Je leest:

Verdwijnt de welvaartsstaat?

Verdwijnt de welvaartsstaat?

Auteur: | 19 januari 2006

Welvaartsstaten worden al jaren flink hervormd. Wetenschappers discussiëren over de precieze omvang van deze veranderingen. Sommigen stellen dat het karakter van de welvaartsstaat niet is aangetast: de welvaartsstaat blijft gewoon bestaan en biedt sociale bescherming. Anderen betogen echter dat de hervormingen zo grondig zijn dat de welvaartsstaat is vervangen door een ‘workfare’ staat die tot werken verplicht. In Nederland is het nog niet zo ver.

De Nederlandse welvaartsstaat wordt al jaren flink hervormd. Volgens sommigen gaan deze hervormingen niet ver genoeg. GroenLinks noemt de huidige welvaartsstaat bijvoorbeeld “krachteloos” en pleit, evenals PvdA, voor modernisering. Maar valt er eigenlijk nog wel iets te moderniseren? Is er eigenlijk nog wel een welvaartsstaat?

De welvaartsstaat bestaat niet

Het begrip welvaartsstaat hanteren we in het Nederlands afwisselend met het begrip verzorgingsstaat. Meestal bedoelt men een sociaal systeem waarin de staat verantwoordelijkheid neemt voor het welzijn van haar burgers. Dit houdt in dat de staat zich actief bemoeit met zaken als gezondheidszorg, onderwijs, werkgelegenheid en sociale voorzieningen.

Socioloog Gøsta Esping-Andersen

Bedenk wel, de welvaartsstaat bestaat niet, want er zijn heel verschillende vormen. De Deense socioloog Gøsta Esping-Andersen, bijvoorbeeld, onderscheidt drie typen welvaartsstaten aan de hand van een aantal kenmerken zoals de vrijgevigheid van het sociale stelsel en de mate van ongelijkheid die blijft bestaan.

In het eerste type, de liberale welvaartsstaat waarvan de Verenigde Staten een voorbeeld zijn, hebben burgers niet veel recht op sociale zekerheid. De staat dekt alleen de strikt noodzakelijk basisrisico’s en het sociaal beleid heeft in het algemeen een minimaal karakter. Hierdoor zijn de publieke en sociale uitgaven laag. Ook zijn de arbeidsmarkten van liberale welvaartsstaten sterk gedereguleerd, dat wil zeggen dat de staat zich nauwelijks bemoeit met bijvoorbeeld ontslagrecht of minimumsalarissen.

Het tweede type, de conservatieve of corporatistische welvaartsstaat heeft net als de liberale welvaartsstaat een passief karakter. Duitsland is het prototype van de conservatieve welvaartsstaat. Het passieve karakter blijkt uit de manier waarop de staat ingrijpt in het inkomen van burgers. Conservatieve welvaartsstaten kennen bijvoorbeeld hoge werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maar juist geen subsidies voor actief arbeidsmarktbeleid zoals (om)scholing en gesubsidieerde arbeid. Anders dan liberale welvaartsstaten hebben conservatieve welvaartsstaten wel relatief hoge sociale uitgaven, maar deze komen vooral ten goede aan de “insiders” op de arbeidsmarkt – doorgaans de werknemers met voltijds, vaste banen. De conservatieve welvaartsstaat kenmerkt zich dan ook door het mannelijke kostwinnersmodel en stimuleert hierdoor een traditionele gezinsstructuur (vader werkt, moeder zorgt voor de kinderen).

De conservatieve welvaartsstaat kenmerkt zich door een traditionele gezinsstructuur

Ten slotte is er een derde type, de sociaal democratische welvaartsstaat waarvoor Zweden exemplarisch is. Sociaal democratische welvaartsstaten kennen een universeel karakter van de arrangementen en voorzieningen. Iedereen heeft recht op dezelfde voorzieningen. Uitkeringen zijn niet gebaseerd op het feit of je man of vrouw bent of gezinshoofd of niet, maar puur op residentie of burgerschap. Sociaal democratische welvaartsstaten spenderen een ruime hoeveelheid publieke middelen aan sociale diensten en actieve arbeidsmarktprogramma’s. De sociale uitgaven zijn dan ook hoog.

De welvaartsstaat vaart wel

Nederland past eigenlijk niet goed in een van de typen, omdat het stelsel zowel sociaal democratische als conservatieve kenmerken heeft. Dit wordt goed zichtbaar als we een aantal belangrijke ontwikkelingen van de Nederlandse welvaartsstaat – vanaf haar “geboorte” na de Tweede Wereldoorlog – kort doorlopen.

Tot midden jaren zeventig werd de welvaartsstaat in Nederland sterk uitgebouwd. Hierdoor nam niet alleen de dekking maar ook de generositeit van het stelsel aanzienlijk toe. Zo werd in 1949 de Werkloosheidswet (WW) ingevoerd, in 1959 de Algemene Ouderdomswet (AOW), in 1965 de Algemene Bijstandswet, in 1966 de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), en volgde in 1968 de introductie van het wettelijk minimumloon. Veel van deze wetten, namelijk die beginnen met ‘algemene’, hebben een universeel karakter en zijn in die zin sociaal democratisch te noemen. De meeste regelingen waren echter wel bedoeld voor de kostwinneridee van een traditioneel gezin – een conservatief kenmerk dus. Zo varieerde de uitkering van de WW: het percentage van je laatstverdiende loon dat je als uitkering ontving bij werkloosheid hing af van je gezinssituatie.

Het eerste kabinet Lubbers.

Vanaf begin jaren tachtig, om precies te zijn met het aantreden van het eerste kabinet Lubbers in 1982, was het echt afgelopen met de welvaartsstaatexpansie. Een aantal factoren, waaronder verslechterde economische omstandigheden, globalisering en demografische veranderingen zoals de vergrijzing, zette de welvaartsstaat onder druk. Het Nederlandse stelsel werd als te duur gezien en hervorming was noodzakelijk. Dit werd nog eens versterkt door het feit dat het CDA-VVD kabinet, Lubbers I, de royale welvaartsstaat aanwees als een belangrijke oorzaak voor de crisis in de marktsector. Er volgde een politiek van bezuinigingen op publieke en sociale uitgaven.

In feite dachten veel wetenschappers in de jaren tachtig dat de druk op de welvaartsstaat door alle veranderingen zo groot zou worden, dat de welvaartsstaat helemaal zou verdwijnen. We weten nu dat deze onderzoekers het mis hadden. We hebben in Nederland nog altijd een welvaartsstaat, net als bijvoorbeeld Duitsland en Engeland die nog steeds hebben. Toch?

Werken, werken en nog eens werken!

Nee hoor, zegt een groep sociaalwetenschappers, de zogenaamde regulation theorists. Zij betogen dat welvaartsstaten zoveel veranderd zijn dat ze geen welvaartsstaten meer zijn maar workfare staten. Hoewel de onderzoekers het niet eens zijn over de definitie van workfare, staan in zo’n workfare-staat drie zaken centraal. Ten eerste, werk. Als je werkloos wordt, moet je hard op zoek naar een nieuwe baan. Doe je dat niet, dan krijg je geen of een lagere werkloosheidsuitkering. Ten tweede, deelname aan het arbeidsproces. Dit lijkt misschien hetzelfde als werk, maar er wordt iets anders bedoeld. Het gaat erom dat zoveel mogelijk mensen een baan hebben. Om dit voor elkaar te krijgen, bedenkt de regering allerlei maatregelen. Een voorbeeld hiervan is het geld (in de vorm van subsidies) dat aan bedrijven wordt gegeven die langdurig werklozen of arbeidsongeschikten in dienst nemen. Ten derde, het minimaliseren van inkomensbeschermende maatregelen. Dit wil zeggen dat de regering probeert zo min mogelijk geld uit te geven aan regelingen die tegen inkomensverlies beschermen (zoals werkloosheidsuitkeringen).

In een workfare-staat moet je hard op zoek naar een baan als je werkeloos bent.

Is Nederland een workfare staat geworden? Hebben de hervormingen uit de jaren tachtig en negentig ertoe geleid dat werk centraal staat, iedereen aan de slag moet en inkomensbeschermende maatregelen beperkt zijn? Of hebben we traditionele welvaartsstaatonderzoekers gelijk die stellen dat welvaartsstaten, inclusief Nederland, helemaal niet veranderd zijn in workfare staten maar nog steeds passen in Esping-Andersen’s indeling van liberale, conservatieve/corporatistische en sociaal democratische welvaartsstaten?

Sociaal of werkend Nederland?

Hoe kunnen we beoordelen of Nederland een welvaarts- of workfare staat is? Dit is geen eenvoudige taak, niet in de laatste plaats omdat de regulation theorists het zoals gezegd niet eens zijn over wat dat precies is, een workfare staat. Zeker is dat zowel deze onderzoekers als de “mainstream” welvaartsstaatonderzoekers vonden dat in de jaren tachtig welvaartsstaten, welvaartsstaten waren.

In 2002 daarentegen, zijn de “mainstream” onderzoekers nog steeds deze mening toegedaan terwijl de regulatie wetenschappers stellen dat welvaartsstaten, workfare staten geworden zijn. Verder weten we dat het in een workfare staat gaat om werk, deelname aan het arbeidsproces en het minimaliseren van inkomensbeschermende maatregelen. Dit betekent dat door naar indicatoren te kijken voor deze drie kenmerken en door de jaren tachtig met 2002 te vergelijken, we iets kunnen zeggen over de veranderingen in Nederland.

Een eerste indicator is de mate van arbeidsbescherming. Hoe moeilijk en/of duur is het om iemand te ontslaan? Tussen het einde van de jaren tachtig en 2002 is de arbeidsbescherming in Nederland iets afgenomen. Het is nu makkelijker en/of minder duur om iemand te ontslaan en de arbeidsmarkt is daardoor iets flexibeler geworden. Dit lijkt goed te passen in een workfare staat.

Het is nu makkelijker om iemand te ontslaan dan twintig jaar geleden.

De tweede indicator is de mate van activering in het stelsel. Hier is een sterke stijging zichtbaar en daarmee een duidelijke trend naar workfare. Zo is het percentage actieve uitgaven (zoals scholing en gesubsidieerde arbeid) in de totale arbeidsmarktuitgaven, dat wil zeggen inclusief passieve uitgaven zoals werkloosheidsuitkeringen, sterk toegenomen. Waar in 1985 slechts 27% van alle uitgaven “actief” was, bedroeg dit percentage in 2002 52%, een stijging van 93%. De actieve uitgaven per werkloze namen nog sterker toe en waren in 2002 ongeveer 5 keer zo hoog als in 1985. Door de toename van het belang van actieve maatregelen lijkt het belang van passieve, inkomensbeschermende maatregelen, dus sterk afgenomen.

Deze conclusie kan echter niet zo makkelijk worden getrokken op basis van de derde indicator, de generositeit van het stelsel. Hiervoor kunnen we kijken naar het percentage van het laatstverdiende loon dat iemand krijgt uitgekeerd als hij of zij werkloos of ziek wordt. Deze zogenaamde vervangingsvoet daalde voor zowel de werkloosheidsverzekeringen als voor het ziektegeld van ongeveer 85% naar 78%, een daling van slechts 8%. Niet echt een sterke trend naar een workfare staat.

Nederland lijkt zich wel in de richting van een workfare staat te bewegen, maar is het (nog?) niet! De arbeidsmarkt is flexibeler geworden en actieve maatregelen zijn belangrijker geworden, maar inkomensbescherming heeft nog steeds hoge prioriteit. Eigenlijk lijkt Nederland nu – in sommige opzichten – meer dan ooit op de door bijvoorbeeld GroenLinks zo bewonderde sociaal democratische welvaartsstaten: oog voor activering en gul met sociale uitgaven.

De Nederlandse welvaartsstaat is nog niet veranderd in een workfare staat en zeker nog niet verdwenen. Hoewel het huidige kabinet Balkenende II de welvaartsstaat (verder) aan het inperken is, verandert het karakter van de welvaartsstaat hier vooralsnog niet.

Over de auteur

Barbara Vis is als promovenda verbonden aan de afdeling Politicologie van de faculteit Sociale Wetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Dit artikel is een publicatie van Kennislink (correspondentennetwerk).
© Kennislink (correspondentennetwerk), alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 19 januari 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.