelijke komedie (eerste helft 14e eeuw) als leidsman kiest voor zijn reis door de hel. Vanaf ca. 1150 kwam er een dimensie bij: Vergilius als magiër, die met zijn kennis wonderlijke zaken tot stand bracht.

Ludger tom Ring de Oudere, ca. 1538.

Zo zou hij volgens Alexander Neckam in zijn ‘De naturis rerum’ (Over de aard van de natuur) Napels van een bloedzuigerplaag hebben bevrijd door een gouden bloedzuiger in een bron te gooien.

Ook voorkwam hij vleesbederf door de vleesmarkt met behulp van een kruid luchtdicht af te sluiten en hij richtte in Rome een bewegende beeldengroep op die de Romeinen waarschuwde bij opstanden in de buitengewesten. In de literatuur van die tijd waren dergelijke automaten heel geliefd. Ze duidden op ambachtelijkheid, talent, vindingrijkheid.

Uit al deze verhalen rijst het beeld op van Vergilius als een geweldig uitvinder die door zijn onnavolgbare kennis en zijn praktische toepassing van techniek iets ‘magisch’ weet te realiseren. De toon is zonder meer positief.

Schalk

In Duitstalige streken – waarom juist hier is onduidelijk – kwamen er echter ook andere visies in omloop. Wolfram von Eschenbach voert Vergilius in zijn ‘Parzifal’ (ca 1210) op als familielid van de slechte tovenaar Klingsor die in zijn betoverde kasteel veertig vrouwen gevangenhoudt. In de ‘Sängerkrieg auf der Wartburg’ uit het midden van de 13e eeuw haalt een demon – in de gedaante van een gevangen vlieg – Vergilius over hem te bevrijden. In ruil daarvoor krijgt Vergilius een boek dat de tovenaar Zabulon heeft geschreven, zodat hij alle geestelijken de baas kan worden.

Jans Enikel bestempelt Vergilius in zijn ‘Weltchronik’ (ca 1280) als kind van de hel, met een duivelse magische kennis. Het traditionele idee van Vergilius als profeet van de geboorte van Christus blijft met opzet ongenoemd. Uiteindelijk komen beide stromen samen in het vroeg-16e-eeuwse Virgilius. Ook de oude positieve wapenfeiten, zoals de wonderen die Vergilius verrichtte ten behoeve van het algemeen nut en zijn invloed op de ontwikkeling van Napels tot een bloeiende handelsstad waarin de wetenschap werd bevorderd, staan er allemaal in.

Maar daarnaast is vanaf de titelpagina al duidelijk dat deze macht van Vergilius des duivels was. Expliciet staat er dat hij zijn wonderen verrichtte met ‘behulpe des duvels’. Uitgebreid wordt een nieuw verhaal over hem uit de doeken gedaan: hoe Vergilius door een list in het bezit komt van de boeken waarin de duivel zijn zwarte kunst beschreef, de nigromantie. De slotsom is dat hij een hoogmoedige was die zich verloor in kennis en zich ten onrechte gelijkwaardig aan God achtte.

Het feit dat de bundel is vormgegeven als een anekdotenbiografie, zegt ook iets over het verslechterd imago van Vergilius. Dit toen geliefde genre – waartoe ook bijvoorbeeld Tijl Uilenspiegel hoort – zet losse verhalen over de hoofdpersonen in een logische volgorde. Ze gaan over eenlingen zonder sterke band met de gemeenschap waarin ze leven. Ze hebben onvermoede en verborgen krachten en zijn behept met een vaak kwaadaardig gevoel voor humor dat de grenzen van wat nog komisch is overschrijdt. Het publiek was duidelijk dat zij een duivelse inborst hadden. Ook Vergilius hoorde nu dus bij deze ‘schalken’.

Vergilius, hier op een miniatuur uit ca 500, was al in zijn eigen tijd beroemd. Zijn bekendste werk is de twaalfdelige Aeneis (30-19 v. Chr.), een soort opvolger van de Ilias van Homerus. Vergilius bezingt de grootsheid van Rome via zijn heldendicht over de omzwervingen van de Trojaanse held Aenas na de val van Troje. Het ‘bewijst’ dat de stichters van Rome en keizer Augustus afstammen van het oude Trojaanse koningsgeslacht.

Arabische invloed

De omslag in de waardering voor tovenaar Vergilius heeft zonder twijfel te maken met de strengere toepassing van kerkelijke opvattingen over magie. Vergilius kreeg in de 12e eeuw een status als tovenaar doordat er in die tijd Arabische wetenschappelijke verhandelingen beschikbaar kwamen en door Arabieren vertaalde antieke Griekse teksten. Deze gingen over astronomie, astrologie, alchemie, wiskunde, medicijnen en mechanica en waren ongeacht het onderwerp doordrenkt van magie. Alchemie, astrologie en andere vormen van voorspellingen en zelfs nigromantie golden in de Arabische wereld als wetenschap.

West-Europese geleerden als Willem van Auvergne en Albertus Magnus ontwikkelden een wetenschappelijke, rationele belangstelling voor magie en rekenden bepaalde vormen van magie nadrukkelijk tot de natuurwetenschappen. Zij maakten onderscheid tussen hoge (geleerde) en lage (volkse) magie, hiermee de laatste categorie degraderend tot bijgeloof, verbonden met ongeletterdheid. Hun eigen magie was hoog en ‘wit’ – dat wil zeggen streefde het goede na – had geen duivelse oorsprong en maakte gebruik van nog onbekende, natuurlijke krachten in de natuur.

De 12e-eeuwse verhalen over de welmenende uitvinder en tovenaar Vergilius zijn duidelijk een product van de Arabische invloed op de wetenschappen. De katholieke kerk heeft magie echter officieel altijd afgewezen. Vandaar dat al snel, in de 13e eeuw, ook waarschuwingen klonken dat Vergilius’ magische vermogens satanisch waren. Deze visie won langzamerhand aan kracht: iedere vorm van magie is bijgeloof, en mocht het toveren toch effect hebben, dan komt dat doordat de duivel in het spel is.

Volgens deze visie konden mensen een verbond met de duivel sluiten, want de duivel is daadwerkelijk lijfelijk aanwezig in de wereld. Je ziet hem aan het werk, samen met een wrekende God, bij grote catastrofen zoals de pest en hongersnood die een straf voor de schuldige en zondige mensheid zijn. Magiërs (maar ook joden en heksen) zijn handlangers van de duivel.

Een geliefde Vergiliuslegende is ‘Vergilius in de mand’. Vergilius wilde een vrouw beminnen. Zij liet hem naar haar torenkamer optrekken in een mand, maar liet hem halverwege bungelen om zijn erotische drift aan de kaak te stellen, tot algemeen vermaak. Voor straf zou Vergilius al het vuur in Rome hebben uitgedoofd.

Vanaf de 14e eeuw, mogelijk onder invloed van de vele oorlogen en natuurrampen waaronder de grote pestepidemie van 1348 en het daardoor versterkte geloof in het einde der tijden en de komst van de antichrist, ging de kerk krachtiger optreden tegen magie. Het ketterse en misdadige van magische handelingen kwam op de voorgrond.

De inquisitie ging steeds systematischer te werk bij het bestrijden van magie, die zij niet langer beschouwde als een lijst van verwerpelijke heidense handelingen die min of meer toevallig en zonder onderling verband werden uitgevoerd, maar als een met opzet ontworpen en samenhangend systeem van een georganiseerde groep onder leiding van de duivel.

In 1427 beschreef Bernardus van Siena voorspellingen en bezweringen in een preek als een ketterse verering van de duivel, en riep hij de gelovigen op om alle heksen en magiërs die betoveringen en spreuken uitspreken, aan te geven. Zij moeten allemaal naar de brandstapel en ook diegenen die de tovenaars niet aangeven, dienen te worden verbrand.

Vergilius was toen natuurlijk allang overleden. Hij kon niet op de brandstapel, zoals zoveel vermeende heksen overkwam. Maar hij moest wel boeten voor zijn impliciete pact met de duivel. De verhalen over hem kregen daarom steeds meer een sinister karakter.

Piet Franssen is neerlandicus. In 2010 verzorgde hij voor ‘Verloren’ te hilversum ‘De tovenaar Vergilius. Een tekstuitgave van Virgilius. Van zijn leven, doot ende van den wonderlijcken wercken die hi dede by nigromancien ende by dat behulpe des duvels’ (Antwerpen, ca 1525)

Bronnen:

  • Karen Lolly e.a. Witchcraft and Magic in Europe. The Middle Ages, Londen 2002
  • James Hannam, Gods filosofen. Hoe in de Middeleeuwen de basis werd gelegd voor de moderne wetenschap, Nieuw Amsterdam, 2010
  • Queeste. Tijdschrift over middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden, Uitgeverij Verloren, Hilversum 2007
Dit artikel is een publicatie van Geschiedenis Magazine.
© Geschiedenis Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 10 juni 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.