Je leest:

Van bladerlaag tot tekenbeet

Van bladerlaag tot tekenbeet

Sinds mensenheugenis geven teken overlast aan mens en dier. Zelfs al ver vóór mensenheugenis: in meer dan vijftig miljoen jaar oud barnsteen zijn teken gevonden.

Pas sinds het begin van de 20e eeuw worden teken, behalve als vervelende bijters, gezien als overdrager van ziekten bij mens en dier. En dat doen ze met succes, want ze worden inmiddels beschouwd als de diersoort die de grootste diversiteit aan ziekmakende virussen, bacteriën en protozoën (eencellige diertjes) kan overdragen. Daarmee laten de spinachtige teken bijvoorbeeld muggen en andere insecten ver achter zich. Het is niet zo gek dat er teken zijn gevonden in het gestolde hars dat barnsteen vormt, want veel tekensoorten kruipen vanuit de bodem omhoog in de vegetatie om daar geduldig te wachten op een passerende gastheer. Dan kan het gebeuren dat een onfortuinlijke teek door een druppel hars wordt ingesloten en later is versteend.

Schapenteken zuigen ook bloed bij egels en kunnen zo lymebacteriën doorgeven.
Wikimedia Commons

In Europa is de schapenteek Ixodes ricinus de hoofdverantwoordelijke voor de ziekte van Lyme – van Zweden tot Marokko en van Portugal tot Litouwen. Op het noordelijk halfrond van Azië en Amerika worden de ziekmakende bacteriën, Borrelia burgdorferi, niet door schapenteken, maar door nauw verwante soorten overgedragen. In de Benelux komen ten minste 15 tekensoorten voor die overleven op het bloed van gewervelde dieren. De meeste van deze tekensoorten komen alleen voor in het nest van bepaalde dieren en zal men niet vaak tegenkomen. Er zijn ook soorten die dichterbij de menselijke leefomgeving bloed zuigen, zoals in zwaluwnesten, op egels en op huisdieren. Maar de schapenteek heeft, door haar specifieke wijze waarop ze haar gastheer zoekt, de grootste kans een mensenbeen vast te grijpen, in plaats van de dierenpoot. Gelukkig is niet iedere teek een soort injectienaald die bij elke beet Borrelia-bacteriën in mens en dier spuit. Want lang niet alle tekensoorten komen in contact met diersoorten die zijn besmet met Borrelia. Bovendien missen de meeste tekensoorten de specifieke mechanismen die een schapenteek zo geschikt maakt voor de overdracht van Borrelia-bacteriën (zie het kader).

Speciale rol voor vogels

Teken die zich voeden met vogelbloed, kunnen over grote afstanden worden verplaatst.

Diederik van Goethem / B en U, Diemen

Vogels hebben een speciale rol in de ecologie van de ziekte van Lyme. Teken verplaatsen zich op eigen kracht waarschijnlijk niet veel verder dan één meter vanaf de plaats waar ze uit hun ei zijn gekropen of zijn verveld. Voor hun verspreiding zijn teken afhankelijk van hun gastheren. Vogels maken transport over lange afstand mogelijk. Een trekvogel kan in één week, terwijl de teek zich voedt, een enorme afstand afleggen. Ook standvogels, die niet trekken, zoals merels, spelen in Nederland een belangrijke rol. Door de manier waarop ze fourageren, pikken ze gemakkelijk teken op uit de ondergroei. Via vogels kunnen teken terecht komen op geïsoleerde plekken, zoals in tuinen. Of het dan blijft bij een eenmalige introductie of dat de teken zich blijvend vestigen, hangt af van de overige gastheren en de kwaliteit van de omgeving ter plekke.

Teek in het groen

De schapenteek komt voor in ‘het groen’, zoals bossen, struikachtige vegetatie en schaduwrijke heide. Deze teken hebben behoefte aan een goed ontwikkelde strooisellaag, een hoge luchtvochtigheid en bepaalde gastheren. Als een van deze factoren ontbreekt, is het voor hen moeilijk om te overleven. In Nederland zijn veel plekken met gunstige omstandigheden voor schapenteken, zoals vrijwel alle bossen, struikgewas in duinen, stadsparken en vele tuinen.

Schapenteken kennen drie actieve levensstadia: larven, nimfen en volwassenen (adulten). Voor iedere stap naar een volgend levensstadium – waarbij het dier ‘vervelt’ – is één bloedmaaltijd nodig. Daarbuiten eten en drinken teken niets. Bij deze bloedmaaltijden, die op een scala aan zoogdieren en vogels, maar ook op reptielen kunnen plaatsvinden, kan de teek onder meer besmet raken met verschillende soorten van de Borreliabacterie. Niet alle dieren dragen Borrelia over op teken. De teken raken vooral besmet als ze kleinere dieren zoals knaagdieren en zangvogels bijten. Grotere dieren, zoals reeën, kunnen wel veel teken tegelijk voeden, maar dragen geen Borrelia over op de teken. Ze zijn wel belangrijk voor het in stand houden van de tekenpopulatie.

Dr. Fedor Gassner, RIVM

Levenscyclus van de teek

In 2 tot 6 jaar ontstaat uit een eitje een volwassen teek. Uit het eitje, dat het vrouwtje in de strooisellaag van de bodem legt, komt een larve. Deze gaat op zoek naar een bloedmaaltijd bij vooral kleine knaagdieren en vogels. Na de maaltijd verstopt de larve zich en verpopt tot een nimf – een wat groter teekje. Ook deze heeft een bloedmaaltijd nodig en zoekt die vooral op wat grotere dieren als egels, konijnen en herten en op mensen. Na een tweede vervelling verschijnt de adult – de volwassen teek. Het mannetje kan meerdere vrouwtjes bevruchten, maar drinkt geen bloed. Het vrouwtje zoekt een nieuwe bloedmaaltijd bij de grotere knaagdieren, vogels, egels en vooral grotere hoefdieren zoals herten. Vervolgens legt het vrouwtje een pakket van ongeveer 2.000 eieren. Het vrouwtje sterft na de eileg en de cyclus begint opnieuw. Mensen kunnen door alle stadia gebeten worden.

Op jacht naar een bloedmaaltijd

Schapenteken vinden hun bloedmaaltijd door geduldig in de ondergroei te wachten op een voorbijganger. Teken lopen niet veel in het horizontale vlak, maar klimmen soms meerdere keren per dag tot anderhalve meter omhoog en omlaag in de vegetatie. Zo kunnen ze vanuit een gunstige positie een passerend dier vastgrijpen. Anders dan veel mensen denken, kunnen teken niet springen. En ze laten zich ook slechts zelden uit een boom vallen, waarschijnlijk alleen vanuit een vogelnest. Feitelijk belagen alle schapenteken hun slachtoffer van onderaf.

Door geuren, geluid of trillingen merkt de teek dat een gastheer in de buurt komt. Met het orgaan van Haller in de voorste poten, kan hij de gastheer waarnemen. Met deze twee pootjes uitgestoken, zit de teek te wachten op zijn gastheer, wat ‘questing’ wordt genoemd. De hoogte waarop teken in de vegetatie worden aangetroffen, verschilt per levensstadium en correspondeert vaak met de diersoort die de teek zoekt. Een larve zit vooral dicht bij de bodem waar de kans op het treffen van kleine knaagdieren, reptielen en voedselzoekende vogels groot is. Een volwassen teek, die vooral op grotere zoogdieren parasiteert, kan wel anderhalve meter hoog in de struiken zitten. Behalve vanwege een voorkeur voor kleine gastheren kunnen teken ook een lager punt dan normaal zoeken om op hun prooi te wachten doordat de lucht erg droog is. Soms blijven ze dan zelfs in het strooisel.

Een hongerige schapenteek zit te wachten tot er een dier of mens langskomt (questing genoemd). Met de gespreide voorpootjes kan het dier zeer gevoelig geuren waarnemen.
C. van Amersfoort

Een andere techniek die teken toepassen, is die van de jager. Dat doen ze in droge gebieden met weinig vegetatie. Ze zitten dan in de bodem en komen te voorschijn als er een gastheer in buurt komt. Dan rennen ze erheen. Teken die deze strategie volgen, komen in Nederland niet voor.

Eén meter per minuut

Als teken een hertenpoot of een broekspijp vastgrijpen, lopen ze omhoog tot ze een aangenaam plekje vinden om zich vast te bijten. Een hongerige teek kan één meter per minuut afleggen. Teken zijn ook enorm geduldig, elk stadium kan een jaar lang zonder voedsel. Mocht een teek in de kleding blijven zitten, dan kan hij een dag of vijf lang bijten. Blijft het diertje langer binnenshuis, dan droogt het uit. Want droogte is de grootste vijand van teken. Bij een luchtvochtigheid van minder dan 80 procent drogen ze in enkele dagen uit, doordat ze dan geen waterdamp uit de lucht kunnen opnemen. In huis overleven ze daarom slechts een dag of vijf. Ook kou beperkt de activiteit van teken. Is het kouder dan vier graden Celsius dan zijn ze inactief. Nederlandse teken voelen zich het best bij 20 graden Celsius. Toch kunnen ze ook op een koude winterse dag profiteren van wat zonnestralen op de bosbodem, waardoor een voor teken aangenaam microklimaat kan ontstaan. Hoewel ze niet actief zijn, kunnen teken wel overleven bij temperaturen onder nul, mits de vorst niet te plotseling invalt. Teken zijn niet gek op warm weer, want dan is ook het risico op droge omstandigheden groot. Dat is bijvoorbeeld het geval boven een kale zanderige bodem of boven gras dat kort is gemaaid of begraasd.

Behalve deze vrij levende teken, zijn er ook teken die in nesten, burchten en andere schuilplaatsen voor dieren leven. De egelteek en andere tekensoorten die op vogels en vleermuizen leven, zijn daarvan voorbeelden. Deze teken blijven in het nest wachten totdat een gastheer terugkeert en laten zich zelfs door hun gastheer naar andere nesten transporteren.

Levenscyclus van de schapenteek

Teken leggen hun eitjes in de strooisellaag, de laag verterende bladeren op de bodem. De larven die daaruit kruipen, gaan in de lagere ondergroei dicht bij de bodem op zoek naar hun eerste bloedmaaltijd. Bij voorkeur bij kleine dieren, zoals zangvogels en muizen. Tijdens deze maaltijd, die drie tot zeven dagen duurt, kunnen de larven, die doorgaans onbesmet uit hun ei kruipen, voor het eerst besmet raken met Borrelia-bacteriën. Na de eerste bloedmaaltijd laat de teek zich van zijn gastheer vallen en kruipt hij de strooisellaag in om te vervellen. Die vervelling kan enkele maanden duren, wat afhangt van onder meer de daglengte en de temperatuur.

Gedurende enkele jaren ontwikkelt de teek zich van een larve (geheel links) via de nimf (tweede van links) tot een volwassen teek (derde van links het mannetje, geheel rechts het vrouwtje). Tussen elk stadium zit een vervelling en een bloedmaaltijd.
Dr. Fedor Gassner, RIVM

Na de vervelling tot het volgende levensstadium gaat de teek als zogeheten nimf weer op zoek naar een volgende bloedmaaltijd. Ook deze maaltijd duurt een kleine week. Nimfen zijn niet kieskeurig wat hun gastheer betreft. Als eerder geïnfecteerde nimfen zich tegoed doen aan het bloed van muizen en zangvogels kunnen ze deze besmetten met Borrelia. En nimfen kunnen opnieuw besmet raken als hun gastheer besmet is. Na de bloedmaaltijd en de daaropvolgende tweede vervelling, kruipt na een aantal maanden een volwassen teek tevoorschijn. Dan is ook voor het eerst te zien is of het een mannetje of vrouwtje is. Mannetjes zoeken in de vegetatie en zelfs op hun gastheer naar vrouwtjes om te paren, het liefst met meerdere vrouwtjes. De mannetjes bijten niet en zijn dan ook geen risico voor mensen. De vrouwtjes, die duidelijk zijn te herkennen aan hun platte rode achterlijf, gaan op zoek naar grote gastheren, zoals herkauwers, fazanten en hazen. Tijdens haar bloedmaaltijd zwelt ze op tot wel honderd maal haar leeggewicht. Een paar dagen tot weken na de maaltijd zet het vrouwtje een cluster van ongeveer tweeduizend eitjes af in de strooisellaag. Daarna sterft ze.

Een vrouwtjesteek legt wel 2.000 eitjes in een pakket.
Dreamstime

Uit dit pakket van eitjes kruipen na een paar maanden de larven uit de bodem, soms met honderden tegelijk op één plek. Naar schatting overleven van elke 2.000 eitjes slechts 200 larven, waarvan gemiddeld 20 het nimfstadium bereiken en uiteindelijk twee uitgroeien tot volwassen teken. De rest valt ten prooi aan uitdroging, vorst en verhongering of wordt opgegeten. Afhankelijk van het klimaat en de beschikbare gastheren duurt het twee tot zes jaar voor een eitje een volwassen teek is geworden. In West-Europa duurt het ongeveer drie jaar. Zowel de larven en nimfen als de volwassen vrouwtjes kunnen mensen bijten, maar de larven zijn bijna altijd onbesmet en kunnen geen lymeziekte veroorzaken. Het grootste risico vormen de nimfen. Want, hoewel ze in Nederland iets minder vaak besmet zijn met Borrelia dan volwassen teken – die immers één bloedmaaltijd meer hebben genuttigd – zijn er veel meer nimfen dan volwassen teken.

Sommige teken, zoals de egelteek, parasiteren ook op vogels en houden zich schuil in hun nest, zoals van deze pimpelmezen.
Shutterstock

Gedrag gastheer bepaalt de teek

Het gedrag van de teek en de plek waar deze voorkomt geven aanwijzingen voor de kans dat mensen en dieren een tekenbeet oplopen. Zo kan een mees overdag tijdens het foerageren de vrij levende schapenteek oppikken en ’s nachts, rustend op het nest, belaagd worden door de nestgebonden I. Arboricola. Iemand die tuiniert, zal eerder in contact komen met de in bovengrondse nesten levende egelteek, dan een wandelaar. Wandelaars en tuiniers komen weer gemakkelijk in contact met de schapenteek, maar zelden met I. Arboricola. En de kans dat iemand die bramen of bosbessen plukt een schapenteek oploopt is weer een stuk groter dan voor de wandelaar die op de paden blijft.

Zie ook:

Dit artikel is een publicatie van Stichting Biowetenschappen en Maatschappij.
© Stichting Biowetenschappen en Maatschappij, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 16 maart 2012

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.