UMTS-masten zijn (on)gevaarlijk

De plaatsing van UMTS-masten heeft tot een fel debat geleid. In dit debat staan onzekere risico’s van innovaties centraal. Om deze risico’s te lijf te gaan, kan het beste begonnen worden bij groepen burgers die niet bang zijn voor die masten.

door

Telecombedrijven hebben voor veel geld UMTS-licenties gekocht. Maar veel gemeenten weigerden vergunningen vanwege maatschappelijke onrust over gezondheidseffecten van electromagnetische straling. Betrokken partijen keken reikhalzend uit naar de resultaten van het “Zwitserse onderzoek”. Onafhankelijke super-experts uit het ‘neutrale’ land zouden voor eens en altijd de prangende vraag beantwoorden: “Zijn UMTS-masten ongezond?”.

De conclusie van het op 6 juni gepubliceerde onderzoek luidt: “In tegenstelling tot een recente Nederlandse studie (verwezen wordt naar onderzoek van TNO), kunnen wij een korte termijn effect op welzijn van blootstelling aan straling zoals die van UMTS basisstations niet bevestigen”. Deze typisch academische formulering voedde krantenkoppen als “Straling van UMTS mast onschadelijk”. Staatssecretaris van Geel concludeerde dat er voor gemeenten nu geen belemmeringen meer zijn. Het pleit is dus beslecht.

Of toch niet? Bij UMTS masten is sprake van “onzekere risico’s”: er is geen definitief bewijs dat de risico’s bestaan, maar ook geen absoluut bewijs dat het onzin is. Nieuwe technologie creeërt omstandigheden waarmee we geen ervaring hebben. Innovatie produceert dus onzekerheid. Toch is de reflex: als we het niet zeker weten, dan is er dus gevaar. En dat willen we dan graag zeker weten. En dus wordt van experts verwacht, of zelfs geëist, dat zij zekerheid over onzekere risico’s bieden. Ook al doen sommige experts alsof, ze kunnen het niet. Hoe graag de maatschappij dat ook wil en hoe vaak ze het ook blijft vragen. Ellen Vos (hoogleraar Europees recht) en ik noemen dit mechanisme “de onzekerheidsparadox”. Die leidt tot schijnzekerheden, die door maatschappelijke partijen als zekerheden worden ingezet. Krantenkoppen en politici die zekerheid suggereren over UMTS-gerelateerde risico’s zijn daar voorbeelden van.

De onzekerheidsparadox is geen onschuldig mechanisme. Dat werd zichtbaar rondom de gekkekoeien-ziekte. De Britse minister die voor TV-camera’s zijn dochter een hamburger gaf als bewijs dat het eten van rundvlees ongevaarlijk was, is legendarisch. Uiteindelijk bleek dat mensen wel dodelijk ziek konden worden van het eten van besmet vlees, maar toen was het kwaad al geschied. Het ontmaskeren van deze zogenaamde zekerheid leidde tot groot wantrouwen in de overheid. Op dit wantrouwen doet de actiegroep Stop UMTS expliciet een beroep, getuige de retorische vraag “Kunnen we de overheid dan niet vertrouwen als het om onze gezondheid gaat?”. Dat dit wantrouwen heel groot is, blijkt uit het feit dat dit soort burgergroeperingen allerhande complottheorieën serieus neemt. Dat is een groot probleem, want vertrouwen is juist cruciaal om manieren te vinden om te (leren) leven met onzekere risico’s van innovatie.

Uit sociaalwetenschappelijk onderzoek naar de dynamiek van maatschappelijke controversen blijkt dat wetenschappelijke studies het pleit sowieso niet beslechten, maar discussies juist aanwakkeren. Verhitte discussies in de media pieken rondom de presentatie van onderzoeksresultaten. Het is voorspelbaar dat dat gebeurt bij onzekere risico’s. De ene partij schaart zich aan de zijde van de als zekerheden gepresenteerde schijnzekerheden en claimt ‘rationeel’ te zijn. De tegenpartij politiseert de gemakkelijk te vinden onzekerheden en claimt de voorvechter te zijn van ‘burgerbelang’. De inzichten uit het wetenschappelijke onderzoek worden alleen maar selectief gebruikt om de stellingen te betrekken, waardoor wederzijds wantrouwen en minachting worden versterkt.

De vroegere Britse minister van Landbouw John Gummer probeert zijn dochter (tevergeefs) een hamburger te laten eten voor de televisie.

Reflexen, paradoxen en patstellingen. Kan het ook anders? Er is geen gegarandeerd succes-recept. Maar voor de UMTS-casus zou het idee van “vrijwillige plaatsing”, toegepast in de Verenigde Staten en beschreven door de bestuurskundige Dave Huitema, interessant kunnen zijn.

Bij vrijwillige plaatsing staan burgers die voorstander zijn van UMTS centraal. Uit de psychologische risico-literatuur is overduidelijk dat mensen beter om kunnen gaan met risico’s die zij vrijwillig aangaan. De vraag is: zijn er gemeenschappen die een UMTS-mast willen? Bijvoorbeeld omdat zij op basis van de huidige inzichten niet bang zijn voor hun gezondheid. Omdat zij behoefte hebben aan UMTS-diensten. Omdat zij in de telecomsector werken en aan bedrijfsbelangen willen bijdragen. Telecombedrijven kunnen plaatsing ook aantrekkelijk maken: door mee te denken over hoe ze een bijdrage kunnen leveren aan wensen en ambities van zo’n groep. Op die manier kan het plaatsen van UMTS-masten helpen andere maatschappelijke doelen te realiseren. De ervaring leert dat door inbedding weerstand en ongerede angst kunnen afnemen. Tegelijkertijd kunnen wetenschappers daar nader onderzoek doen, zodat onzekere risico’s op den duur beter begrepen worden.

Als met vrijwillige plaatsing ook geen plekken beschikbaar zouden komen, dan is Nederland niet bereid de lasten te dragen die horen bij de lusten van deze innovatie. Dat betekent dat er voor UMTS-technologie onvoldoende echte markt is. Telecombedrijven hebben dan knollen voor citroenen aangezien. Vervelend, maar wel ‘part of the game’. Innovatie betekent niet alleen onzekerheid voor burgers, maar ook voor bedrijven.

Prof.dr.ir. Marjolein van Asselt is senior-onderzoeker bij de Faculteit der Cultuurwetenschappen van de Universiteit Maastricht, benoemd op de Dr. Tanswisselleerstoel en lid van De Jonge Akademie van de KNAW.

Zie ook: