Je leest:

Verdwijnkunstenaars met een staart

Verdwijnkunstenaars met een staart

Auteur: | 1 september 2004

Zes jaar geleden raakte een Franse laboratoriummedewerker door een zeldzame samenloop van omstandigheden besmet met de parasiet Encephalitozoon cuniculi. Het gevolg: een ernstige oogontsteking. Domme pech, die echter ook de opmaat vormde voor een nieuwe, in het AMC ontwikkelde diagnostische test. Voor het eerst kan nu een infectie met het micro-organisme worden aangetoond in mensen met een normale afweer en bij patiënten met onverklaarbare epileptische aanvallen of encephalitis.

Als ware parasitologische pin-ups prijken ze op de cover van het juninummer van het Journal of Infectious Diseases: kleine, felgroen gekleurde bolletjes met een staart, ook bekend als Encephalitozoon cuniculi. Parasieten behorend tot de groep van de microsporidia. Parasitoloog Tom van Gool: ‘Er zijn meer dan veertienhonderd soorten bekend, onderverdeeld in zo’n 43 genera ofwel families. Geen wonder dus dat besmettingen met microsporidia ontzettend veel voorkomen in het dierenrijk.’ Eén subtype, de reedsgenoemde Encephalitozoon cuniculi is een belangrijke oorzaak van neurologische aandoeningen bij dieren. ‘Tik de naam van het beestje maar eens in op Google. Vrijwel onmiddellijk stuit je op een plaatje van een zielig konijn, dat half verlamd op een matje ligt. Inderdaad: een gevolg van een doorgemaakte infectie met Encephalitozoon. Het micro-organisme nestelt zich bij voorkeur in de hersenen – vandaar die verlamming – of anders in de nieren.’

Veel knaagdieren (konijnen, ratten en muizen), maar ook honden en vossen zijn met de parasiet geïnfecteerd. Maar hoe zit het met de mens? Van Gool: ‘Over het vóórkomen van het micro-organisme bij mensen met een normale afweer is weinig bekend.’ De eerste, en tevens enige goed beschreven casus dateert uit 1959. Het betreft een negenjarig Japans jongetje dat in een ziekenhuis werd opgenomen met symptomen die deden denken aan een hersenvliesontsteking: convulsies (onwillekeurige spiertrekkingen), hoofdpijn, wegrakingen en koorts. Uit hersenvocht en urine werden onbekende ‘oval bodies’ geïsoleerd: sporen van Encephalitozoon. Maar hoe je de parasiet te lijf moest gaan, wisten de artsen niet. Een penicillinekuur bood geen soelaas en ook andere medicijnen brachten geen verbetering in de toestand van het jongetje. Na een week of twee knapte hij gelukkig spontaan weer op, en ook de ‘bolletjes’ verdwenen. ‘Nu weten we dat hier het natuurlijk verloop werd geschetst van een infectie met Encephalitozoon bij een in principe gezond kind met een normale afweer’, zegt Van Gool.

Lange tijd bleef het bij die ene besmetting; de parasiet leek weinig interesse te hebben in menselijke gastheren. Maar die veronderstelling moest op de helling toen eind jaren tachtig aids aan een opmars begon. ‘Microsporidia bleken een belangrijke bron van opportunistische infecties bij aidspatiënten, en ook Encephalitozoon veroorzaakte vaak ernstige problemen: nierafwijkingen, hepatitis, long- en hersenontsteking.’

Als één van de eersten wist het AMC sporen van de ziekteverwekker te isoleren. ‘Bij mensen met een gestoorde afweer blijven die sporen vrij lang aanwezig in onder andere urine en ontlasting. Immunocompetente personen daarentegen klaren ze meestal binnen een week. Tegen de tijd dat zij bij een dokter aankloppen, zijn die sporen doorgaans al weg. Een eventuele infectie zul je dan op een andere, indirecte manier moeten aantonen: via serologisch onderzoek naar antistoffen in het bloed.’

Waterloo

Microsporidia zijn alomtegenwoordig, benadrukt Van Gool. ‘En als een bepaalde variant regelmatig voorkomt bij hiv-geïnfecteerden, dan kun je er eigenlijk vanuit gaan dat die óók circuleert onder niet-geïnfecteerden. Om de parasiet ook bij die groep op te kunnen sporen, is echter betrouwbare serodiagnostiek vereist.’ Al in de jaren tachtig werden in Engeland en Zweden pogingen ondernomen om een bloedtest te ontwikkelen. Echter zonder resultaat. ‘Tom, it became my Waterloo, bekende een Britse collega recentelijk, echt een expert op dit gebied. Ook wij hebben jarenlang data verzameld in een poging een beter beeld te krijgen van de immuunrespons na infectie, en ook wij beten uiteindelijk in het stof. Het grote probleem? Niemand wist precies hoe een infectie verloopt en welke immunologische reacties je in de diverse stadia van besmetting kunt verwachten. We kregen onze vinger er niet achter.’

Dat veranderde enkele jaren geleden echter van de ene dag op de andere. Van Gool: ‘Ik moest opponeren bij een promotie in Lille, en dronk na afloop een borrel met de promotor. Hij was bezorgd. Eén van zijn laboratoriumassistenten was door een onfortuinlijk ongeluk besmet geraakt met Encephalitozoon cuniculi. Een dop vloog van een naald, een kweekkast bleek niet goed afgesloten en miljoenen sporen van het micro-organisme belandden in haar ogen. Ze had er een ernstige ontsteking aan beide ogen aan overgehouden, die maar langzaam genas. Onmiddellijk gingen bij mij allerlei alarmbellen rinkelen. Ik kon nog net informeren naar haar toestand voor ik de cruciale vraag stelde: “Hebben jullie serum?”’

Dat hadden ze, want één maand en anderhalf jaar na het incident was bloed afgenomen, dat ‘gewoon in de vriezer’ lag. ‘De betreffende onderzoekers richten zich vooral op de genetische achtergronden van de parasiet, maar doen geen serologische studies. Ze waren dan ook niet op het idee gekomen het besmette bloed van hun collega voor wetenschappelijke doeleinden te gebruiken. Maar ze hadden er geen bezwaar tegen als wij dat wel deden.’

Van Gool kreeg niet alleen toestemming om de reeds beschikbare bloedmonsters te gebruiken. De onfortuinlijke medewerker verklaarde zich zelfs bereid op gezette tijden nieuw bloed op te sturen voor verdere analyses. ‘Een unieke situatie. Niet alleen wisten we precies op welk moment zij besmet was geraakt en met welke parasiet, ook kregen we de beschikking over samples die een goed beeld gaven van het verloop van de besmetting en de immunologische reactie van het lichaam daarop.’ Natuurlijk had Van Gool graag meer bloedmonsters gehad, zeker uit het beginstadium van de besmetting. Maar het serum dat na één, 20, 32 en 38 maanden was afgenomen, bleek voldoende om een aantal immunologische witte vlekken in te vullen.

Holle buis

‘Duizenden eerdere data vielen plotseling op hun plek’, aldus Van Gool, ‘mede omdat we in het AMC ondertussen een nieuwe fluorescentietechniek hadden ontwikkeld waarmee we ook de zogenaamde filamenten zichtbaar kunnen maken.’ Het detecteren van antistoffen tegen sporen vormt geen probleem, legt hij uit. ’Zo’n spore is een keihard balletje waarin het DNA van het organisme zit. Dit kan ook buiten het lichaam behoorlijk lang overleven. Maar weet de parasiet eenmaal een gastheer binnen te dringen, dan schiet na verloop van tijd een soort buis uit de spore die cellen kan penetreren: het filament. Aanvankelijk ligt het filament opgerold in de spore, maar als de omstandigheden goed zijn, schiet het naar buiten. Via de holle buis komt vervolgens het DNA van de Encephalitozoon de cel binnen, om zich daar verder te vermenigvuldigen. Nu kunnen we niet alleen sporen van de parasiet waarnemen, maar ook de filamenten, waar eveneens antistoffen tegen gevormd worden. Daardoor is de diagnostiek enorm verbeterd.’

Momenteel wordt gewerkt aan een nieuwe, eenvoudigere serologische test op basis van antigenen. Die moet de huidige, zeer ingewikkelde diagnostiek voor Encephalitozoon vervangen. Daarmee wordt het uiteraard veel gemakkelijker om mogelijke besmettingen op te sporen. Besmettingen die, anders dan in 1959, overigens uitstekend behandeld kunnen worden met medicijnen. ‘Belangrijk, want er komen steeds meer aanwijzingen dat Encephalitozoon fatale infecties kan veroorzaken na een niertransplantatie. Ook kunnen we nu verschijnselen als onverklaarde encephalitis en onbegrepen epileptische aanvallen aan een nadere analyse onderwerpen. En ook dat zijn vaak de gevallen waarbij een goede diagnose ontbreekt.’

Dit artikel is een publicatie van AMC Magazine.
© AMC Magazine, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 september 2004

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.