Je leest:

Verantwoord omgaan met humane stamcellen

Verantwoord omgaan met humane stamcellen

Auteur: | 22 juni 2016

De verwachtingen van onderzoek naar menselijke stamcellen zijn hoog gespannen. Maar is het gebruik van stamcellen ook altijd en voor iedereen ethisch verantwoord?

De verwachtingen van onderzoek naar menselijke stamcellen zijn hoog gespannen, zoals al uit het voorwoord van dit cahier blijkt. Maar is het gebruik van stamcellen ook altijd en voor iedereen ethisch verantwoord? Van de diverse typen stamcellen die in dit hoofdstuk beschreven zijn, is het gebruik van volwassen stamcellen ethisch het minst problematisch. Hieraan zijn geen andere principiële vragen verbonden dan die gelden voor alle (nieuwe) medische technieken. De humane embryonale stamcellen (hES-cellen), die tot alle weefseltypen kunnen uitgroeien en voor disfunctionerende weefsels of cellen een therapie zouden kunnen bieden, zijn gezien hun afkomst ethisch omstreden. Dat geldt ook voor de embryonale stamcellen afgeleid van ‘kloonembryo’s’, waarbij bovendien ethische vragen over de gebruikte kloontechniek komen kijken. Tot slot zijn er de geïnduceerde pluripotente stamcellen (iPS-cellen) afkomstig van lichaamscellen.

Het fundamentele ethische probleem bij het gebruik van hES is de oorsprong ervan: humane embryo’s die door afname van ES-cellen teloorgaan. Dat geldt zowel voor hES-cellen van ‘gewone’ menselijke embryo’s als voor ES-cellen van kloonembryo’s. Voor humane embryo’s geldt de vraag naar de beschermwaardigheid. Er is een visie (die de auteur dezes deelt) dat het menselijke embryo volledige beschermwaardigheid verdient, ook als het in vitro tot stand wordt gebracht. (Volledige beschermwaardigheid is niet hetzelfde als absolute beschermwaardigheid dat inzet van alle mogelijke middelen zou eisen.) Die visie impliceert dat embryo’s – voor zover ze al in vitro tot stand gebracht worden – zo worden behandeld dat hun kans op een ‘normale’ ontwikkeling tot geboorte als kind wordt bevorderd en ze niet met opzet gedood worden, ook niet na gebruik in onderzoek. Hierbij gelden in het kort drie overwegingen: biologische entiteit, dualiteit en eenduidig begin.

Biologische entiteit

Biologisch gezien is het menselijk embryo een nieuwe biologische entiteit, met een eigen unieke genetische bagage en daarmee verbonden ontwikkelingspotentieel, die als individu van de soort Homo sapiens (de mens) een continue, voor de soort typische, biologische ontwikkeling zal doormaken. Met andere woorden: vanuit biomedisch gezichtspunt is er geen reden het embryo niet als een menselijk wezen te zien en te behandelen. Tweelingvorming kan als een vorm van onge­slach­telijke voortplanting worden gezien, die aan de menselijke status van het embryo niet hoeft af te doen. Ook het gegeven dat in de natuurlijke situatie een (aanzienlijk) deel van de embryo’s vroeg sterft, bewijst niet dat het daarin niet om een ontkiemend mensenleven ging. Een bepaalde gang van zaken in de natuur vormt op zichzelf geen ethisch argument. In de natuur komen allerlei vormen van niet-moreel kwaad naar voren.

Artistieke weergave van een embryo.
Shutterstock, Biowetenschappen en maatschappij

Dualiteit

In de menselijke ervaring gaat het menszijn het strikt lichamelijke bestaan te boven. Het menszijn kent een tweeledigheid (dualiteit) van lichaam/materie aan de ene en geest/spiritualiteit aan de andere kant. Die twee dimensies vormen een geïntegreerde eenheid. Maar als die twee dimensies een eenheid vormen, dan moet dus vanaf het lichamelijke begin ook de geestelijke dimensie, ten minste latent, aanwezig zijn. Want als die geestelijke dimensie er niet is, dan moet die er later ‘bijkomen’. Men komt dan tot een vorm van dualisme (er komt in een latere fase ‘iets‘ bij), òf tot materialistisch monisme dat stelt dat er ten diepste alleen materie is, waaruit het spirituele als verschijnsel kan ‘opkomen’ (emergeren). Deze alternatieven kennen serieuze bezwaren.

Eenduidig begin

De zygote vormt het enige biologisch eenduidige begin van het menselijk individu en biedt daarom voor handhaving van bescherming van het leven van mensen in alle verschijningsvormen de beste uitgangspositie. Het toekennen van volledige beschermwaardigheid in een latere fase heeft altijd iets willekeurigs en daarmee iets bedreigends voor bepaalde categorieën van mensen die ook de voor het menszijn kenmerkend geachte eigenschappen, bijvoorbeeld het vermogen tot bewuste communicatie niet (meer) bezitten.

Een andersoortige ethische overweging tegen therapeutische inzet van hES-cellen is dat ze door hun onbeperkte vermogen tot delen een neiging hebben tot tumorvorming. Verder zullen hES-cellen die niet van de ontvanger (patiënt) zelf afkomstig zijn immunologische afstoting oproepen en dus de onderdrukking daarvan vereisen. Dit geldt niet voor kloonembryo’s, maar een ethisch probleem daarbij is dat het ‘maken’ van dergelijke embryo’s en het oogsten van embryonale cellen ervan een heel lage doelmatigheid kent en per patiënt daarom een groot aantal menselijke eicellen nodig is. Het verkrijgen daarvan kent ook ethische problemen, onder meer risico’s voor de vrouw die doneert.

De oorsprong van iPS-cellen is ethisch niet problematisch. Qua genetische geschiktheid lijken iPS- en hES-cellen van kloonembryo’s vergelijkbaar. Verder lijkt het therapeutisch potentieel van iPS-cellen niet onder te doen voor die van hES-cellen. Daarmee is het de vraag of het wel nodig is hES-cellen te ‘produceren’ voor vormen van medische relevant onderzoek dat alleen met die cellen verricht zou kunnen worden. Wel zal ook therapeutisch gebruik van iPS-cellen grondig onderzocht moeten worden op effectiviteit en veiligheid, bijvoorbeeld het risico van tumorvorming.

Kortom, er zijn vanuit ethisch gezichtspunt goede redenen om onderzoek te verrichten naar de therapeutische inzet van iPS-cellen en om geen humane embryo’s meer te gebruiken om nieuwe stamcellijnen te maken. Voor bestaande embryonale stamcellijnen zou een regeling getroffen kunnen worden.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 22 juni 2016

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.