Je leest:

Van polygamie werden we oud

Van polygamie werden we oud

Arts en onderzoeker David van Bodegom van de Leyden Academy on Vitality and Ageing ging naar Ghana om onderzoek te doen naar de evolutionaire logica van veroudering. In een rurale samenleving op het platteland van Noord-Ghana ontdekte hij en passant de geheimen van een gezonde westerse oude dag.

Een van de gouden regels in de biologie sinds Darwin is dat alle eigenschappen van levende organismen hun nut of voordeel moeten hebben. Immers, nutteloze eigenschappen hebben een grote kans om door natuurlijke selectie uit de populatie te verdwijnen.

In dat licht bezien is het in eerste instantie moeilijk te verklaren waarom mensen na hun vruchtbare periode nog doorleven. Die vraag slaat met name op vrouwen die na de menopauze, ergens in het vijfde decennium van hun leven, ‘klaar’ zouden zijn met hun biologische taken. Ze hebben hun genen dan immers doorgegeven aan hun kinderen. Klaar! Of ze nou langer leven na de menopauze of korter, voor het doorgeven van hun genen, en dus voor de natuurlijke selectie, maakt dat op het eerste gezicht niet meer uit.

‘Op het eerste gezicht niet. Maar op het tweede wel’, corrigeert de Leidse onderzoeker dr. David van Bodegom. ‘Er is inderdaad heel lang gedacht dat ons lange leven geen natuurlijk fenomeen zou zijn, maar een bijverschijnsel van de verbeterde leefomstandigheden. Van nature zouden we rond ons veertigste sterven, maar dankzij zeep, schoon drinkwater en een goed werkend rioolstelsel zouden we onze eigen veroudering hebben verdiend.

Dat is niet zo. De lage levensverwachting uit vroeger tijden zit namelijk vooral in de hoge kindersterfte. Had je de eerste jaren overleefd, dan kon je ook vroeger al flink veel ouder worden dan de reproductieve leeftijd van veertig jaar van een vrouw. Ook als je in de laatste nog levende gemeenschappen van jager-verzamelaars kijkt zie je een aanzienlijk aantal mensen in een postreproductieve levensfase.’

Er zijn in het verleden verschillende theorieën bedacht om te verklaren waarom met name vrouwen langer leven dan hun reproductieve leeftijd. De eerste was de zogenoemde moederhypothese. Die ging ervan uit dat een vrouw die langer leeft meer energie kan steken in het opvoeden en beschermen van haar kinderen. Op die manier zou een langer levende moeder de overlevingskansen van haar kinderen, en daarmee de kansen van haar eigen genen, vergroten.

Later is die theorie zelfs uitgebreid tot de grootmoederhypothese. Het zou voor een vrouw niet alleen gunstig zijn om haar leven als moeder te rekken, maar zelfs om haar leven als grootmoeder zo lang mogelijk te maken. Een vrouw die niet alleen haar kinderen helpt bij het overleven, maar ook de kinderen van haar kinderen, die maakt optimaal gebruik van haar lange leven. Zo’n succesvolle vrouw geeft dus meer van haar genen door aan de twee volgende generaties dan een vrouw die genetisch geprogrammeerd is om jonger te sterven. Zie daar het nut van leven tot ver na de reproductieve leeftijd!

Het nut van grootmoeders: helpen bij de opvoeding.

Deze grootmoederhypothese was lange tijd erg populair in het verouderingsonderzoek. Onder andere in de registers van Scandinavische kerkgemeenschappen werd er ook onderbouwing voor gevonden. De families met de langst levende oma’s hadden gemiddeld inderdaad meer kinderen dan de families zonder oma’s of met oma’s die jonger stierven.

Maar de monogame Scandinavische kerkgemeenschap is nou niet meteen de setting die je je voorstelt bij de samenleving uit de tijd dat de evolutionaire selectie op veroudering in volle gang was. Uit antropologisch onderzoek is bekend dat mensen duizenden jaren terug vooral leefden in polygame, zogenoemde extended families: gemeenschappen van meerdere generaties met een patriarch aan het hoofd en daarbij verschillende vrouwen.

Bovendien gaat de grootmoederhypothese vooral uit van de rol van de vrouw, terwijl mannen tot op hoge leeftijd nog reproductief kunnen zijn. En ook de effecten van sociaaleconomische status waren in de oude onderzoeken naar de grootmoederhypothes niet meegenomen. Vandaar dat Van Bodegom die hypothese wilde toetsen in een meer ‘originele’ menselijke samenleving. ‘Omdat collega’s van de Universiteit in Leiden daar al veldwerk hadden lopen, kozen we voor een sedentaire gemeenschap van polygame boerenfamilies in Noord-Ghana voor ons onderzoek.’

138 jaar oude mensen

Van Bodegom en zijn collega’s bezochten diverse keren het Garu-Tempane district, een gebied van bijna 400 vierkante kilometer in het noorden van Ghana. Daar bezochten ze kleine boeren nederzettingen: groepjes lemen hutjes waar een landlord woont met één, twee, drie of in heel succesvolle gevallen vier vrouwen, hun kinderen en wat vee. In totaal spraken zij met bijna 29 duizend mensen in veertig dorpjes. De belangrijkste vragen: “hoe oud bent u en hoeveel kinderen heeft u?”

“Die vraag klinkt makkelijker dan hij is”, lacht Van Bodegom. “Ik herinner me een oudere man die doodleuk antwoordde dat hij 138 jaar oud was. Toen ik hem vervolgens vroeg wanneer hij dan geboren was, wist hij alleen dat het op een vrijdag was, maar niet in welk jaar. De leeftijden bevatten dus, zacht gezegd, een zekere marge.”

Met de antwoorden en de onzekerheden in de hand schetsten de onderzoekers een heel basale burgerlijke stand van de regio, met gezinsverbanden leeftijden en aantallen nakomelingen. Na statistische analyse kwamen daar enkele opmerkelijke gegevens uit.

Van Bodegom: “Inderdaad vonden wij dat de aanwezigheid van een ‘postreproductieve vrouw’ in een familie 2,3% meer kinderen opleverde; zoals de grootmoederhypothese voorspelt. Maar een veel groter effect liep langs de mannelijke lijn. Bijna een vijfde deel van de kinderen bleek verwekt door mannen boven de vijftig. Dat is te begrijpen als je bedenkt hoe de mannen trouwen. Een vrouw is een kostbaar bezit. Voor een vrouw moet je haar vader drie koeien betalen. Daarna moet je weer een tijd sparen en na verloop van tijd kun je weer een vrouw ‘kopen’ voor nog eens drie koeien. Op die manier loont het, evolutionair gesproken, voor een man dus om zo oud mogelijk te worden en steeds een jonge vruchtbare vrouw te trouwen. Er was daarmee een veel sterker effect van de polygamie op het reproductieve succes, dan van de aanwezigheid van een grootmoeder. Zo bezien liften vrouwen, genetisch gesproken, mee op het evolutionaire succes van de meest reproductieve mannen. Dat we zo oud worden is, eenvoudig gezegd, te danken aan polygamie.”

Wie in de wetenschap heilige huisjes wil slechten kan weerstand verwachten. Dus zoals Van Bodegom zijn bezwaren had tegen de aselecte steekproef onder de Scandinavische kerkgemeenschappen om de grootmoederhypothese te ondersteunen, zo ondervond ook hij de nodige tegenwind op de verschillende podia waar hij zijn ‘polygamiehypothese’ presenteerde. “Ik had ook niet verwacht dat de wetenschappelijke gemeenschap mijn bevindingen meteen zou omarmen. Er werd bijvoorbeeld gezegd dat mijn keuze voor een sedentaire landbouwgemeenschap nog steeds niet overeenkomt met de gemeenschappen van jagerverzamelaars waarbinnen de evolutionaire selectie op veroudering zou hebben plaatsgevonden. Dat is natuurlijk waar, maar ik ben denk ik een stuk dichter “bij de natuur” gebleven dan de onderzoekers uit Scandinavië.”

Alfamannetjes krijgen zonen

Onlangs kon Van Bodegom nog een publicatie presenteren die opvallende natuurlijke mechanismen blootlegde in de Noord-Ghanese boeren gemeenschappen. ‘Uit onze gegevens blijkt dat succesvolle groepen met een hogere sociaaleconomische status relatief meer jongetjes voortbrengen, terwijl de groepen uit lagere klassen juist meer meisjes krijgen. In de biologie staat dat bekend als het Trivers- Willard effect.

Bij herten lieten evolutionair biologen Robert Trivers en Dan Willard ooit zien dat een mannetje dat succesvol is volop aan voortplanting toekomt. Dan is het dus ook evolutionair zinvol om veel jongens te produceren die zelf ook weer een goede kans maken om op te groeien tot reproductieve alfamannetjes.

Minder succesvolle individuen kunnen beter vrouwelijke nakomelingen krijgen. Een minder succesvol mannetje loopt immers een grote kans “voor niets” op te groeien, omdat hij niet aan reproductie toe komt. Een ranglager vrouwtje kan altijd nog gedekt worden door de alfaman en zo ook haar genen doorgeven. Wij zagen een vergelijkbaar effect onder meer of minder succesvolle families in Ghana. Hoe groter het succes, hoe meer zonen, hoe lager de status, hoe meer dochters.’

Wat de precieze biologie is achter dit fenomeen durft Van Bodegom niet te zeggen. “Voor een deel komt dat door de onzekerheid in onze meetgegevens. We waren er niet bij toen al die kinderen in onze onderzoeksgroep werden geboren en we weten dus ook niet of er misschien meer jongetjes zijn geboren in de lagere klassen die eerder zijn overleden. We zagen alleen dat er op de meetmomenten meer jongetjes voorkwamen in de rijkere families. Dat zou bijvoorbeeld kunnen komen doordat jongetjes algemeen een lagere levensverwachting hebben. De lagere levensverwachting van mannen komt niet alleen doordat ze in de puberteit risicovoller leven of in de volwassenheid zwaarder werk doen. Ook als baby en als jong kind is de overlevingskans van een jongetje iets lager dan van een meisje. Wellicht dat daardoor de effectieve overleving van jongetjes in arme gezinnen meetbaar lager is. Maar ik laat die vragen graag aan volgende onderzoekers. Net als het herhalen van onze metingen in gemeenschappen van jagerverzamelaars, om te zien of daar ook een sterk evolutionair effect is van de polygame mannen.”

Hoe indrukwekkender hij brult, hoe meer het edelhert paart.

Het onderzoek van Van Bodegom en collega’s laat zien dat ook de sociaaleconomische status van belang kan zijn bij de evolutie van de mens. Evolutie wordt doorgaans uitgelegd met behulp van natuurlijke selectie: individuen met gunstige mutaties voor reproductie hebben het meeste succes. “Dit onderzoek laat zien dat ook niet-genetische erfelijkheid een rol kan spelen. Kinderen die rijkdom erven via de vader kunnen zelf ook makkelijk meer kinderen krijgen.”

Lessen voor gezond ouder worden uit Afrika

Behalve een evolutionair theoretische exercitie rond het nut van oud worden, leverde het veldwerk van David van Bodegom in Ghana hem ook enkele belangrijke praktische lessen over veroudering. “In de lange tijd die ik in Ghana heb doorgebracht heb ik ook naar de algemene kenmerken van veroudering bij de lokale bevolking gekeken. Zoals gezegd is de gemiddelde levensverwachting hier natuurlijk lager, maar dat zit dus voor een belangrijk deel in de hoge kindersterfte. Er zijn daar net zo goed mensen die 80 of 90 jaar oud worden. Maar waar gaan die dan aan dood? Krijgen zij bijvoorbeeld ook net zo veel hart- en vaatziekten als westerse ouderen?”

Met een draagbare generator en een ECG-apparaat maakten Van Bodegom en zijn collega’s grote hoeveelheden hartfilmpjes van oude Ghanezen. “Toch wel enigszins tot onze verbazing zagen we bij die ouderen nauwelijks hart- en vaatproblemen. Boezemfibrilleren? Hier komt dat al gauw bij 10% van de ouderen voor. In Ghana zagen we het niet of nauwelijks. De oudere Ghanezen leerden ons dat veroudering heel goed mogelijk is zonder de ouderdomsziekten die wij hier hebben. Veroudering is dus een plastisch proces, waarvan de kwaliteit sterk wordt beïnvloed door de levensstijl.”

Gouden tijd voor preventie

Waar de Ghanezen opvallend weinig welvaartsziekten onder de leden hadden, gingen ze wel dood aan infectieziekten, vertelt Van Bodegom. “Bij gebrek aan goede patiëntendossiers of post mortem onderzoek moesten we dat achterhalen met behulp van zogenoemde ‘verbale autopsie’. De mensen die betrokken waren geweest bij de verzorging van de ouderen op hun sterfbed kun je vragen of de patiënt bijvoorbeeld geel zag, of hij of zij erg moest hoesten en meer van dat soort vragen. Dat systeem is door de WHO gevalideerd als een redelijk betrouwbare methode om een indruk te krijgen van de doodsoorzaak. De conclusie was duidelijk: waar wij de Ghanezen kunnen helpen met het terugdringen van infectieziekten, vooral onder kinderen, kunnen zij ons veel leren over gezond ouder worden.”

Het is nu de gouden tijd voor ziektepreventie in Afrika, zegt Van Bodegom. “In de landen waar de welvaart stijgt, zoals Ghana, stopt een ziekte als malaria bijna vanzelf, daar hoef je niet veel voor te doen. Malaria is in de praktijk een ziekte van armoede die tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw ook nog in Nederland voor kwam. Het beste medicijn tegen malaria is dan ook het bevorderen van de welvaart. Maar om te voorkomen dat in die landen met een stijgende welvaart ook de bijbehorende welvaartsziekten de kop op steken zoals bij ons, zul je nu moeten zorgen dat mensen bijvoorbeeld niet gaan roken.”

De lessen uit Ghana zet Van Bodegom ook in bij zijn werk aan preventieve gezondheidszorg in Nederland, voor de Leyden Academy on Vitality and Ageing. “Een Nederlandse arts loopt in mijn optiek vooral achter de feiten aan. Tegen de tijd dat iemand met een serieus probleem bij de huisarts komt, komt dat in veel gevallen door een levensstijl die in de vele jaren daarvoor al mis is gelopen. De Ghanese ouderen bewijzen dat je met een andere levensstijl helemaal geen hart- en vaatproblemen, obesitas of diabetes hoeft te krijgen. Ik werk nu dan ook vooral aan projecten die tot doel hebben de mensen weer aan het bewegen te krijgen. Want daar zit volgens mij de sleutel; niet eens zozeer in te veel en te vet eten. Kinderen van nu krijgen nota bene minder calorieën binnen dan jaren terug. Maar ze zijn zo verschrikkelijk passief geworden. En zittend achter onze computers aan onze bureaus geven wij ze als volwassenen natuurlijk ook niet bepaald het goede voorbeeld!”

De bloeddruk is eenvoudig zelf te meten.

Weg bij de dokters

Om preventieve gezondheidszorg echt effectief te laten zijn zou Van Bodegom die taak het liefst bij de artsen weghalen. “Aan de dokter kleeft toch vooral het opgeheven vingertje: ‘U moet meer fruit eten, u moet minder drinken, u moet zus, u moet zo…’ Daar worden mensen obstinaat van. Ik denk dat mensen heel goed zelf in staat zijn om bijvoorbeeld hun bloeddruk in de gaten te houden. Kijk maar naar mensen met diabetes. Die zijn toch ook prima in staat om zelf hun bloedglucose te meten en zichzelf insuline toe te dienen? Ze controleren hun ziekte daarmee beter dan toen die taken nog allemaal bij de dokters lagen. En dan is insuline ook nog eens een potentieel dodelijk medicijn als je het verkeerd gebruikt. Denk je dan niet dat mensen zoiets relatief eenvoudigs als hun bloeddruk kunnen beheersen? Met een goedkope bloeddrukmeter van de drogist en met bijvoorbeeld een app of een computerprogrammaatje moeten mensen te verleiden zijn tot een gezonde ‘Ghanese’ ouderdom”, denkt Van Bodegom.

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 18 juni 2013
NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.