Je leest:

Uniformiteit en diversiteit in het Nederlands

Uniformiteit en diversiteit in het Nederlands

Auteur: | 15 november 2006

Taalhistorisch onderzoek in Europees perspectief is in het kort een definitie van de invulling die prof.dr. Marijke van der Wal geeft aan de KNAW-Mullerleerstoel, geschiedenis van het Nederlands. Van der Wal bekleedt deze bijzondere leerstoel sinds januari van dit jaar. Vrijdag 17 november houdt ze haar inaugurele rede.

Interne en externe taalgeschiedenis

Van der Wal vult de beoefening van de geschiedenis van het Nederlands breed in, door zowel de interne als externe taalgeschiedenis te bestuderen. ‘Aan de ene kant kijk ik naar de oudere taalstadia en de veranderingen die daarin plaatsvinden, en aan de andere kant naar de externe factoren die een rol spelen.’ Die externe factoren zijn bijvoorbeeld politieke en culturele invloeden, maar ook het onderwijs, grammatica’s en taaltheorieën, die onderzocht worden binnen de historiografie van de taalwetenschap.

Marijke van der Wal: ‘Ik moet altijd een beetje glimlachen over dat gedoe om het Engels.’

Codificatie

‘Eigenlijk heb ik steeds min of meer tussen de interne en externe taalgeschiedenis gependeld’, vertelt Van der Wal. ‘Maar ik heb die twee ook regelmatig gecombineerd.’ Een voorbeeld van zo’n combinatie is het standaardisatieonderzoek. ‘De standaardisatie is een ontwikkeling die zich in diverse West-Europese landen door de eeuwen heen heeft voltrokken. De taal verandert in de richting van een standaard, en daar is ook codificatie bij betrokken, het vastleggen van taalregels en taalnormen in grammatica’s en woordenboeken. Dan rijst de vraag wat er nu eigenlijk staat in die grammatica’s, hoe zich dat verhoudt tot het taalgebruik op dat moment en wat de uitwerking daarvan is op taalgebruikers die standaardtaal willen schrijven.’

Functioneren van de taal

Ook het functioneren van de taal in verschillende domeinen speelt een belangrijke rol in het standaardisatieproces. Het Nederlands functioneerde in de middeleeuwen anders dan in de zestiende of zeventiende eeuw. In de middeleeuwen speelt bijvoorbeeld het Latijn een belangrijke rol en in andere perioden is dat het Frans. Nu is dat het Engels. Van der Wal: ‘Ik moet daar altijd een beetje om glimlachen over dat gedoe om het Engels. In feite gold vroeger hetzelfde voor het Frans, allerlei Franse woorden zijn indertijd in het Nederlands terechtgekomen.’

Taalverandering

Is er een periode waarin taalverandering in het Nederlands sneller is gegaan dan in andere perioden? Van der Wal: ‘Dat is eigenlijk een lastige en intrigerende vraag, die ik volgend semester ook in een onderzoeksgroep aan de orde wil stellen. Misschien gaat de verandering in de woordenschat iets sneller in vergelijking met vorige perioden. Als er veel verandert in het dagelijkse leven, dan verandert er ook veel in de woordenschat. Toch zijn er veel processen in taal die eeuwenlang duren en nu echt niet opeens veel sneller gaan.’

Titelpagina van Arnold Moonens Spraekkunst, een voorbeeld van een normerende grammatica uit het begin van de achttiende eeuw.

Taalcontact

‘Een interessant voorbeeld hierbij, dat wel even van het Nederlands af gaat, is het Gotisch. Het Gotisch is de oudst bewaarde Germaanse taal en je zou verwachten: hoe ouder hoe meer oude kenmerken. Maar in het Gotisch vind je nu juist allerlei nieuwe vereenvoudigingen. De in 2002 overleden germanist Frans van Coetsem zoekt een verklaring voor dat snelle tempo van taalverandering in het Gotisch in sociale factoren: het feit dat de Goten een sterk migrerend volk waren en bovendien gericht op de jeugd. Er is overigens ook de factor taalcontact die bij het ontstaan van vereenvoudigingen een rol heeft gespeeld. In het Oud-Noors ligt dat anders en dat het moderne IJslands archaïscher is dan de andere Scandinavische talen wordt wel toegeschreven aan het isolement van die taal.’

Millenniumwisseling

Omdat Van der Wal al een lange tijd in het vak zit, heeft ze zich al op diverse perioden gericht. ’Ik heb er altijd van gehouden om tijdperken en onderwerpen af te wisselen. Mijn proefschrift ging over Middelnederlands met een uitloop naar de zestiende en zeventiende eeuw, en was voornamelijk vergelijkend met andere Germaanse talen. Terwijl het standaardisatieproces speelt van de tweede helft van de zestiende tot het begin van de twintigste eeuw. Op dit moment houd ik me vooral bezig met de achttiende en negentiende eeuw. Bij de millenniumwisseling heb ik ook, samen met collega Ariane van Santen, een onderzoeksgroep gegeven over de taalveranderingen van de twintigste eeuw.

Perspectiefwisseling

Van der Wal richt zich tegenwoordig op wat in de internationale discussie the language history from below wordt genoemd. Zij werkt daarbij samen met historisch taalkundigen van andere talen. Na het succesvolle standaardisatieonderzoek is langzamerhand een perspectiefwisseling opgetreden. Van der Wal: ‘We hebben nu een goed beeld van hoe de standaardisatie voor de verschillende talen is verlopen. In dat onderzoek keken we naar de ontwikkelingen naar uniformiteit in veelal het taalgebruik van hogere sociale lagen, maar er was juist ook veel diversiteit. Nu zitten we in een fase waarin we daar aandacht voor krijgen en ons richten op het taalgebruik van de lagere en middenklassen.’

Oude brieven vormen als egodocument een schat voor het taalkundig onderzoek. Op de foto een pak zogenoemde sailing letters. (Met dank aan Roelof van Gelder & de Koninklijke Bibliotheek).

Egodocumenten

Juist dat taalgebruik kan erg interessant zijn voor het registreren van veranderingen die in een bepaalde periode aan de gang zijn, maar pas na verloop van tijd opduiken in gedrukte teksten. Van der Wal: ‘De grote vraag is dan natuurlijk waar je dat materiaal vandaan moet halen. Je kunt je zelfs afvragen of dat materiaal wel in voldoende mate is overgeleverd, want hoeveel mensen schreven nu in die tijd?’ Databases van gedrukte teksten zijn dus niet voldoende. ‘Dan moet je de archieven in’, zegt Van der Wal. Een veelbelovend genre zijn egodocumenten, zoals dagboeken en brieven. Cultuurhistorici hebben al veel met die bronnen gedaan, maar taalkundig zijn ze nauwelijks geëxploreerd. De ‘sailing letters’, in oorlogstijden door Engelse kapers buitgemaakte Nederlandse brieven, zijn ook schitterend onderzoeksmateriaal. Welke verrassende perspectieven die egodocumenten opleveren voor de geschiedenis van het Nederlands zal ik in mijn oratie laten zien’.

Dit artikel is een publicatie van Universiteit Leiden.
© Universiteit Leiden, alle rechten voorbehouden
Dit artikel publiceerde NEMO Kennislink op 15 november 2006

Discussieer mee

0

Vragen, opmerkingen of bijdragen over dit artikel of het onderwerp? Neem deel aan de discussie.

NEMO Kennislink nieuwsbrief
Ontvang elke week onze nieuwsbrief met het laatste nieuws uit de wetenschap.