Je leest:

Veeteelt als kraamkamer van ziektekiemen

Veeteelt als kraamkamer van ziektekiemen

Auteurs: en | 1 maart 2011

Dieren zijn een belangrijke bron van infectieziekten. De keerzijde van het steeds dichter op elkaar leven van mensen en dieren is de overdracht van ziekten van dier naar mens (en omgekeerd). De veeteelt heeft de mensheid doen kennis maken met de pokken en mazelen, met tuberculose, influenza, verkoudheidsvirussen en sars. Ook hebben veel menselijke parasieten hun oorsprong in gedomesticeerde dieren.

Dieren zijn een belangrijke bron van infectieziekten. Hondsdolheid is daarvan een voorbeeld. Het rabiësvirus kan worden overgedragen door een beet van een besmette hond, vos of vleermuis.

Sinds mensen, zo’n 15.000 jaar geleden, met het temmen van wolven de eerste schreden op het pad van de domesticatie van wilde dieren zetten, hebben zij geprobeerd talloze diersoorten naar hun hand te zetten. Niet altijd even succesvol, want sommige dieren laten zich niet temmen voor gebruik als voedsel, voor de productie van waardevolle grondstoffen, ter bescherming, als last- of trekdier of als compagnon.

Na de hond volgden schaap, geit, varken, koe, paard, waterbuffel, lama en kameel. Deze dieren kan de mens naar zijn hand zetten, maar er is ook een grote groep van dieren die zich weinig of niets door de mens laten vertellen, maar wel op georganiseerde schaal door hem worden gebruikt. Olifanten, kippen, eenden, kweekvissen, goudvissen, zijderupsen en bijen zijn daarvan voorbeelden.

De keerzijde van het steeds dichter op elkaar leven van mensen en dieren is de overdracht van ziekten van dier naar mens (en omgekeerd). De veeteelt heeft de mensheid doen kennis maken met de pokken en mazelen, met tuberculose, influenza, verkoud heidsvirussen en sars. Ook hebben veel menselijke parasieten hun oorsprong in gedomesticeerde dieren. Baasjes lijken meer op hun honden dan ze lief is: hond en mens hebben meer dan zestig ziekten gemeen.

De met de opkomst van de domesticatie van dieren en planten samenhangende nederzettingen hebben geleid tot dichtere menselijke populaties, die uitstekende condities vormden voor ziektekiemen om zich te vermenigvuldigen en te verspreiden, te muteren en zo een nieuwe gastheer te vinden in mensen.

Megastallen kunnen de overdracht van ziekten van dieren op mensen en het ongevoelig worden van ziektekiemen voor antibiotica bevorderen.
Dreamstime, via CC 1

Ratjetoe van virussen

De schaal waarop de veeteelt nu wordt beoefend, vergroot de uitwisseling van ziektekiemen tussen mens en dier en tussen dieren onderling. In Zuidoost-Azië bijvoorbeeld is het contact tussen mensen en dieren dermate intensief dat er hotspots ontstaan voor nieuwe infectieziekten.

Berucht is bijvoorbeeld de driehoeksverhouding die het influenzavirus daar heeft met eenden, varkens en mensen. Daardoor ontstaan steeds nieuwe griepvarianten die tot ernstige epidemieën, zelfs wereldwijde pandemieën, kunnen leiden.

Zulke plaatsen zijn ook te vinden in Indonesië en Afrika. Door het ratjetoe van virussen dat daar rondwaart, ontstaan soms voor de mens geheel nieuwe virussen, zoals het sarsvirus (Severe Acute Respiratory Syndrome) eind 2002. Zijn het in deze hotspots de intensieve contacten tussen mens en dier, die een bron van uitbraken van infectieziekten kunnen zijn, in de Westerse wereld en bij uitstek in Nederland, zijn het de enorme aantallen dieren die worden gehouden in de intensieve veehouderij. Er zijn inmiddels megastallen waar enkele duizenden zeugen, meer dan 10.000 vleesvarkens of vele tienduizenden tot enkele honderdduizenden kippen op één locatie worden gehouden.

Zo kunnen infectieziekten wel beter onder controle worden gehouden, maar als er iets mis gaat en een infectieziekte uitbreekt, dan gaat het ook goed mis. Daardoor, en door de enorm grote mobiliteit van zowel mensen als dieren (en voedsel), kan de verspreiding van een uitbraak snel gaan. Opeens waart het sarsvirus over de aardbol, is de bacteriële Q-koorts, verspreid via schapen en geiten, een probleem onder de bevolking in Brabant en lijkt er een explosie plaats te vinden van bacteriën die ongevoelig zijn voor belangrijke antibiotica.

Resistente bacteriën door goedkoop vlees

Dr. Merel Langelaar

De nationale en internationale concurrentie tussen veehouders is gigantisch. Consumenten eisen een gezond stuk vlees en een hoog dierenwelzijn, maar wel goedkoop. Gezonde dieren die tegen een stootje kunnen, leveren de beste producten. Dat is arbeidsintensief en duur vanwege optimale voeding, goede huisvesting, intensieve zorg. Daarom wordt de veehouderij steeds intensiever met meer dieren onder één dak en wordt er voortdurend bezuinigd.

Dat gaat ten koste van de gezondheid van de dieren, die wordt opgepept met veel antibiotica. Die zijn goedkoop, vereisen weinig arbeid en leveren op de korte termijn het gewenste resultaat: een niet-ziek, verkoopbaar dier. Door veelvuldig en vaak onzorgvuldig gebruik van antibiotica zijn veel bacteriën die op dieren huizen, resistent geworden tegen een heel scala aan antibiotica. Daardoor moeten dieren nu, net als mensen, dikwijls worden behandeld met duurdere varianten van antibiotica. Uiteindelijk wordt behandeling zelfs onmogelijk. Ook de volksgezondheid lijdt er onder.

Resistente dierlijke ziektekiemen kunnen ook mensen ziek maken, zoals de ziekenhuisbacterie MRSA of diverse salmonellasoorten. Zorgwekkender is dat bacteriën hun resistentiegenen kunnen doorgeven aan bacteriën die veel bij mensen voorkomen, zoals darmbacteriën. Deze resistentieproblematiek vraagt om snelle veranderingen van de huidige veehouderijsystemen en de bereidheid van consumenten meer voor hun karbonade te betalen.

Transport van kuikens

Nog steeds worden bedrijven snel groter en het maakt waarschijnlijk niet veel uit of er 10.000 of 100.000 kippen in een stal zitten. Met meer kleine bedrijven in plaats van één grote, neemt de controle af, want afzonderlijke bedrijven zorgen ook voor meer besmettingsbronnen en meer kans op een uitbraak onder de bevolking.

Maar de effecten van een infectieziekte zijn in een groot bedrijf wel veel groter dan in een klein bedrijf. Misschien niet vanuit het oogpunt van de volksgezondheid, wel vanuit het perspectief van de bedrijfsvoering en van het dierenwelzijn. Megabedrijven moeten ook op een andere manier in het landschap ingepast worden, dan nu het geval is. Nu liggen stallen vaak dicht bij de bebouwde kom, terwijl ze juist niet in de buurt van woonkernen gevestigd moeten worden. Dat vermindert de uitwisseling van micro-organismen tussen mens en dier.

Uitwisseling heeft ook plaats tussen regio’s. Er is een enorm transport van dieren en vlees over de aarde. Maar ook tussen landen, tussen bedrijven onderling en binnen bedrijven. Dat transport draagt bij tot de uitwisseling van ziekten en van bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica.

Wereldwijde verspreiding van salmonellavarianten onder runderen, varkens en kippen, en vervolgens naar de mens in de jaren ’90 is vooral ontstaan door het exporteren van besmette dieren vanuit West-Europa. Dierziekten en ziekten die van dier op mens overgaan, zijn weliswaar van alle tijden, maar doordat het handelsverkeer zo enorm is toegenomen, zijn ook de risico’s vergroot.

Landen kunnen een infectie in eigen land vaak nog wel onder controle hebben, maar import van buiten kan roet in het eten gooien. Niet alleen moet een oogje in het zeil worden gehouden bij het transport van dieren en het vervoer van mensen, ook de import en export van voedsel en dierlijke karkassen zijn belangrijk.

Resistentiegenen

Een bijzonder aspect is de resistentie tegen antibiotica. In de natuur komen antibiotica voor die worden geproduceerd door schimmels. Penicilline is daarvan het klassieke voorbeeld. Sommige bacteriën hebben in de loop der evolutie afweermechanismen ontwikkeld tegen deze voor hen schadelijke stoffen.

Sporadisch kwam die antibioticaresistentie al voor in het natuurlijke milieu waarin die schimmels voorkomen. Na de Tweede Wereldoorlog zijn (nieuwe typen van) antibiotica op grote schaal ontwikkeld en toegepast. Steeds wisten micro-organismen zich door het veranderen van hun DNA of het aan elkaar overdragen van stukjes DNA met ‘resistentiegenen’ te wapenen tegen de diverse klassen van antibiotica.

Niet alleen in de geneeskunde werden antibiotica gebruikt, ook in de veeteelt. Kleine hoeveelheden antibiotica stimuleren de groei van bijvoorbeeld runderen, kippen en varkens, wat sinds de jaren ’60 veel is toegepast in de intensieve veehouderij. Maar ook tegen uitbraken van infectieziekten in de steeds groter wordende stallen worden antibiotica veelvuldig (preventief) ingezet. Daardoor komen er in dieren en in het milieu vaak antibiotica voor en weten de bacteriën zich aan te passen.

Resistentiegenen worden van het ene micro-organisme op het andere doorgegeven en langzaam maar zeker zijn er steeds meer gebieden op aarde waar relatief veel bacteriën voorkomen die ongevoelig voor diverse antibiotica zijn geworden.

Overdracht van resistentiegenen. Genen die bacteriën ongevoelig maken voor antibiotica kunnen worden overgedragen van de ene bacterie op de andere (A); door virussen die bacteriën infecteren – bacteriofagen (B); en door het opnemen van vrije stukjes DNA ©.
Jos van den Broek, Leiden (bron: Tomo Narashima / Tane LLC)

Bekend zijn de resistente ziekenhuisbacterie methicilline resistente Stafylococcus aureus (MRSA) en sinds enkele jaren de resistente darmbacteriën die enzymen produceren die een groot scala van antibiotica afbreken. Voorbeelden van zulke resistentie-veroorzakende enzymen zijn ESBLs die bij mens en dier snel in aantal toenemen en NDM-1, een bacterie-enzym dat in West-Europa is geïntroduceerd via mensen die in India medische ingrepen ondergingen.

Zulke bacteriën doen gewoonlijk geen kwaad, maar zijn – als ze bijvoorbeeld een blaasontsteking of een ernstiger infectie veroorzaken – niet goed of soms helemaal niet te bestrijden met de gebruikelijke antibiotica. Er is een relatie aangetoond tussen het gebruik van antibiotica bij dieren en de aanwezigheid van bepaalde resistente micro-organismen bij de mens. Wat de mate van die relatie is en wat de precieze bijdrage is vanuit de veehouderij is nog onduidelijk.

Explosief mengsel

De resistentie-genen verplaatsen zich. Niet alleen van het ene gebied naar het andere, maar ook van het ene type micro-organisme naar het andere. Ze zitten inmiddels in het milieu, in de bodem. En dat is geen goed nieuws. Mensen komen overal en komen dus in contact met die organismen en krijgen dan ook resistente bacteriën binnen die zich in hun darm kunnen nestelen of die hun resistentie-genen uitwisselen met niet-resistente typen bacteriën in de darm.

Op dit moment is er nog veel onzeker over het effect van de intensieve interactie tussen mens en dier, het gebruik van antibiotica in de geneeskunde en de landbouw en veeteelt, en de enorme omvang van het vervoer van mensen en goederen op aarde. Veel mensen maken zich zorgen en luiden de noodklok, want er wordt een variatie aan zorgwekkende fenomenen waargenomen.

De toenemende resistentie tegen antibiotica en het ontstaan van nieuwe infectieuze varianten van micro-organismen, zoals sars, influenza en BSE (de gekkekoeienziekte) is een potentieel explosief mengsel. Welke invloed hebben de hotspots in Zuidoost-Azië en Afrika, de intensieve veehouderij en de enorme mobiliteit daarop? De druk in dat mengsel lijkt de laatste tien, twintig jaar snel te zijn opgebouwd. Dat heeft ook druk gezet op bijvoorbeeld de veehouderij. Alle betrokken partijen zijn zich inmiddels bewust van de risico’s en er wordt koortsachtig gewerkt aan methoden om zowel de risico’s rond de opkomende infectieziekten als het ontstaan van resistente microorganismen te kunnen controleren.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 01 maart 2011

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.